Marx, Europa, Identiteit, Sarkozy, Verhofstadt, Amin Maalouf, Amartya Sen, Schopenhauer, Todorov, Hume, ALDE, Condorcet, Foucault -

Essay: Europa, vrouw in de marge

maandag 19 maart 2012 13:17

Europa ontleent haar naam volgens Herodotos aan de dochter van koning Agenor van Fenicië die door Griekse mannen uit liefde ontvoerd werd. Tzvetan Todorov beschrijft waarom Europeanen haar terecht tot hun symbool maakten: [Z]e is van vreemde herkomst, een ontwortelde, een onvrijwillige immigrante; en ze woont aan de randen, ver van het middelpunt van het vasteland, op een eiland. […] Het pluralisme van de oorsprongen en het zich openstellen voor de anderen zijn Europa’s merkteken geworden.” [1] Vandaag is Europa echter geen uit liefde geschaakte jonge vrouw, maar eerder een door onvrede gegijzelde vergane schoonheid. Die tendens kende recent nog een oprisping in Sarkozy’s dreiging om uit de Schengenzone te stappen. 

Culturele onbevlektheid

De Europese identiteit – of liever een Europese identiteit – een lege doos voor de één, een van waarden overstromende schatkist voor de ander. Het is nooit eenvoudig te spreken over identiteiten, dus waarom zou een Europees identiteitsbegrip daarop een uitzondering zijn? De kwesties waarmee de Europese Unie de actualiteit haalt, gaan steevast gepaard met een onderhuids – maar daarom niet minder hevig – identiteitsdebat. Van de Eurocrisis, over de financiële steun aan Griekenland, tot het PVV meldpunt voor Midden- en Oost- Europeanen: het conflict tussen diverse ‘zijnden’ is nooit veraf. Eerder integendeel, het vormt veeleer het moeilijk waarneembare fundament waarop de zichtbaar wankele zuilen van Het Verenigd Europa balanceren. Wat we op bewust niveau afdoen als een helder en rationeel te vatten politiek of economisch verschijnsel, gaat op onbewust niveau niet zelden terug op een vurig identiteitsconflict. Het Griekse drama wordt daarbij een schaamlap om ons via distantiëring te identificeren met wat ons tot ‘hard werkende Vlaming’ maakt en ons aldus onderscheid van de luie Griek (hetgeen de facto geenszins verschilt met de cultuurracistische houding jegens dé luie Waal of dé overlastige Oost-Europeaan).

Europa en haar identiteit was, is en zal nooit een eenvoudig begrip zijn. Het was een vraagstuk waar David Hume zich in zijn essay ‘Of the Rise and Progress of the Arts and the Sciences’ reeds zijn Schots-filosofisch hoofd over brak. Hume bevindt de Europese identiteit niet zozeer te bestaan in een gemeenschappelijk kenmerk, maar veeleer in een veelheid die haar macht verschaft. Die Europese eenheid in verscheidenheid waar menigeen van droomt, is dezelfde waar evenvelen van gruwen. ‘Hoe kunnen we een samenleving constitueren die uit niets meer bestaat dan diverse individuen die toevallig op eenzelfde continent ronddwalen?’, zo luidt de argumentatie dan bij eurosceptici. ‘Vlaanderen of Lombardije, dat zijn nog van die semi-heilige regio’s waarin we heerlijk op ons zelf kunnen terugplooien om allen in harmonie Vlaming of op Lega Nord stemmende Lombard kunnen wezen’, heerlijk toch die culturele onbevlektheid en eenheid? – ik hoop dat je me mijn cynisme vergeeft.

De bitterzoete smaak van identiteit

Hoe dan ook, vele monden spuwen hun gal op Europa die tegelijk door een optimistische woordenstroom wordt weggespoeld. Dat duale discours, echter, wordt misschien paradoxaal genoeg gekenmerkt door een even holle en onbestemde waarheidsaanspraak van beide kampen. De euroscepticus die de Europese identiteit afdoet als ongrijpbare utopie heeft het mogelijks net zozeer als de eurofiel aan het rechte eind. Wat de – ter illustratie – Vlaamsgezinde euroscepticus daarbij echter over het hoofd ziet, is dat die Vlaamse identiteit waarmee zo graag gedweept wordt even illusoir is als haar Europese variant.

