(foto's): Walter Van den Eynde)

Red de cultuur! Toespraken van Guy Cassiers, Josse De Pauw e.a.

Overzicht van de verschillende toespraken die op 1 april gehouden zijn tijdens het slotevent van de campagne "Red de cultuur" in de Bourla in Antwerpen. Meer dan 2600 artiesten tekenden de oproep 'Red de cultuur'. Zij waarschuwen voor de besparingen in de cultuursector die in Europa al veel slachtoffers maakten.

vrijdag 4 april 2014 12:01

Guy Cassiers 

(Regisseur en artistiek leider van het Toneelhuis)

In het cruciale jaar 1933 schreef de Franse filosoof, schrijver en
criticus Julian Benda in zijn boek Discours à la nation européenne:
“Europa zal niet de vrucht zijn van een economische transformatie:
het zal alleen bestaan wanneer het een bepaald systeem van morele en
esthetische waarden aanneemt.” Tachtig jaar later is die uitspraak
meer to the point dan ooit. . Het Europese project dreigt zich te
verliezen in louter economische competitie en is vergeten zijn
intellectuele, esthetische en sociale competenties te ontwikkelen.
Het systeem van esthetische en morele waarden dat Benda voor ogen
had, is niet tot stand gekomen, Het dominante Europese discours is
dat van een neo-liberale regularisering geworden.

In de eerste eeuw na Christus al schreef de Romeinse filosoof
Longinus in zijn klein geschrift over Het verhevene : “Geldzucht is
een kwaal die ons omlaag trekt, waar ze heerst zal de menselijke
grootheid ontbreken.” Het lijkt er meer en meer op dat Europa op
het kruispunt der wegen het pad van de geldzucht heeft gekozen.
Grootheid heet nu: excellentie, topkwaliteit of meerwaarde. Alle
sociale en morele idealen zijn ondergeschikt gemaakt aan de terreur
van ‘good governance’ – ‘goed bestuur’ – een inmiddels
volstrekt leeg geworden term die te pas en te onpas wordt gebruikt.
Dat is de horizon van Europa geworden.

Politiek wordt gedefinieerd als de kunst van het mogelijke. Maar
er is iets problematisch aan de hand met dat ‘mogelijke’. Het
wordt steeds meer ingeperkt tot zijn meest banale variant.

De Europese crisis wordt voortdurend benoemd en geanalyseerd als
een financiële of een economische crisis, maar de crisis gaat veel
dieper. Het is een crisis van de geest. In zijn essay L’homme
révolté schrijft Camus in 1951 over deze crisis: “De Europese
volkeren geloven niet meer in wat is, in de wereld en in de levende
mens; het geheim van Europa is dat het niet meer van het leven
houdt.”

We moeten terug naar de stelling van Julian Benda: Europa is
cultureel en moreel of is niet. Daar zit zijn vitaliteit, zijn leven
en zijn overleven. Een economische bloedtransfusie zal daar niet bij
helpen. Waar het Europa aan ontbreekt is een gedurfde sociale
verbeelding. Waar het Europa aan ontbreekt is een visionair denken
voorbij de grenzen van wat zich aandient als ‘de realiteit’. Dat
visioen was en is zijn ware grootheid. Daarin speelt de kunst een
centrale rol: kunst als een politiek van het onmogelijke.

“We hebben te veel dingen, en te weinig vormen”, schreef de
Franse auteur Gustave Flaubert. Dat geldt meer dan ooit. Het grote
avontuur van de kunst is het permanent zoeken naar een vorm om te
kunnen omgaan met die onoverzichtelijke hoeveelheid van dingen,
gedachten, meningen, ervaringen, keuzes, etc. waarmee we
geconfronteerd worden. Die vorm maakt ons onafhankelijker, sterker,
rijker en groter als mens. Voor minder mogen we niet gaan.

——————–

Josse De Pauw

(Acteur, filmregisseur, theatermaker, auteur en columnist)

IETS ALS ADEM

Het moet nu maar eens gedaan zijn. Eh?! Toch?!

Nu moet het eindelijk maar eens gedaan zijn. Het heeft lang genoeg
geduurd. Het is zo stilaan wel genoeg geweest.

Al dat geld dat daar ingestoken wordt, hopen geld, òns geld, en
dat brengt allemaal niks op! Mensen toch, dat kan niet blijven duren,
dat weet het kleinste kind toch ook? Afschaffen!

Over wat zou dat hier nu gaan? Over kunst, denk ik, en over
cultuur. De toon waarop het gezegd wordt doet mij denken aan kunst en
cultuur. Maar het zou natuurlijk ook over iets anders kunnen gaan. Er
zijn meer mogelijkheden. Ik ga dezelfde tekst nog eens zeggen en laat
ons afspreken dat het deze keer over de politiek gaat.

Het moet nu maar eens gedaan zijn. Eh?! Toch?! Nu moet het
eindelijk maar eens gedaan zijn. Het heeft lang genoeg geduurd. Het
is zo stilaan wel genoeg geweest. Al dat geld dat daar ingestoken
wordt, hopen geld, òns geld, en dat brengt allemaal niks op! Mensen
toch, dat kan niet blijven duren, dat weet het kleinste kind toch
ook? Afschaffen!

