Grenzen aan de vrijheid?
Vrijheid, Kortverhaal, Verhaal, Minten, Beatnik -

Grenzen aan de vrijheid?

vrijdag 13 april 2012 17:59

on the road again

kortverhaal
 

Peter Minten

De dunne aluminiumwand schuift open. Marylou ligt nog steeds in de slaapcabine. Haar gezicht is onnatuurlijk bleek. Mijn vingers beroeren de flinterdunne huid. Haar zweet laat geen sporen meer na op mijn vingertoppen.
     ‘Wes,’ fluistert Marylou, ‘je moet stoppen met die pillen, nu het nog kan.’
     Met mijn magere vingers ga ik door mijn dunner wordende baardhaar.
     ‘Ik ben teruggekomen omdat ik met je wil praten,’ fluistert Marylou. ‘Ik wil contact. Ik wil praten over vroeger, Wes.’
     Vroeger.
     ‘Jij zat aan het stuur van de Cadillac, toen op Route 6, op die snelweg. We vertrokken in New York en reden naar het verre westen. Je rookte en zong toen, en je lachte. Ik zat naast je op de voorbank, toen je over mijn leven besliste. Jij hebt over mijn leven beslist zonder mij iets te vragen, zonder mij te waarschuwen.’
     ‘Ach, waar heb je het nog over. Het is zo lang geleden. Wat heb je nog met dit gesprek te winnen, in jouw toestand?
     Haar huid is zo wit, er is geen verschil meer tussen Marylou en haar doorschijnende jurk.
     ‘Het doet er voor mij nog alles toe. Ik wil dat je begrijpt dat je te ver bent gegaan, toen. Je wil niet met me praten over vroeger, Wes. Daarom heb je me hier opgesloten.’
     ‘Er valt niets meer te zeggen over vroeger. We hadden een ongeval, Marylou, het was gewoon een ongeval.’
     ‘Oh ja, een ongeval?  Een ongeval is iets waar je niets aan kan doen, Wes. Had je het ongeval niet kunnen voorkomen? Je deed toen iets op die snelweg wat alleen voorbehouden is aan Goden. Je speelde met ons leven. Je dacht dat een beatnik dezelfde rechten heeft als een God.’
     ‘Ach.’
     ‘Met welk recht heb je me op mijn achttiende op die snelweg de dood ingejaagd, Wes?’
     ‘Ik was jong, Marylou. Ik ben nu een man van zeventig. Waar heb je het nog over?’
     Een rode pil ligt in de kom van mijn hand.
     ‘Werp dat ding weg, Wes. Vermoord me niet opnieuw. Ik wil praten.’
     ‘Ik wil niet praten. Tien jaar lang heb ik hier de eenzaamheid verdragen, tot jij me kwam opzoeken. Al weken lig je daar in mijn slaapcabine te kankeren over dat ongeval. Het komt door jou dat ik deze pillen moet nemen, Marylou. Dit gedoe tussen jou en mij moet eindelijk ophouden. Je moet verdwijnen.’
     Met gesloten ogen nip ik aan een beker en slik.
     ‘Ik wil gewoon dat je je verontschuldigt voor wat vroeger gebeurd is, Wes,’ fluistert ze. ‘Ik heb recht op een sorry. Een welgemeende sorry.’
     ‘Rot op.’
     ‘Je kan me met dat pillengedoe een tweede keer vermoorden, Wes. Maar wat lost het op? Niets. Helemaal niets.’ Uitgeput laat ze haar hoofd op het kussen vallen. 
     Wanneer ik mijn ogen open, bewegen haar lippen niet meer. Volgens de bijsluiter zal Marylou nooit meer bewegen.
     ‘Eenzaamheid wordt je grootste vijand,’ had iemand van de NASA vlak voor de lancering gezegd. ‘Als je na lange jaren van eenzaamheid begint te hallucineren, gebruik dan die rode pillen.’

De Voyager Phantom raast over de interplanetaire snelweg naar de planeet Pluto. Het is een dure naam voor de reisweg van de aarde naar de buitenste planeet van het aardse zonnestelsel, de reisweg die met het minste energieverlies kan worden afgelegd. De snelweg loopt van de aarde naar de planeet Mars, maakt vervolgens slingerbewegingen rond de planeten Jupiter en Saturnus, scheert langs Uranus, maakt een slingshot rond Pluto, en keert dan terug naar de aarde.