Er ligt mijns inziens immers een grote, weliswaar goed gecamoufleerde valkuil op het pad naar een al dan niet gelaagde identiteitsvorming, waar zowel eurofiel als euroscepticus dreigen in te trappen. De fout bestaat er namelijk in te denken dat een identificatie een reeds bestaande identiteit zou vereisen. Identiteitsvorming zou volgens die redenering betekenen dat we ons louter hoeven te vereenzelvigen met een ergens in het luchtledige zwevende identiteit. Wanneer men dus op zoek gaat naar solidariteit om een Europa mee te stutten, zal men eerst die identiteit moeten creëren, want pas dan kan men zich ermee identificeren. Ja toch?

Het klinkt aannemelijk, maar ik denk dat er iets schort aan die redenering. Identiteit denken als een soort aristotelische kiem dat we allen in ons dragen om er vervolgens de vrucht van te proeven lijkt me een gevaarlijke misopvatting. Gevaarlijk, want degene die zijn of haar kiem niet tot bloei kan brengen zou een slechte beheerder zijn van diens bestaan. Eenmaal men in dergelijk denkpatroon verstrikt raakt, is het sluipend gevaar zeer tastbaar om in een door kortzichtige stereotypen en simplistische clichés geschraagd denken over de existentie van de ander te vervallen. Het is de identiteitsconceptie zoals Amin Maalouf ze beschrijft in diens ‘Les Identités meurtrières’.

Identity and violence

Maalouf definieert dergelijke moorddadige identiteiten als “celle qui réduit l’identité à une seule appartenance, installe les hommes dans une attitude partiale, sectaire, intolérante, dominatrice, quelquefois suicidaire, et les transforme bien souvent en tueurs ou en partisans des tueurs” [2]. Een identiteit is dus geen essentialistisch boompje in onze ziel dat we moeten grootbrengen en waarmee we feilloos moeten samenvallen. De andere identiteiten die in de schaduw van die boom hun wortels willen nestelen, zijn eraan voor de moeite. Ik hecht meer geloof in een existentialistische wandeling door een weelderig bloeiende boomgaard waarin zich verscheidene vruchten aandienen aan de plukker, die conform zijn of haar levensloop diens mandje vult. Ook de Indische Nobelprijswinnaar Amartya Sen neemt afstand van een reductionistische identiteitsvisie. In diens ‘Identity and violence’ waarschuwt Sen voor het gevaar om mensen op te delen in een rigide identiteitscarcan. Dergelijke strakke halsijzers zouden leiden tot superioriteitsgevoelens, intolerantie en via die weg uitmonden in geweld.

Sen gaat een stap verder. De unidimensionale identiteit overschaduwt steeds meer dan vroeger het klassieke ideologische denken. “Ideologie is, zeker in zijn meest heftige vormen, vaak steeds meer gebaseerd op een verkeerd begrepen eendimensionale identiteit”[3]. Wanneer moraalridders de burger bestoken met de vraag ‘wie ben je nu eigenlijk?’ creëert dat een conflict dat onrecht doet aan de beider inter- en intramenselijke diversiteit. ‘Ben je nu eigenlijk Europeaan of Belg?’ is een absurde vraag die de verhoopte Europese identiteit in een zelfdestructieve levenssfeer brengt. De rijkdom van een Europese identiteit ligt in de kruisbestuiving tussen diverse identiteiten, waardoor haar Europese variant bestaansreden krijgt als extra laagje in de identiteits-millefeuille. Met de woorden van Guy Verhofstadt: Europa zal haar culturele rijkdom kwijtraken wanneer het zich terugtrekt op mono-etnische en monolinguïstische eilandjes, die netjes van elkaar gescheiden worden. De fractieleider van de Alliance of Liberals and Democrats for Europe waarschuwt net als Sen en Maalouf voor een identiteit die zo verwordt tot een gevaarlijk wapen in de handen van nationalisten en populisten.