Dat lukt ook. Het bankwezen? Dat moet ook wel lukken, geloof ik.
Het moet nu maar eens gedaan zijn. Eh?! Toch?! Nu moet het eindelijk
maar eens gedaan

zijn. Het heeft lang genoeg geduurd. Het is zo stilaan wel genoeg
geweest. Al dat geld dat daar ingestoken wordt, hopen geld, òns
geld, en dat brengt allemaal niks op! Mensen toch, dat kan niet
blijven duren, dat weet het kleinste kind toch ook? Afschaffen!

Dames en Heren, de lijst is eindeloos. Ford Genk… daar hebben we
ook subsidies aan gegeven. Want over dat woordje gaat het: subsidies.
Laat dat woordje vallen tijdens een lange verveelde stilte in een
café op een regenachtige middag, en er is op slag ambiance, ik zweer
het u. Het woordje is nochtans de motor van ons systeem. Het is de
aandrijving van een solidaire samenleving.

Ik heb mijn Grieks-Latijnse niet afgemaakt, maar ik ben wel lang
genoeg gebleven om te weten dat subsidium, steun betekent, hulp. Het
is het ideale middel om een samenleving mee vorm te geven. Een manier
om wat we belangrijk vinden voor die samenleving mee te helpen
mogelijk maken.

We hebben nu toch zo stilaan wel begrepen dat we het niet allemààl
aan de vrije markt kunnen overlaten? De banken, kroonjuwelen van die
vrije markt, hadden het zonder onze hulp niet gered, punt!

Maar nu alle stormen min of meer zijn gaan liggen, kan het woordje
als vanouds weer gewoon dienen om die lamzakken van de kunsten mee te
stigmatiseren. Die culturo’s zonder ruggengraat, die alleen maar
hun hand ophouden en òns geld, zij het gracieus, over de balk
gooien. En dat moet nu maar eens gedaan zijn. Eh?! Toch?! Nu moet het
eindelijk maar eens gedaan zijn. Het heeft lang genoeg geduurd…
enzoverder enzovoort.

Hoe komt het toch dat het wondere woordje subsidie nooit lang
stand houdt als het over broodnodige hulp aan de banken gaat, of over
Vlaamse deals met Ford Genk of over dotaties voor politieke partijen?
Dat het woordje, de lange verveelde stilte in het café op een
regenachtige zondagnamiddag, enkel en alleen kan verstoren, als het
op kunst en cultuur slaat? Het is me een raadsel.

Ikzelf ben een goeie veertig jaar werkzaam in culturele en
kunstige middens en ik kan bij deze met de hand op het hart zeggen,
dat ik daar weinig lamzakken ben tegengekomen.

Wel integendeel, ik weet zeker dat eender welke westvlaamse
ondernemer blij zou zijn, mochten zijn werknemers eenzelfde inzet
vertonen als die zogenaamde ruggengraatlozen.

Het gezin waarin ik geboren ben, dames en heren, kreeg vanaf het
vierde kind korting op de trein, dat heette afslag voor kroostrijke
gezinnen. Het zou wel eens kunnen dat het voortschreidend inzicht in
de wereldpopulatie en de gevolgen daarvan, er in de toekomst voor
zorgt dat je vanaf het vierde kind dubbel betaalt op de trein en dat
je korting krijgt vanaf het vierde condoom.

Datzelfde gezin waarin ik geboren ben had een boomgaard, allemaal
hoogstam, deel van de boerderij waarop mijn moeder haar jonge leven
had doorgebracht. Ik herinner me dat er bericht kwam van hogerhand:
er werden subsidies uitgereikt voor het rooien van hoogstam
fruitbomen. Voor elke boom die je rooide kreeg je geld! We kunnen ons
dat nu niet meer voorstellen. Het zou best kunnen dat je nu geld
krijgt als je hoogstam aanplant. Dat bedoel ik met vorm geven aan de
samenleving die we willen. En dus moet er goed nagedacht worden over
subsidies, zeker weten. Welke samenleving willen we? En als we er dan
bij uitkomen dat we een samenleving willen zonder kunst en cultuur,
dan moeten we daar geen geld meer aan verkwanselen, dat spreekt
vanzelf. Maar graag, eerst goed nadenken of we zo’n soort
samenleving willen.

Het is onzin zegt het verstand

Het is wat het is zegt de liefde

Het is tegenslag zegt de berekening

Het is alleen maar pijn zegt de angst

Het is uitzichtloos zegt het inzicht

Het is wat het is zegt de liefde

Het is belachelijk zegt de trots

Het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid

Het is onmogelijk zegt de ervaring

Het is wat het is zegt de liefde

Voorgaande is een gedicht van Erich Fried. Oostenrijkse dichter
van Joodse oorsprong, uit de vorige eeuw, hier in een vertaling van
Geert Van Istendael. Zo’n gedicht heeft ruimte en tijd nodig.
Ruimte en tijd door de samenleving gegund aan de dichter én aan zijn
vertaler.

Ik ben blij met dit gedicht en ik ben de samenleving die hen de
ruimte en de tijd gunde om het te schrijven, oprecht dankbaar.

En zo zie ik regelmatig theaterstukken en dansvoorstellingen,
krijg ik de kans schilderijen te bekijken en beelden allerlei, ga ik
naar concerten waar ik al die verschillende muziekjes mag beluisteren
waar ik zo van hou, kan ik boeken lezen en films gaan zien… en ik
kan mij geen samenleving voorstellen zònder dat alles.