Tien jaar geleden is deze ruimtecapsule in het grootste geheim gelanceerd op de basis in Cape Canaveral, USA. Dit is de eerste bemande ruimtevlucht die een mens verder brengt dan de maan. De onbemande ruimtesondes Voyager 1 en 2, hebben het aardse zonnestelsel reeds geëxploreerd. Toen groeide bij de NASA de droom om datzelfde zonnestelsel te onderzoeken met een bemande vlucht.
     Tien jaar geleden verliet de Voyager Phantom de aarde, met mij als enige astronaut. De pers werd angstvallig weggehouden van het lanceerterrein. Een mens helemaal alleen in de ruimte katapulteren, daar zouden de mensenrechtenorganisaties moeilijk over doen.

Moeizaam kruip ik naar het besturingspaneel en laat me op de stoel zakken. Mijn hoofd zakt.     
     De Route 6, lang geleden.  Het was een zwoele dag. Ik was achttien en zat achter het stuur van de Cadillac. Marylou zat naast me, haar lange haren wapperden in de wind. De zon scheen. Het was toen, op dat ogenblik, dat in mijn hoofd het idee opdook van een spelletje Russische roulette. Mijn vrije hoofd was klaar voor de ultieme overwinning op de lijdzaamheid van het lot.

De droom verdwijnt. Een dreinend geluid. Hoe lang heb ik geslapen? De waarschuwingstonen van het detectiesysteem, de opflikkerende rode driehoek op het computerscherm.
     ‘2, 3, 5, 7, 11, 13, 17, 19, 23’. Het is een smalbandig radiosignaal. De computer heeft de intensiteitsvariatie van de opgevangen radiosignalen gedecodeerd uit de miljoenen bits informatie, die de buitenantenne van de ruimtecapsule elke seconde opvangt uit het heelal. Er zijn vele kosmische natuurverschijnselen die radiosignalen produceren, maar geen enkel bekend natuurkundig fenomeen uit de kosmos zendt een initiële reeks priemgetallen uit. Ik laat de computer de ruis meten, uitmiddelen en wegfilteren. De code blijft. Negen priemgetallen. De negen kleinste priemgetallen, geordend van klein naar groot. Ik hou van priemgetallen. Priemgetallen zijn de vrijbuiters onder de getallen. Ze zijn alleen deelbaar door zichzelf. Alleen aan zichzelf zijn ze verantwoording verschuldigd. Ze zijn helemaal vrij.

BCEGKMQSW, lees ik onder de getallen. De nukkige computer heeft de priemgetallen op eigen houtje vertaald naar de tweede, derde, vijfde, zevende, elfde, dertiende, zeventiende, negentiende en drieëntwintigste letter van het alfabet. Een kosmisch wezen, met de naam BCEGKMQSW, wil met me praten. Dat moet ik zo snel mogelijk aan Marylou vertellen.
     Haastig klim ik uit de stoel en schuif de deur van de slaapcabine open.
     ‘Ik heb contact, Marylou, zie je wel dat ik contact kan maken.’
     Marylou is verdwenen. Ze is opgelost in het niets.
     Ik laat me weer op de stoel zakken en staar naar het scherm.

2, 3, 5, 7, 11, 13, 17, 19, 23, BCEGKMQSW.  Wat wil het wezen zeggen?
     De code verdwijnt van het scherm. Na enkele ogenblikken klinkt een nieuw detectiesignaal.
     2, 5, 5, 11. De computer vertaalt de priemgetallen naar de tweede, vijfde, vijfde, en elfde letter van het alfabet. ‘BEEK’. Het lijkt wel een woord.  Bedoelt het wezen een beek op aarde?
     Ik herinner me de beek. De Cadillac had ik aan de kant van de highway gezet voor een plaspauze. Lachend rende ik achter Marylou aan en wierp haar met haar kleren in een beek. Marylou lachte niet en beende mokkend naar de auto.
     7, 5, 11. Ook priemgetallen. Dan de vertaling van de computer: GEK. Wat bedoelt het wezen met dat woord?

