Racisme, Democratie, Cordon sanitaire, Vlaams Belang, Vrijheid, Jean-Paul Sartre, Populisme, Deleuze, Gerolf Annemans, Ecolo, Furedi, Reddy De Mey -

Over Deleuze en de racistische dreiging in een politiek van angst

woensdag 7 maart 2012 20:03

“Ik wens niet te debatteren in een plaats waar er vertegenwoordigers zijn van wat ik beschouw als ondemocratische partijen.” De uitspraak is van Olivier Deleuze, kersvers voorzitter van de Franstalige Groenen. Hij stapte op tijdens de uitzending van Reyers Laat. Deleuze weigerde aan tafel te zitten met Reddy De Mey, ex-journalist en thans lid van het Vlaams Belang. Het vertrek van Deleuze was een duidelijk signaal van politieke volharding, dat moeten we hem nageven. Of het een even helder signaal van democratische standvastigheid is, durf ik te betwijfelen. De getrouwheid aan het cordon sanitaire berust bij Deleuze ongetwijfeld op diens democratische overtuigingen en bijgevolg afkeer voor de haatpropaganda van het Vlaams Belang. Echter, niet in alle gevallen betekent spreken zilver en zwijgen goud. In dit geval verdiende zijn in een romantisch jasje gehulde dapperheid zelfs geen podiumplaats. Het betekende veeleer een nederlaag waarbij de man ingehaald werd door degenen die hij net zo overtuigd op afstand wilde houden.

Het Vlaams Belang is inderdaad een racistische, ondemocratische partij die haar politieke wortels kent in een met haat geïrrigeerde grond. Dergelijke extreem rechtse, populistische, fascistische, … – kies zelf het etiket – partijen zijn niet het soort partijen waarmee we een open samenleving kunnen constitueren. Ze betekenen veeleer een fundamenteel gevaar voor alles wat met de liberale grondwaarden zoals pluralisme, vrijheid in/en verantwoordelijkheid en de solidariteit tussen individuen te maken heeft. De haat die door de politieke wortels van het Vlaams Belang stroomt en via haar vertakkingen een neerslag kent in de Belgische politiek, zal men echter niet neutraliseren door de ogen, oren en mond ervoor te sluiten. Of erger nog, door de grond waarop de giftige woorden vallen te verlaten, het hek er rond te sluiten en zich veiligheidshalve tot de niet-besmetten te keren. Door een tuin niet te bewerken omdat er onkruid dreigt in te groeien, loopt men enkel het gevaar dat het venijn de tuin zal overwoekeren en ons aldus steeds verder zal brengen van hetgeen we initieel in gedachten hadden.

Deze land- en tuinbouwmetafoor moet niet dienen als een holistische analyse van wat onverdraagzame politieke partijen doen met een democratische samenleving. Het is daarentegen een bescheiden oproep om het debat aan te gaan met racistische volksvertegenwoordigers, in plaats van de haat die ze spuien toe te dekken of te verdringen. Het zwijgen en weggaan van Deleuze gaf immers de uitgelezen kans aan Vlaams Belangkopstuk Gerolf Annemans om zich als democratischer dan Deleuze zelf te profileren: “Ze zijn blind en doof voor wat democratie is. Dit is geen democratie”, verhaalt Annemans. Annemans kreeg een forum om de perverse verdraaiingslogica van zijn racistische politiek op een schoteltje te presenteren aan allen die deze saga volgden. We mogen hierbij niet vergeten dat Reddy De Mey, waarvoor Deleuze de tafel verliet, eigenlijk kwam spreken over de ramp met de Herald of Free Enterprise – niet om Vlaanderen te overtuigen van het nieuwe ‘democratische’ en ‘sociaaleconomisch solidaire’ gezicht van de partij. Kort gezegd: Annemans scoort, Deleuze verliest.

Kortom, de haat die xenofobe partijen als het Vlaams Belang spuien, zal men geen halt toeroepen door het debat met hun vertegenwoordigers te vermijden. Deleuze, die aanhaalt dat een partij die niet democratisch is, iets bizars is en niet iets banaals mag worden, wekt echter zelf de waas van banaliteit op. Ontkent en bestendigt Deleuze niet juist het gevaar dat uitgaat van ondemocratische partijen door de confrontatie ermee uit de weg te gaan?