Zònder al die verschillende vormen van eigenzinnige communicatie
– want de kunsten spreken – lijkt het leven mij te saai om geleefd te
worden. Erger nog, zònder gaat de wereld kapot. Alleen de
schoonheid, of althans de zoektocht ernaar, de poging ze te scheppen,
zal keer op keer in staat zijn de wereld te redden, niks anders. De
mensheid weet dat, maar vergeet het steeds opnieuw.

Nog één ding: al dat geld dat we erin stoppen… brengt wel
degelijk iets op, en wel veel en veel meer dan we denken. Er
verschijnen trouwens steeds meer studies die beweren daar bewijs voor
te leveren. Maar goed ook, want zonder cijfers in de hand staat een
mens tegenwoordig nergens. Ze mogen gelogen zijn en dat zijn ze vaak,
dat maakt weinig uit.

Ik geloof dat ik het fijner zou vinden mochten we er gewoon van
doordrongen zijn dat zonder kunsten en cultuur geen leven mogelijk
is, niet hier en ook niet op Mars! Ik zou het zoveel fijner vinden
mocht het een vanzelfsprekendheid zijn, die je niet noodzakelijk met
juiste of gelogen cijfers hoeft te bewijzen. Mocht het iets zijn…
als adem.

————————-

Christophe Van Gerrewey

(Schrijver, onderzoeker, docent in het domein van Architectuur en Stedenbouw)

Red de cultuur. Hoezo? Moet de cultuur gered worden? Waarvan? Wat
betekent het om de cultuur te redden? Van welke ramp moet de cultuur
gevrijwaard blijven, of gaat het gewoon om de definitieve verdwijning
die te vermijden valt?

Cultuur kan gedefinieerd worden (zo staat het in Van Dale) als het
geheel van normen, waarden en omgangsvormen in een organisatie, een
groep of – algemener – een maatschappij. In dit geval is cultuur
onvermijdelijk, en kan cultuur dus niet verdwijnen. Van zodra er drie
of meer mensen gedeeltes van hun leven met elkaar delen, is er sprake
van cultuur – van gemeenschappelijke begrippen, opvattingen,
zekerheden, overtuigingen en betekenissen.

Cultuur is er dus, altijd. Er ontstaan pas problemen (en die
problemen ontstaan meteen) als cultuur vanzelfsprekend wordt – als,
met andere woorden, cultuur niet langer wordt beschouwd als een
geheel van normen, waarden en omgangsvormen, maar als een verzameling
zekerheden, als een verzameling betekenissen en waarheden die niemand
nog wil, kan of durft te betwijfelen. Zo kan het, om een voorbeeld te
geven, binnen een bepaalde cultuur als overduidelijk en
onaanvechtbaar beschouwd worden wat de zin van het leven is. Er kan
zich op die manier een cultuur ontwikkelen die op alle mogelijke
momenten, dag en nacht en op elke plaats, drijft op de verspreide
overtuiging dat mensen bestaan, weliswaar zonder dat ze daarom hebben
gevraagd, om bijvoorbeeld geld te verdienen – om te werken, te
sparen en te ondernemen.

Een andere bestaansreden kan gevonden worden
(en door de cultuur bevestigd) in combinaties van genieten, eten en
televisiekijken. In elk woord, in elk gebaar, in elke oogopslag, in
elke daad, in elke handeling, in elk krantenartikel, in elk
programma, in elke tweet, in elke update – altijd en overal dreigen
dergelijke activiteiten aangegrepen te worden als het belangrijkste,
om niet te zeggen het enige, waarmee mensen hun dagen kunnen vullen.
Het leven is verklaard, het is af, het is voor iedereen op een even
vanzelfsprekende als gewelddadige manier hetzelfde.

Het is op zo’n moment – en dat moment is quasi altijd daar –
dat de cultuur gered moet worden. Het is zo’n moment waarop volgens
Plato, en hij beweerde dat al in de vierde eeuw voor Christus, de
menselijke maatschappij niet meer door redelijke overtuigingen wordt
beheerst, maar door een verzameling doxa’s – schijnwaarheden,
sofistische redeneringen, voetstoots aangenomen en tot in het
oneindige gereproduceerde leuzen, kreten, verboden en verplichtingen.
Het geheel van de westerse en van de Europese cultuur heeft zich
altijd weten te redden en in leven weten te houden door deze doxa’s
aan te vechten, te bestrijden, in vraag te stellen en te
bekritiseren.

Cultuur verstart en gaat inderdaad reddeloos ten onder
als de overheersende meningen, de gemeenplaatsen, de overtuigingen
van de stilzwijgende massa en de als vanzelfsprekend beschouwde
invulling van de dagen, de uren, de minuten en de seconden van het
menselijk leven, niet steeds door alternatieven, betere
mogelijkheden, andere uitwegen, mooiere perspectieven of soms gewoon
door een radicale weigering worden tegengesproken. Die tegenspraak
komt niet automatisch tot stand – integendeel. Die tegenspraak komt
van bij individuen, van bij minderheden, die buiten de massa staan,
buiten de gemeenschap, buiten de machtscentra en buiten de
hoofdkwartieren van de cultuur.

