Naar de stad - De mooiste korte verhalen van de 21ste eeuw
Nieuws, Wereld, Cultuur, Stad, Kortverhaal, Boekrecensie, Annelies Verbeke, Sanneke van Hassel, Mehmet Zaman Saçl?o?lu, Hanneke van der Heijden, Het kruispunt -

Kortverhaal uit de bloemlezing ‘Naar de stad’: ‘Het kruispunt’

In de pas verschenen bloemlezing 'Naar de stad' bundelen Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel de mooiste korte stadsverhalen van de 21ste eeuw. Het is een reis rond de wereld in één boek. Uit de ruim veertig korte verhalen selecteert DeWereldMorgen.be 'Het kruispunt' van de hier nog onbekende Turk Mehmet Zaman Saçl?o?lu als voorsmaakje. Vertaling door Hanneke van der Heijden.

woensdag 30 mei 2012 10:25

De kleine busjes die Istanbulse passagiers van Kad?köy naar Bostanc? vervoeren, rijden vanaf het beginpunt eerst langs de kustweg in de richting van de kaap bij Moda, en draaien dan in een scherpe bocht een van de wat oudere zijstraten van de wijk in. Die weg buigt nog vóór de landtong af, en leidt dan via Moda naar beneden, naar het Yo?urtçu-park.

Vroeger zat het verkeer op deze straat, met zijn verschillende kruispunten, voortdurend vast en de bestuurders van de passagiersbusjes hadden er dan ook een hekel aan hier naar boven te moeten rijden. Slechts op twee plaatsen had je verkeerslichten: op de kruising met de hoofdstraat van Moda, en bij de kruising met de Bahariye-laan. De andere kruispunten werden onveilig gemaakt door jongeren die hun rijbewijs net hadden gehaald (of niet) en de blits wilden maken met de auto’s van hun vaders.

De oude, ervaren bestuurders, die, enigszins gebogen achter het stuur, hun oude gemangelde busjes, waar ze al jarenlang hun boterham mee verdienden, omzichtig door het verkeer manoeuvreerden terwijl ze ondertussen het geld van de passagiers aannamen en wisselgeld teruggaven, hielden bij het naderen van die gevaarlijke kruispunten hun linkervoet op de koppeling en hun rechtervoet boven op de rem.

Op een goede dag begon bij het allergevaarlijkste kruispunt een man het verkeer te regelen. De eerste dagen leverde dat weliswaar bevreemde blikken op, maar al snel raakte men eraan gewend. Met zijn eerlijke gezicht, zijn bril, zijn lange regenjas, een fluitje in de mond, met het hele repertoire aan gebaren dat ook echte verkeersagenten gebruiken en waarmee hij sommige auto’s voorrang verleende, andere liet stoppen, het hele verkeer stilzette zodat een oud vrouwtje kon oversteken, dat hij vervolgens vriendelijk groette, groeide hij uit tot een verkeersagent die zich binnen de kortste keren op het kruispunt onmisbaar had gemaakt.

De winkeliers in de buurt, de buren die vanachter het raam in de gaten hielden wat er op straat gebeurde, de automobilisten die voortdurend langs het kruispunt kwamen, ze besloten al snel dat ze van doen hadden met een ongevaarlijke gek. Wie deed er nou zoiets? Het verkeer regelen zonder er iets voor te krijgen: geen salaris, geen aanstelling, geen sociale zekerheid, geen wapen, geen uniform, geen bonboekje. Daar moest je wel gek voor zijn.

De kruidenier op de hoek, bij wie de man als het tijd was voor het middageten brood met kaas bestelde en vanuit wiens winkel hij dan met volle mond het verkeer nog probeerde te regelen, was waarschijnlijk de eerste die constateerde dat hij niet goed bij zijn hoofd was.

De allereerste keer dat de man de winkel binnenstapte had hij vriendelijk gegroet, zijn bestelling gedaan, was toen in de deuropening op zijn brood blijven wachten en had ondertussen met een paar gebaren de automobilisten verderop duidelijk gemaakt dat hij in functie was. Op de vraag van de kruidenier wie hij was, waarom hij hier het verkeer regelde, had hij geantwoord dat hij ‘nu aan het werk was en dus niet kon praten’. Zonder zijn blik van de weg af te wenden had hij betaald, vervolgens had hij zijn brood aangepakt en zijn post midden op het kruispunt weer ingenomen.