De woorden BEEK en GEK klinken vertrouwd. Het wezen wil me geruststellen. Het wezen gebruikte aardse woorden en begrippen. Het wezen zoekt contact met een oude beatnik. Ik ben uitverkoren. Jezus Christ Superstar, here I come.
     Naar de hel met de aarde. Ik ga niet terug over de interplanetaire snelweg. Met een aantal muisklikken annuleer ik het slingshot rond Pluto. Alleen het wezen kan me de weg wijzen naar de oprit van de ultieme snelweg.
     Het radiosignaal van het wezen komt van de andere kant van de Kuipergordel. Het wezen wacht daar op me.
     De herinnering aan Marylou kan ik eindelijk voorgoed achter me laten. Er is geen gevaar dat het kosmische wezen over het ongeval van lang geleden zal zeuren. De kosmos is vergevingsgezind, mild, vol mededogen. De kosmos is wiskunde. Wiskunde kent geen goed of kwaad, geen schuld en boete.

Pluto ligt definitief achter me. Mijn vingers rollen een joint. De wiet komt ook uit het overlevingspakket van de NASA. Ik inhaleer diep. 

Lang geleden, ik was achttien. De Route 6, jankte onder de wielen van onze Cadillac. Marylou zat op de voorbank naast me. Zingend en schreeuwend wuifde ik naar de auto’s op het tegenliggende baanvak. Ik voelde me vrij, maar niet vrij genoeg, ik wilde meer. Russische roulette is de ultieme vrijheid.
     Ik dreef de Cadillac naar het baanvak van de tegenliggers. Op het ogenblik dat de naderende auto onze Cadillac zouden rammen, rukte ik aan het stuurwiel en dreef de Cadillac weer op zijn eigen baanvak. De banden van de auto roken naar verbrande rubber. De vuisten van Marylou roffelden op mijn rechterschouder.
     ‘Je bent gek,’ riep ze in mijn oor. ‘Je bent echt gek. Je mag jezelf doodrijden, maar laat mij er eerst verdomme uit.’
     De vrachtwagen naderde. Ik dreef de wagen weer naar het tegenliggende baanvak. De afstand tussen de Cadillac en de vrachtwagen werd steeds kleiner.
     ‘Weeeees, stoppen,’ gilde Marylou.
     Ik hield het stuur onbeweeglijk, het wit  van de ogen van de vrachtwagenbestuurder wilde ik zien.
     Toen volgde de klap. De Cadillac werd tientallen meters in een maïsveld gekatapulteerd. Ik kroop uit de auto en strompelde terug naar de snelweg. Op de plaats waar de vrachtwagen gekapseisd was, lagen duizenden kleine stukjes Marylou.

Na het ongeval keerde ik terug naar mijn geboortestad. Daar studeerde ik wiskunde en astronomie, vrije wetenschappen. Als student had ik geen enkele behoefte aan contact met de andere studenten. Ik promoveerde met een verhandeling over de mogelijkheid om via priemgetallen in contact te komen met buitenaards leven.
     Toen ik afstudeerde, trok ik me terug in een afgelegen ruimteobservatorium in Chili. Daar heeft de NASA me gevonden. Ze zochten een astronaut voor een bemande ruimtereis door het aardse zonnestelsel. Ze zochten iemand die tegen de verschrikkelijke eenzaamheid zou kunnen. Ze zochten een beatnik, ze zochten mij.

Er verschijnt een nieuw woord op het computerscherm. ‘WES’. De drieëntwintigste, vijfde en negentiende letter van het alfabet. Weer priemgetallen. WES. Het wezen kent mijn naam.

De Voyager Phantom giert met een constante snelheid van 56.000 kilometer per uur naar de uiterste rand van het zonnestelsel. 
      Achter de Kuipergordel lokt het wezen. Bij de oprit van de interstellaire snelweg zal het op me wachten. Tussen orgieën van nieuwe en stervende sterren zullen het wezen en ik over de sterrenweg reizen.

Eerst moet ik nog eventjes met de ruimtecapsule door de Kuipergordel, die ringvormige orkaan van kometen.
     Ach, ik laat me niet bang maken door een paar aanstormende stenen.
     Mijn zicht op de verre sterren verduistert abrupt.
     Ontelbare kometen van steen en ijs nemen razendsnel reusachtige afmetingen aan.
     Ik trek aan de joint, inhaleer diep, en schreeuw de ruimtecapsule, met zijn op de aarde gebouwde vierwandige beschermingssysteem, vooruit.

Peter Minten 2012
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!