Die tegenspraak wordt dus in eerste
instantie verwoord door neezeggers, zoals de beroemde klerk Bartleby
uit het verhaal van de Amerikaanse schrijver Herman Melville, die op
een kantoor in Wall Street, op een doodnormale dag, geen juridische
documenten meer wou overschrijven, zoals nochtans iedereen dat
stilzwijgend en onnadenkend deed, en die dus gewoon tegen zijn baas
durfde te zeggen: ‘Dat deed ik liever niet.’ Dat is niet hetgene
waarmee ik mijn zinloze dagen hier op aarde wil doorbrengen. Dat is
niet wat ik belangrijk of plezierig vind. Dat is niet wat mij zin
doet krijgen om op te staan. Om die alternatieve wegen van vrijheid
open te houden, om de cultuur en de samenleving en de maatschappij en
het leven dagelijks te redden, bestaat er – daarom – nog steeds –
kritiek en kunst, kunst en kritiek, en de schitterende combinaties
tussen beiden.

——————–

Ferre Wyckmans

(Algemeen Secretaris LBC-NVK)

“Red de cultuur…” een gevolg van of vervolg op het eerdere
initiatief ‘red de solidariteit’. Is het een vraag, een
noodkreet, een oproep, een uitroep, een bevel of is het een
boodschap. Liever geen vraag, maar een statement.

Want op vragen riskeer je antwoorden van anderen. Van beweringen
blijf je meester, aan antwoorden dreig je ondergeschikt te worden.
Vragen staat vrij, maar het maakt afhankelijk.

Want als het een vraag of een eis is rijst ongetwijfeld de vraag
tot wie deze zich richt. Wie moet dan de solidariteit,
respectievelijk de cultuur redden? En dan waag ik me nog niet aan de
vraag wat ‘de cultuur’ is. Ik mag aannemen dat er eigen Vlaamse
inbreng en cultuurelementen zijn, maar dé Vlaamse cultuur bestaat
niet, ik wil er althans niet in ingekapseld laat staan door beperkt
worden.

Als actief en professioneel syndicalist en amateur cultuur- en
kunstliefhebber en een beetje ‘cultuurbeheerder’ wil ik de link
tussen de solidariteit en cultuur leggen. Beide zijn erfgoed en in
voortdurende ontwikkeling.

De oproep om de solidariteit te redden wil ik, niet om a- of
antipolitieke redenen, niet naar het beleid werpen, althans niet in
eerste instantie. Redden moeten we zelf doen. “Laten we dus de
solidariteit redden”, lijkt mij de terechte formulering.

De solidariteit, zoals we die o.a. kennen via het erfgoed dat
sociale zekerheid heet, hoort ons, de werknemers, toe. We zijn er de
uitvinders, creatoren en behoeders van geweest en nog steeds voor
bijna 80 % de rechtstreekse financiers van. Ik beschouw de SZ als
volle 100 % eigendom van de werknemers. Hun bijdragen op het loon
financieren het stelsel, de steeds beperkter staatstussenkomst wordt
betaald door belastingen die uiteindelijk alleen door de werkenden
wordt betaald. Rechtstreeks of via de btw. Deze eigendom van ons
afnemen is diefstal. Een diefstal die wordt voorbereid en
uitgeschreven in menig partijpolitiek programma heden ten dage en in
de praktijk onder het vernietigende alibi van de competitiviteit al
jaren wordt uitgevoerd. De crisis wordt door de economisch zwaksten
betaald.

“Red de solidariteit” weiger ik te ‘vragen’ of te smeken
aan al diegenen die via besparingen of extra loonlastverlagingen
juist de solidariteit bedreigen. Wij roepen op om de afbraak te
stoppen, het inhoudelijk uitbouwen, opbouwen en redden zullen we zelf
doen. Hier geldt voor één keer het adagium: wat we zelf doen, doen
we beter. Wij, de werknemers die solidariteit hebben uitgevonden dus.
En ja er zijn werknemers die momenteel dreigen op basis van
kortstondige lokroepen te zwichten voor tweespalt. Dat van het
kortdurende en verhoopte eigenbelang versus de solide solidariteit.
Het redden van de solidariteit is het werken aan het draagvlak dat
geloof in onze eigen solidaire keuzes heruitvindt.

Zo geldt m.i. ook de red de cultuur-boodschap juist een oproep die
we mogen en moeten richten aan diegenen die de cultuur creëren of
behoeden voor teloorgang of verarming. Zij die met hun scheppende
arbeid de bijdrage leveren aan cultuurcreatie zullen en kunnen de
enige echte redders van de cultuur zijn. Wie dan ook behoedde ons (en
ik bedoel eigenlijk: jullie cultuurmakers) ervoor dat de zgn.
bestrijders van het politiek establishment – die wel vinden dat
kinderverzorgsters minder moeten zagen en minder ziek zijn – of de
culturo bashers de cultuur zouden moeten redden. Onze opdracht is hen
te verhinderen om aan afbraak te doen, of creativiteit te belemmeren,
maar we gaan hen niet vragen of smeken om cultuur te redden door deze
te helpen maken. Dat wordt binnen de kortste keren een sollicitatie
naar cultuur die naar vorm en inhoud samenvalt met politieke
standaards. In totalitaire regimes weten cultuurmakers als geen ander
die knelling in te schatten.

Schrijvers, acteurs, dichters, cineasten, muzikanten, componisten,
schilders, beeldhouwers, kunstenaars allerhande in woord en daad wij
roepen jullie op. Red ons door cultuur. Wat het beleid moet doen is
de omstandigheden voorzien waarin creatie én consumptie van en ook
opvoeding tot cultuur een waarde is die hoort bij het actieve
burgerschap.