Men zal daarentegen juist het debat moeten aangaan en hen in dat debat met redelijke argumenten van repliek dienen. De onredelijkheid van het Vlaams Belang zal men pas kunnen blootleggen als men er niet voor terugdeinst om de denkkaders te laten botsen, hetgeen ontmoeting vergt. Met andere woorden, als men in onze parlementaire democratie de confrontatie mijdt met partijen à la Vlaams Belang, zal hun haat steeds een slinkse uitweg vinden in deze of gene vorm. Het zal er veeleer op aan komen om hun haat in eerste instantie bestaansrecht te geven, om het dan weliswaar op het politieke forum onschadelijk te maken middels redelijke argumentatie, intellectueel eerlijke overtuigingskracht en politieke moed. Politieke moed dekt in deze immers een geheel andere lading dan het lef dat Deleuze aan de dag legde waarmee hij zijn optreden toch een schijn van dapperheid schonk.

Echter, de reactie van Deleuze is geen geïsoleerde absurditeit, zoals het door vele media toch wordt opgevoerd. Het is eerder een symptoom, een veruitwendiging van een vrijwel algemeen heersende state of mind binnen veel politieke partijen. Frank Furedi, Brits socioloog, wijst op de angst van de politieke en culturele ‘elite’ om het debat aan te gaan, niet alleen met extreem rechtse partijen, maar met de bevolking tout court. Politiek is in afnemende mate een kwestie geworden van politieke standpunten innemen, maar volgens Furedi steeds meer een kwestie van distantiëring van standpunten. De politiek van de angst steunt op een cultuur van angst die de kwetsbaarheid van de mens cultiveert. De individuele autonomie van de burgers dreigt op die manier miskent te worden als grondvoorwaarde om met hen in debat te gaan – en dus politiek te bedrijven.

Het is nochtans juist door het debat aan te gaan met de burger dat het succes van ondemocratische partijen kan gecounterd worden. Politieke partijen en hun leden moeten de moed hebben om de burger te overtuigen van een visie. Het is aan politici om de vrijheid die het Vlaams Belang belooft, te ontmaskeren als wat Sartre zou definiëren als zijnde de mauvaise foi. Deze louter negatieve vrijheid, die elke verantwoordelijkheid bij de ander legt, dient ontkracht te worden. Het instrument bij uitstek om dat te doen is de politieke overtuiging dat we niet vrij kunnen zijn zolang we gekluisterd en geknecht zijn door vooroordelen, irrationele overtuigingen en onze emoties gebruiken als alibi om het onaanvaardbare aanvaardbaar te maken. Het is daarbij aan de burger om zich te beroepen op diens verantwoordelijkheid om mee te gaan in dat debat en zodoende te bouwen aan de democratie.

Van de kant van de politici zal dat vertrouwen vergen in de mogelijkheden van het individu. Van de kant van de burgers zal dat verantwoordelijkheid eisen voor een samenleving die positieve kansen biedt aan al haar leden. Die verantwoordelijkheid is niet los te koppelen van de vrijheid binnen een democratie, net zoals de moderne politiek niet los te koppelen is van confrontatie en conflict. En misschien moeten we inderdaad iets meer de rationaliteit durven onderkennen die verscholen ligt in dissensus.

Echter om dat mogelijk te maken, moeten we geloven in de mogelijkheden en capaciteiten van zowel het individuele politieke subject als van de politieke instituten. We moeten geloven in de zinvolheid van politiek en tegelijk beseffen dat ons werk nooit af zal zijn. Democratie zal altijd te verwezenlijken blijven en zal daarom steeds onze blijvende inzet vragen, ook al vergt dat confrontatie met de ondemocratische vertegenwoordigers ervan. We mogen immers niet verzanden in een fatalistisch vasthouden aan een illusie die stelt dat de verzuring nu eenmaal is wat ze is en middels isolatie van de onruststokers wel minder zwaar op de maag zal vallen.

We moeten onze democratie de waardigheid geven die ze verdient en dat zal enkel lukken als we de clash durven aan te gaan met de ondemocratische krachten in onze samenleving. We moeten dus – om te eindigen met de gevleugelde woorden van Voltaire, in referentie naar de eerder gebruikte metafoor – onze tuin onderhouden.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!