Schopenhauers sneer, Condorcets zalving

Het humanistische adagium ‘eenheid in verscheidenheid’ wordt echter meedogenloos verstikt door het vacuüm van de strikt economische visie op de Europese Unie. Het aangekondigde ‘Sociaal Europa’ kent slechts weinig verankering in de hoofden van haar burgers en de veelheid aan identiteiten boezemt velen angst in, vooral in tijden van globalisering en sociale verandering. Het succes van populistische partijen kan in deze afgewogen worden tegen Karl Poppers stelling dat gesloten samenlevingen daar opdoemen waar zich fundamentele sociale veranderingen voordoen. Het is een vruchtbare grond voor nationalistische politici om zich te profileren als messianistische waarheidspredikers. Zij die niet voldoen aan de vermeende waarheid zijn de sigaar. Schopenhauer schreef ter zake snerend over de tekortkomingen van de verheerlijking van de nationale trots: “De goedkoopste soort van trots is echter de nationale trots. Want hij verraadt bij degene die ermee behept is het gebrek aan individuele eigenschappen waarop hij trots zou kunnen zijn, daar hij anders niet datgene zou hoeven aan te grijpen wat hij met zoveel miljoenen deelt.” [4]

Ook de economisch woelige tijden die ogenschijnlijk nagenoeg elke vorm van solidariteit breken tussen Duitsland en Griekenland nemen het nobele Europese identiteitsbegrip onder vuur. De Europese identiteitskwestie dreigt buiten het debat van de eurocrisis te vallen, hoewel ze er juist een antidotum tegen kan vormen. Een Europese Unie die niet meer is dan een op economie gerichte samenwerking, die de crisis tracht te bezweren door besparingen zonder daar structurele hervormingen aan te koppelen om te komen tot een gezonde groei, mag niet verwachten dat haar burgers zich ooit het prefix ‘Europees’ zullen toe-eigenen. Een unie vergt bovenal een politieke unie waarbinnen de identiteits-millefeuille haar slagroom topping krijgt die ze verdient. Zolang Europa zichzelf verengt tot een economisch verhaal, predikt het – onbewust – een moorddadige identiteit die de mens verengt tot een homo economicus. Evenredig met Foucaults kritiek op Marx dat de mens geen arbeidend wezen is, maar veeleer tot een arbeidend wezen gemaakt wordt, geldt hier een gelijkaardige kritiek. De mens mag dan wel een homo economicus zijn, het is een regelrechte aanval op diens identiteit onrecht te doen aan zijn diversiteit.

De vermeende Europese identiteit ligt dus niet in een vervlogen verleden dat afgelezen wordt van dictaten van natiestaten, het ligt evenmin in een louter economische samenwerking, het ligt veeleer in een open toekomst waarvoor we met ons allen verantwoordelijkheid dragen. Die verantwoordelijkheid voor een open toekomst bindt ons allen, noopt ons tot solidariteit en vormt een basis voor een nog ongedefinieerde identiteit. Met de woorden van Condorcet: “Als ik de huidige toestand van de kennis in Europa onderzoek, zie ik dat, ondanks de verscheidenheid van regeringen, instituties, gebruiken en vooroordelen, verlichte mensen uit heel Europa het over de waarheden eens worden …” [5]
Die bescheiden en tegelijk hoopgevende conclusie van Condorcet roept ons op tot een Verlicht humanisme geruggesteund door de drie pilaren van een toekomstig Europa: vrijheid, verantwoordelijkheid en solidariteit.  

[1] TODOROV, T., Angst voor de barbaren, Antwerpen, Atlas, 2009, blz. 260

[2] MAALOUF, A., Les identités meurtrières, Paris, Grasset, 1998, blz. 43

[3] SEN, A. en VERHOFSTADT, G., Over oorlog, identiteit en de onzichtbare hand, in: DESMET, Y. En GEYSELS, J., Doeners en denkers, Amsterdam, De Bezige Bij, 2010, blz. 26

[4] SCHOPENHAUER, A., Bespiegelingen over levenswijsheid, Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2008, blz. 65

[5] DE CONDORCET, N., Ecrits sur l’instruction publique, Paris, Edilig, 1989, blz. 127

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!