Daar horen inderdaad beleidskeuzes bij. Maar laten we niet in de
val trappen van het betoog dat cultuur slechts zou bestaan of
overleven via de reddingsboei die ‘de politiek verantwoordelijken’
moeten uitgooien. Immers ‘de’ politiek bestaat niet en dus de
redders in die hoek zoeken zou een misinschatting van jewelste zijn.
Ik weiger de redding van de solidariteit in handen te laten van
diegenen die de solidariteit eigenlijk kan gestolen worden. Laten we
het redden van cultuur niet tot een soort van bijstandsregeling van
marginale subsidie of discussies daarover verengen.

Ja, het redden van cultuur is gebaat :

  • bij decente loon- en arbeidsvoorwaarden
    voor werknemers in de culturele sector.

  • Met kunstenaarsstatuten die meer doen de
    bedelstaf vermijden,

  • met inkomstengarantie voor alle
    auteursrechten.

  • Met subsidies die initiatiefnemers voor
    onmogelijke risico’s behoeden.

  • Met zekerheden dus en dat is geen
    creatieve lafheid.

Maar vooral is cultuur redbaar met ongebreidelde, niet getemperde
inventiviteit die het draagvlak bij burgers voor kwaliteit van schone
en andere kunsten vergroot en uitdaagt. Die uitdaging betreft jullie,
de gerechtigde redders van cultuur.

In het vaak tot één zin gereduceerde gedicht “De zeer oude
zingt” van Lucebert, wordt de regel “alles van waarde is
weerloos” onrecht aangedaan. Ik declameer wat in de twee
daaropvolgende versregels volgt:

Alles van waarde is weerloos

Wordt van aanraakbaarheid rijk

En aan alles gelijk

——————–

Rudy De Leeuw 

(voorzitter van het ABVV)

“Het ABVV is eveneens
ontgoocheld over wat er van Europa geworden is en wat sommigen er van
proberen te maken. We zijn niet tegen Europa, want we moeten
problemen grensoverschrijdend samen aanpakken, maar we willen een
menselijk, een sociaal Europa. Een Europa voor ons en door ons. Een
Europa dat mensen kansen en bescherming biedt. Geen markt waar alles
te koop is. Geen Europa dat winstbejag aanmoedigt. Geen Europa waar
kunst en cultuur worden vermarkt. Geen Europa van ongebreidelde
concurrentie. Want concurrentie verdeelt, maar cultuur verenigt en
brengt mensen samen.De blinde besparingen hebben de crisis
niet alleen economisch verergerd, maar ook sociaal en cultureel.
Gemeenschappen zijn ontwricht. Er werd geen toekomst gecreëerd, maar
sociale hel. Natuurlijk vinden wij dat je gemeenschapsgeld als een
goede huisvader moet beheren, je moet er spaarzaam mee omspringen.
Maar democratische en culturele verworvenheden moeten gevrijwaard
worden.Een democratische samenleving is voor het ABVV
essentieel. Die democratie moet toegepast worden in de politiek en de
economie, maar ook in het sociale en culturele leven. Op democratie
en cultuur kan je niet bezuinigen. Cultuur is essentieel om een sterk
sociaal weefsel te bouwen. Een sociaal weefsel dat ons in crisistijd
mee overeind houdt.”

——————–

Dirk Tuypens

(acteur)

http://www.jonasstaal.nl/geschreven%20werk/scheppende_mens_open.pdf

——————–

Jef Lambrecht

(Journalist)

Dag Allen,

Alles van waarde is weerloos staat in neon boven Rotterdam en op
de gevel van een Gents café. Wat Lucebert bedoelde zestig jaar
geleden waren niet de aandelen, het vastgoed of de kunstcollectie.
Die lopen alleen bij onvoorzichtigheid gevaar. Kunst is weinig,
schreef de dichter, maar niet minder dan wat het is. Ze bestaat
zonder wil en is vluchtig maar herinnert zich.

Waarde is van denkbeeldigheid broos. Ze laat zich amper vertalen.
Ze kan vernietigd, miskend of misbruikt worden. Ze ontsnapt, ze
wordt alleen benaderd. Ze weigert zich in centen uit te drukken.
Poëzie is ongevraagd en voor zover ze een bedoeling heeft, op een
penseelhaar na tevergeefs. Toch is er een eeuwige honger naar.

De drang om te scheppen is aangeboren, neem ik aan, al sluimert
hij soms jaren en verzekert niets dat hij ooit ontwaakt, laat staan
tot wasdom komt. Talloze kunstenaars gaan dood die het nooit zijn
geweest. De enen omdat ze het nooit zijn geworden, de anderen omdat
ze het waren zonder het te zijn. Wie overblijft is voor altijd
onderworpen aan de smaak die even grillig is als de vrouwenmode.
Onsterfelijkheid heeft zijn tol.

Kunstenaars worden eerder uitgelachen dan ernstig genomen. Ze
moeten opbrengen willen ze worden gehoord, en dan nog wordt niet
geluisterd en staat de ruggen naar het schilderij. Kunstenaars zijn
gekken met een talent en de koppigheid om dat te willen bewijzen. De
maatschappij is beducht voor wat haar een spiegel voorhoudt of voor
aap zet, al is elke stap van de mensheid de vrucht van de radicale,
persoonlijke verbeelding die het bestaande op losse schroeven zet.