De kruidenier was een tijdje naar de man blijven kijken, totdat hij weer in beslag werd genomen door zijn eigen werk. Toen hij op een gegeven moment, het liep tegen de avond, met een klant bezig was, hoorde hij getoeter, hij keek of hij de man zag staan, maar er was niemand te zien. Verbaasd moest hij constateren dat het kruispunt, waar het verkeer jarenlang zichzelf had geregeld, in een mum van tijd zijn oude gewoonte had afgeleerd, en nu zo gewend was aan de verkeersagent dat het een chaos werd zodra die vertrok.

Binnen een paar dagen stonden de werktijden van de agent vast. ’s Ochtends om 7.30 uur nam hij zijn post op het kruispunt in, begon met zijn fluitje, zijn gebaren, en een glimlach op zijn gezicht het verkeer te regelen, ging daar onafgebroken mee door tot stipt 17.00 uur, en was dan verdwenen. Op zondag moest het kruispunt het zonder agent stellen.

Inmiddels wisten de mensen niet beter of de man stond de hele week op zijn post zonder maar een minuut te verzaken en loste daarmee het verkeersprobleem op deze weg op. Zo nu en dan maakte hij een kort praatje als hij ’s middags zijn brood in ontvangst nam, maar nooit zonder zijn blik van het verkeer af te wenden. Schoolkinderen, zwangere vrouwen, oude mensen die over wilden steken – hij liet ze geen moment wachten, maar zette het verkeer meteen stil en liet niemand doorrijden voordat de voetgangers het trottoir hadden bereikt.

Na een tijdje besloot de kruidenier dat de man niet meer voor zijn middagboterham hoefde te betalen. Hij deed zijn werk zo opgewekt en met zo’n tomeloze energie, zonder er ook maar iets voor terug te verwachten, dat de kruidenier vond dat hij hem iets verschuldigd was. Bovendien, wat at die stakker nou? Een stuk brood en een onsje kaas, dat was alles.

‘Waarom laat je me niet betalen?’ had de man verbaasd gevraagd. ‘Ik ben toch geen bedelaar?’ Maar de kruidenier was al op die vraag voorbereid en had zijn antwoord klaar: ‘Natuurlijk niet, beste jongen. De dienst verkeerspolitie heeft me gezegd dat ik je niets in rekening hoef te brengen. Ze zijn erg over je werk te spreken, van nu af aan schijnen zij voor je middageten te betalen.’ En daarmee waren alle bezwaren van tafel.

Door dat antwoord begon de man zijn werk met nog meer toewijding te doen, en hij verlengde zijn werktijden met een uur. Mensen die voor het eerst om een boodschap de winkel in liepen en de kruidenier naar die man vroegen, kregen steeds hetzelfde te horen: ‘Hoezo een gek, meneer, hoe komt u erbij? Hij is verstandiger dan wij allemaal. Moet u al die hoge pieten zien die denken het land te kunnen besturen, en er meteen een puinhoop van maken. Maar híj heeft al die tijd al het verkeer geregeld, en zonder mankeren. Al krijgt hij er geen cent voor, er komt geen klacht over zijn lippen. Vraag me niet wie goed bij zijn hoofd is en wie niet, God mag het weten. Ik had eens een hulpje. Ik betaalde een goed loon, maar die knul voerde niets uit en dan jatte hij ook nog. Zelfs al gaf ik hem een extra fooi, dan nog deed hij geen donder. Nee, dan hij. Hij heeft zelf voor een baantje gezorgd. Vrijwillig het verkeer regelen, zonder er een cent voor te krijgen! Die van de verkeerspolitie moesten eens langskomen, dan zouden ze zelf kunnen zien hoe een verkeersagent zijn werk doet.’

Sommige klanten waren verbaasd, andere schamperden dat die kerel ‘wel gek moest zijn om hier te gaan staan’, en een enkeling trok lering uit het verhaal.

Op een middag, toen de man zijn brood kwam halen, diepte hij een papiertje op uit zijn zak, vouwde dat open en gaf het aan de kruidenier.

‘Is het goed als we dit op de winkelruit plakken?’

‘Wat staat erop?’ vroeg de kruidenier en hij begon te lezen.

‘Gezocht: verkeersagent voor dit kruispunt. Ik verzoek belangstellenden zich na zes uur ’s avonds te vervoegen bij verkeersagent Cemil. Was getekend, agent Cemil.’ Daaronder stond een heel ingewikkelde en heel imposante handtekening.
‘Wat is er aan de hand, je gaat hier toch zeker niet weg?’ vroeg de kruidenier bedrukt.

