Bron: Pixabay
Opinie - Beno Schraepen

Het einde van het instellingsmodel

donderdag 23 april 2020 15:51
Spread the love

 

België is een land van zorginstellingen. In tegenstelling tot de Scandinavische en sommige Angelsaksische landen, hebben we bij de heropbouw na WOII in naam van de verzorgingsstaat hier zwaar op ingezet. Dat het samengaan van het caritas en medisch denken aan de basis ligt van deze zorgvorm voor personen met een beperking, kwetsbare jongeren of ouderen, kunnen we afleiden uit de namen van de voorzieningen alleen al. Nochtans is dit zorgmodel al meer dan een halve eeuw niet vrij van kritiek.

In 1961 beschreef de socioloog Erving Goffman al de negatieve impact op het leven in instellingen op de identiteitsontwikkeling van de bewoners. Hij wijt dit aan het leven in groep op dezelfde plek met dezelfde mensen waar iedereen gelijk wordt behandeld en hetzelfde doet en dit alles bepaald wordt door opgelegde protocollen en regels omkaderd door een dagelijkse werking die vooral ten dienste staat van de efficiënte organisatie. Het leidt tot eenzaamheid en isolement in de samenleving, tot vervreemding van het eigen kunnen, passiviteit en rigiditeit en probleemgedrag.

Deze inzichten hebben sindsdien bijgedragen tot een wereldwijde afbouw van het instituutsmodel. Ook bij ons werd de zorg sinds de jaren 80 huiselijker en meer op maat ingevuld. Eigen kamers kwamen in de plaats van slaapzalen, witte schorten eventueel vervangen door gewone kledij, een orthopedagogische visie doet zijn intrede.

Maar alle paviljoenen, ambulante begeleiding, initiatieven voor zelfstandig wonen en vermaatschappelijking van zorg ten spijt … aangewakkerd door de wachtlijsten en het economisch efficiëntie-denken, zijn grootschalige zorginstellingen nog altijd het favoriete model in Vlaanderen. Iedereen, bewoners, familie en samenleving, is dan ook tevreden over, en gewend aan, de kwaliteit en efficiëntie van (gezondheids)zorg die er geboden wordt. Gezinnen worden bovendien ontlast van een heleboel bekommernissen en zware zorgtaken. Deze wordt met een gerust hart uitbesteed aan goed opgeleide professionelen binnen een juiste omkadering. De instellingscultuur past de Vlaamse cultuur van ‘hard werken en zorgen voor’ als een handschoen.

Maar ondanks alle goede zorg, blijft de kritiek van Goffman overeind. Ook vandaag vereenzamen bewoners, maken ze geen deel uit van de gemeenschap, is hun sociaal netwerk beperkt tot personeel en bewoners, zijn ze afhankelijk van derden en vooral onzichtbaar in de samenleving. De gezondheidscrisis stelt dit nog meer op scherp. Terwijl het instellingsmodel als samenwoonvorm de ideale broeihaard is voor een virus, werden personeel en bewoners in zorginstellingen aanvankelijk gewoon vergeten. De kwaliteit van zorg, eigenlijk de belangrijkste bestaansreden, is er niet meer gegarandeerd. Het zijn integendeel de kleinschalige, nabije en meer inclusieve zorginitiatieven, in een huis in het dorp of de wijk, in verbinding met de buurt, met maximale ondersteuning, die vandaag meer recht doen aan de persoon én meer bescherming blijken te bieden op vlak van zorg en gezondheid van bewoners en personeel. 

Door de gezondheidscrisis lijken we vandaag met z’n allen in één grootschalige instelling te leven. Net zoals in de traditionele residentiële zorginstelling gebeurt nu voor velen wonen, werken en recreatie op dezelfde plek met steeds dezelfde andere (huis)bewoners. Rollen en prestaties die ons dagelijks leven bepalen, lopen door elkaar en zijn minder zichtbaar voor de buitenwereld, omdat op bezoek gaan of ontvangen beperkt is toegelaten. Dit kan stress veroorzaken en om hieraan te ontsnappen, installeren we structuur en routines.

We boeten in op zelfbeschikking en autonomie; de autoriteit beslist voor ons wat we wel en niet mogen. Uitstapjes kunnen onder voorwaarden met één vriend of met ‘onze leefgroep’ en niet te ver van de woonplaats. Het is allemaal voor ons eigen goed en in het algemeen belang.

Als kersverse ‘bewoners’ reageren we op verschillende wijzen op de nieuwe ‘instelling’. Sommigen trekken zich volledig terug in de eigen situatie en beperken de interacties tot het minimum (Waar is die gebleven?), anderen weigeren gewoon mee te werken en stellen zich onverzoenlijk op (Waar is dat feestje?). Gedrag van enkelen leidt dan tot verstrengde regels voor alle bewoners. Een derde groep maakt er het beste van. Omdat de spanning tussen de geïnstalleerde wereld en de buitenwereld wegvalt, voelen ze zich goed bij de instellingscultuur. Ze proberen zoveel als kan met beperkte faciliteiten een vrije gemeenschap voor zichzelf te bouwen.

Tenslotte heb je nog de ‘voorbeeldige bewoners’, diegenen die de ‘instellingsvisie’ klakkeloos overnemen, toonbeelden van discipline die de nieuwe moraliteit enthousiast uitdragen en anderen graag mee op de vingers tikken. Ook niet te vergeten zijn de ‘geïmmuniseerden’ omdat deze situatie aansluit bij hoe hun leven tot nu toe is verlopen.

Deze reacties worden natuurlijk niet zo rechtlijnig volgehouden. De meest gehanteerde tactiek bij bewoners in de instelling, (nog steeds volgens Goffman) is ‘playing it cool’ waarbij we op opportunistische wijze verschillende houdingen met elkaar combineren, afhankelijk van met wie we in welke context zijn. 

Herkenbaar? Het zijn niet meer dan gezonde manieren van ons om aan te passen aan een ongezonde situatie, van recht doen aan onszelf. We krijgen niet vaak de kans om het leven in een instelling te ervaren en voor ons is dat weliswaar tijdelijk. Voor heel wat mensen is dat hun leven. 

 

Beno Schraepen is lector en onderzoeker aan AP Hogeschool, ISOS kenniscentrum / Studiecentrum voor inclusie.

 

Bron:

Goffman, E. (1961), Asylums: essays on the social situation of mental patients and other inmates , New York: Anchor book

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!