Alles van waarde is weerloos en wordt ooit een schone slaapster in
de soek der onwetendheid waar alles aan alles gelijk is, tot ze
opnieuw als voor het eerst ontwaakt voor een zintuig dat alle andere
als gloeilampenglas verbrijzelt. Wanneer een kunstwerk wekt, is dat
met aandrang, ongeacht wanneer het tot stand kwam. Het wekt
herinneringen aan wat er nooit was. Zoals die herinneringen niet
helemaal de onze zijn, is het ook onmogelijk om het spoor ervan te
bezitten. De Nachtwacht zal weerloos overleven, al betwisten
Rechtvaardige Rechters dat faam een vrijbrief is. Men kan kunst
niet bezitten. Men heeft hooguit hoederecht.

Ik las dat opperen wat kunst moet, blijkbaar niet mag en, zo stond
er, al te vaak wordt beantwoord met misbaar. Dat misbaar is terecht.
Dwang heeft op een kunstenaar weinig vat. Hij aarzelt niet om de
hand te bijten die hem voedt, zoals Ferdowsi duizend jaar geleden in
het Boek der Koningen sultan Mahmoud hekelde voor het ereloon dat hij
ontving , goudstukken vervangen door zilver. Vreest, heersers, de
toorn van de dichter! En dichter, wantrouw de heerser!

Vandaag is het dertigjarig zusje van de emir van Qatar meesteres
over de kunstwereld. De beurs van sjeika al-Mayassa is bodemloos.
Met een onweerstaanbare glimlach biedt ze 40 procent boven de
marktprijs. Maar in haar land, dat de Arabische ‘lente’
orkestreerde, kreeg een dichter intussen na een geheim proces 15 jaar
cel wegens een vers dat slecht viel bij haar vader. Qatar kan alles
kopen, respect, stijl en het wereldkampioenschap voetbal. Maar in de
gangen wordt fluisterend gevraagd waarom oude meesters de sjeika
niet interesseren en antieke beelden worden teruggestuurd naar Athene
als ze naakt zijn.

Wordt de artistieke vrijheid bedreigd door de elegante Arabische
of door het debiet van de subsidiekraan en de politiek in onze al te
lage landen met hun zwanger zwerk dat zoveel kwasten in beweging zet?
De vraag is naast de kwestie. De artistieke vrijheid is per
definitie bedreigd. Altijd en overal. Hier en nu. Even onnozel is
de twijfel aan de ‘werkelijkheidsaanspraken die ontstaan binnen de
muren van het denkbeeldige’.

Een oorspronkelijke gedachte wordt,
in woord of beeld, een levend ding. Kunst biedt feiten als antwoord
op de feiten en affirmeert de werkelijkheid van het onbestaande. Als
dus zekere zeepkistpolitici, feldwebels of boekhouders vinden dat
kunst nuttig moet zijn, vergissen zij zich schaamteloos. Schoonheid
slaapt niet met nut, invloed en macht al is het waar dat een
zondagschilder die zakte voor het toegangsexamen van de Weense
academie zijn volksverbonden fantasie ging botvieren op het schip van
staat als Gesammtkunstwerk.

Zijn Italiaanse vriend, de
zondagsschrijver, dacht hetzelfde toen hij stijlvol oprukte naar
Rome. Het geldt voor zijn frivole epigoon Silvio die ter wille van
de eendracht de beeldbuizen onder zijn regie bracht. En voor
Antigoon, de reus die ‘t stad bestiert met schimmenspel en
travestie. Men kan een kunstenaar niet verbieden maatschappelijk
betrokken te zijn en het hem niet kwalijk nemen wanneer hij de dingen
scherper ziet. Waarnemen is tenslotte zijn vak en zijn ego meet zich
graag met dat van de samenleving. Hij is een despoot die handelt
naar eigen inzicht en goeddunken.

Vanzelfsprekend is kunst elitair, hermetisch en gratuit. Hoe zou
het anders kunnen? Ze legt een onbestaande taal op . En kunst is
geldverslindend, in de eerste plaats voor de maker.

Jazeker, kunst heeft waarde en belang maar een portie ervan per
etmaal smaakt naar levertraan of vis op vrijdag en gaat eraan voorbij
dat alles van kunst doordesemd is. Een kunstenaar wordt niet beter
van zo’n algemeen rantsoen zoals hij ook niet groeit van pluche.

Niet het magische licht verklaart waarom de kunst in het laagste
van de Lage Landen hardnekkiger is dan de mist en vandaag een bloei
kent die men benijdt. Nog minder komt dat door de ijver waarmee er
talent wordt opgespoord, gekoesterd en verwend. Men is er
integendeel argwanend en geen kunstenaar wordt er geëerd, zolang dat
niet buiten de grenzen gebeurt. En dat is goed want het is weerstand
eerder dan begrip die de kunst doet rijpen.

De ‘negatieve
beeldvorming rond de kunsten’ is dus geen vloek maar een zegen en
daarom, beste Allen, hoeft er niet dringend iets te veranderen. Wie
immers zal de kunst redden tenzij de kunst? Laat alles maar
sudderen tot het potje gaar is en laat de politiek zich bezighouden
met de opwarming van de planeet. Het is al lang goed als die kiest
voor competent personeel en de aandrang weerstaat om op het podium te
springen wanneer het weer eens prijzen regent. Als Antigoon echter
tegen de weerloosheid de messen wet zal Brabo zijn hand werpen.

————————–

Rune Peitersen  

(Vereniging Platform Beeldende Kunst Nederland)

Conceptuele vrijruimte

Elke open samenleving moet in staat zijn zichzelf en haar waarden
steeds opnieuw kritisch te bekijken en heruitvinden. Deze kritische
reflectie vereist een ‘conceptuele vrijruimte’ in het openbaar
domein waarin los van gevestigde of economische belangen,
geëxperimenteerd kan worden met nieuwe gedachten en ideeën.

Kunst werkt in en vanuit deze ruimte en helpt tegelijkertijd ook
de grenzen ervan te definiëren. Hierbinnen kunnen de kunst en haar
beoefenaars als autonoom beschouwd worden. Dat wil niet zeggen dat
zij los staan van de samenleving, maar dat zij de mogelijkheid hebben
de samenleving van ‘buitenaf’ te observeren; zoals een schilder
dat doet als hij een stapje terug doet van zijn ezel om het
schilderij van een afstand te bekijken.

Vanuit deze vrijruimte vloeien nieuwe ideeën en gedachten die
kunnen worden opgenomen in de samenleving. Ze zetten aan tot
discussie, brengen nieuwe inzichten met zich mee, of zorgen voor
nieuwe esthetische ervaringen. De rol en functie van de vrijruimte is
het voortdurend bevragen en bedenken van alternatieven voor de
status quo – we moeten onszelf en onze waarden blijven bevragen.
Dat is een noodzakelijk proces binnen de samenleving, zonder welke de
samenleving in zichzelf keert en stagneert.

Het waarborgen van deze vrijruimte is helaas niet vanzelfsprekend
– zeker niet in een samenleving, wiens voornaamste maatstaf een
economische is.

De overheid kan en moet garant staan voor marktonafhankelijkheid –
door in de kunstsector te investeren. Door zich niet blind te staren
op kortetermijn-winst zorgt de investering van de overheid voor
continuïteit en legt zij het fundament voor een krachtige, duurzame,
kritische kunst die stevig verankerd is in de samenleving.

Juist in tijden van ideologische en economische twijfel zou het
een teken van visie en betrokkenheid zijn als de overheid het belang
van de kunstsector zou begrijpen, de verantwoordelijkheid erover op
zich zou nemen en erin zou investeren. Dat daar zowel sociale en
economische vruchten van te plukken zijn, is bekend. Maar nog
belangrijker is, dat de overheid zich opwerpt als voorvechter van de
precaire conceptuele vrijruimte en laat zien dat zij begrijpt dat er
andere en belangrijkere waarden bestaan die een samenleving binden,
dan puur economische.

——————–

Mark Swysen

(Beeldende kunstenaar)

Samen met wetenschap is kunst de basisuiting van ons belangrijkste
talent: de creativiteit van de menselijke geest.

Helaas wordt kunst in onze wereld al te vaak gereduceerd tot
vrijetijdsbesteding of een financiële investering, overbodige luxe
voor de “happy few” dus. Wanneer je het politiek discours hoort
over de kunst en de subsidiëring daarvan, voel je dadelijk de
twijfel of dat geld wel goed is besteed. Vergeet die twijfel. Kunst
en cultuur hebben op de lange termijn een fenomenale impact op onze
samenleving. Zij stellen ons in staat om onze maatschappij alleszins
voor een deel in een andere richting sturen dan de basale dierlijke
strijd om het voortbestaan – de struggle for survival –, die ook
in onze genen ingebed zit.

Kunst heeft een oorsprong, kunst heeft een “maker”: de
kunstenaar met zijn ideeën. Zonder kunstenaars is er geen kunst.
Enkelingen onder ons vinden hun weg in het commerciële circus van de
geglobaliseerde kunstmarkt en hun werken worden door beleggers voor
waanzinnige bedragen verhandeld. Hier telt het principe van de
aandelenmarkt, het is koopwaar en de inhoudelijke waarde is niet
relevant voor de prijs. Dit grote geld verblindt de ogen van het
publiek.

Men ziet in de schaduw daarvan niet de honderden beeldende
kunstenaars die met quasi onverkoopbaar werk op de inhoud focussen.
Nochtans zijn dit meer dan 90 % van de beeldende kunstenaars. Zij
financieren de productiekosten van hun artefacten zelf via een andere
bron van inkomsten, door bij te klussen: in Vlaanderen zijn de
beeldende kunstenaars zelf de grootste subsidiënten van de beeldende
kunsten! Vandaag vindt een beeldend kunstenaar het al een succes
wanneer hij een belangrijk deel van zijn productiekosten vergoed
krijgt.

Daarom 1 simpel rekwest: betaal die kunstenaars zoals elke andere
werknemer of leverancier een normaal loon wanneer je hun werk toont.

——————–

Maaike Neuville

(Actrice)

Aan de acteur, een brief van liefde

Ik heb je lang niet begrepen. Je was eerder dom, je wilde mooi
zijn en applaus krijgen. Je had geen eigen woorden, moest je weg
vinden doorheen andermans beelden. Je was luidruchtig, je dronk veel
en je praatte vaak over onbenullige zaken, liefst ’s nachts.

’s Ochtends had je daar vaak spijt van. Je beleefde liefdes en
verhoudingen. Je benijdde anderen om hun gemakkelijke leven maar
wilde dat niet leiden (of lijden), je benijdde je soortgenoten
omwille van hun privileges en grotere applaus. Je wachtte bang
andermans mening af. Als die goed was, was het goed, als die niet
goed was geloofde je hem doorgaans niet. In de andere gevallen droeg
je de woorden wekenlang, soms jarenlang met je mee. Je was totaal
afhankelijk van anderen, je gaf je bloot, ten koste van veel en
velen. En voor wat? Ik begreep je drijfveren niet, je ontembare drang
om je te tonen, je niet te stillen honger naar De Andere. Wie ben
jij, kwetsbare Eeuwig-Zoekende? Waar kom jij vandaan en wat heb ik in
godsnaam met jou te maken?

Wanneer ik naar je kijk en je dan plots, onverwachts, stil bent,
aarzelt, naar je woorden zoekt, dan ben je zo mooi. Of hoe je ’s
avonds, ’s nachts in bed, de tekst in de hand, de woorden om-en
omdraait, al zoekende hun betekenis verkent, hun verborgen dieptes,
de stiltes tussen de letters. Hoe je kijkt, hoe je kijkt naar de
ander, hoe je, ondanks al je twijfels, je hoogmoed en verlangens, je
grote en kleine verraden, blijft kijken naar de ander en haar zo de
ruimte geeft en zegt zonder te zeggen dat ze daar goed staat, zo,
zoals ze daar staat.

Hoe je alles wat gebeurt beantwoordt met een ja, al zegt de tekst
neen. Hoe je daar staat, soms verloren, soms almachtig, soms
verloren, maar altijd daar, altijd daar. Hoe je handen zo vol zijn
van bedoeling zonder te bedoelen, van aanwezigheid zonder te tonen.
Hoe je me toont dat je toont en hoe je voelt, tegelijkertijd. Hoe je
je overgeeft, elke keer opnieuw, elke avond weer een beginner.

Hoe ik je zie groeien, niet omwille van je uitgekiende plan, je
goeie vondsten en applaus, maar omwille van je doen. Hoe je me nodig
hebt en me voedt. Hoe je me leert en van me leert. En hoe je
doorgaat. Zonder plan. Gewoon, omdat het niet anders kan.

Dank u voor uw moed.

——————–

Caroline Lamarche

(Schrijfster)

C’est la Culture qui
sous-tend les systèmes économiques et sociaux, comme le disait avec
force Gérard Mortier (1).
Et pourtant les créateurs – eux qui mettent en scène, en mots, en
images, en idées, la crise qui nous traverse – , sont eux aussi
victimes des coupes budgétaires et des politiques d’austérité.
Parfois même en première ligne… un peu comme les canaris que l’on
plaçait dans les mines autrefois, et qui, en périssant,
avertissaient les mineurs de l’imminence d’une explosion. Alors
ce soir, à Anvers, cette ville hautement culturelle qui est aussi le
lieu d’une certaine méfiance politique à l’égard des artistes,
des créateurs de nos deux communautés montent sur scène pour
attirer l’attention de tous, et aussi des Pouvoirs publics, sur les
menaces qui pèsent sur la Culture en Europe. Ce soir, nous prenons
position publiquement, nous sommes donc « publics »(2),
et ceux qui nous regardent et nous écoutent sont « le
public ». Il faut savoir que « le public », est un
mot qui est devenu invisible, un mot qui a disparu du « Livre
Vert des Industries Culturelles et Créatives » (ICC)
édité par l’Europe, précisément. Ce mot de « public »
– et on pense aussi au « service public » -, ce mot qui
recouvre ceux de « spectateurs », « auditeurs »,
« lecteurs », et plus largement celui de
« travailleurs », a été remplacé, par les experts
européens, par celui de « consommateurs », un mot qui,
dans ce livre dit « vert » en côtoie d’autres comme
« compétitivité », « valeur ajoutée » et
« contenus culturels » (expression qui a remplacé le mot
« œuvres »). Nous, réunis ce soir à Anvers, nous ne
voulons pas que l’on parle de la sorte « en notre nom »,
non, « pas en notre nom », merci ! Et pourtant nous
voulons « plus d’Europe ». Plus de souci des Européens
qui souffrent de la crise. Car, seul « plus d’Europe »
peut lutter contre les nationalismes et l’exclusion. Mais il faut,
pour changer les choses, une autre Europe que celle du « Livre
Vert », cette couleur confisquée pour séduire le
consommateur. À Anvers, ce soir, il ne s’agit pas de
« consommation » ni de « contenus culturels »,
il s’agit d’art, d’âme, et d’oeuvre et ce d’autant plus
que nous sommes accueillis dans le décor d’ « Hamlet »
recréé par Tom Lanoye et Guy Cassiers. C’est cette Europe-là,
transfrontalière et qui revisite ses grands mythes, cette Europe
littéraire, théâtrale, artistique, « culturelle » au
sens le plus ambitieux, le plus patient du terme, que nous voulons,
c’est pour elle que nous nous mobilisons.

(1)
dans une interview datant de 1986 et rediffusée mercredi dernier par
la RTBF.

(2)
voir l’éditorial du programme du Kunstenfestivaldesarts 2014 :
« Nous sommes publics ».

Lees ook:

Artiesten op het podium tegen besparingsgolf

Tientallen kunstenaars schreeuwen dinsdag in de Bourla ‘Red de cultuur’ New Link 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!