‘Niet meteen’, antwoordde hij. ‘Maar eigenlijk kan ik hier niet langer blijven. Vanochtend onderweg hierheen heb ik onder aan de heuvel een ongeluk gezien. Eerder zijn er daar ook al een hoop ongelukken gebeurd. Kennelijk is het er gevaarlijker dan hier. Maar ik ga niet weg voordat ik iemand heb opgeleid die de zaak kan overnemen.’

‘Tja’, zei de kruidenier. ‘Laat ik het in ieder geval wat groter voor je overschrijven, dit is te klein, dat valt niet op.’

De man was opgetogen, op zijn gezicht verscheen een glimlach van oor tot oor.

‘Graag,’ zei hij, ‘hartelijk bedankt!’ Toen holde hij weg en in een paar stappen stond hij weer op zijn post.

‘Cemil, wacht even,’ riep de kruidenier hem achterna, ‘je bent je brood vergeten!’

‘Bedankt!’ zei Cemil toen hij even opgewekt weer kwam aangerend. Hij nam zijn brood in ontvangst en keerde terug naar zijn post.

De kruidenier zag dat zijn glimlach minutenlang niet van zijn gezicht verdween. Toen hij het even wat minder druk had, pakte hij een flink stuk papier en schreef daar in grote letters op: ‘Gezocht: assistent voor onze geachte vriend, de verkeersagent. Geïnteresseerden wordt dringend verzocht zich na werktijd bij onze vriend de heer Cemil te vervoegen’, en plakte dat aan de binnenkant tegen de ruit, op een plek waar Cemil het kon zien hangen. Het briefje hing boven een advertentie die meldde: ‘Student geeft aan scholieren bijles wis- en natuurkunde’. Cemil rechtte zijn rug.

De volgende dag had de kruidenier nog maar net zijn zaak geopend, de broden en kranten binnengehaald, of Cemil kwam binnen.

‘En, is er al iemand voor het briefje geweest?’ vroeg hij opgewonden.

‘Zo snel gaat dat niet. Eerst moeten de mensen het lezen, dan moeten ze het nog tegen hun kennissen zeggen, dat duurt wel een paar dagen … Wacht nou maar rustig af, er komt heus wel iemand’, zei de kruidenier.

‘Ze zeggen het wel tegen hun kennissen, denk je niet? Eigenlijk zijn er zo veel werklozen. Ik zie ze steeds op straat bedelen. Goddank heb ik wel werk, ik heb geluk. Maar wat sta ik hier te praten, moet je zien hoe die auto’s voorbijscheuren’, zei Cemil. Hij holde naar zijn post, midden op straat, en toog aan het werk. Toen zijn blik op de kruidenier viel, die vanuit de winkeldeur naar hem stond te kijken, salueerde hij.

De daaropvolgende dagen kreeg de kruidenier al bijna spijt. Er hoefde maar een klant de winkel uit te komen, of Cemil kwam binnengestoven en zei dan opgewonden: ‘En, vroegen ze soms naar het briefje?’

Twee weken later had Cemil een eenvoudigere oplossing gevonden.

Als er een klant de winkel uit kwam, keek hij of hij achter de glimmende ruiten het gezicht van de kruidenier zag; dan zwaaide hij en keek hem vragend aan, waarop de kruidenier het hoofd schudde en met zijn hand een ontkennend gebaar maakte. Ze waren al bijna aan het ritueel gewend, toen Cemil op een ochtend vroeg de winkel binnenkwam.

‘Haal het briefje maar weg, hoor’, zei hij. ‘Ik heb iemand gevonden, hij is akkoord. Vandaag komt hij langs.’

‘O?’ vroeg de kruidenier verbaasd. ‘Wie dan?’

‘Iemand die ik gisteren heb ontmoet. Een arme drommel. Ik geloof dat hij werk zoekt. Ik heb hem gezegd dat de politie zijn eten betaalt, maar dat hij geen salaris krijgt, hij vond het goed. Tegen de middag is hij hier. Maak je maar geen zorgen, ik leer het hem wel. Ik laat de boel hier niet aan hem over voordat hij het vak onder de knie heeft.’

‘Nou, daar gaan we’, mopperde de kruidenier inwendig. ‘Dat kost me mooi twee ons kaas per dag, vijf kilo in de maand. Niets aan te doen, laat ik het maar beschouwen als protectiegeld. Hopelijk brengt die gek niet nog een stoet andere gekken mee.’
Het werd middag, maar niemand verscheen. Af en toe tuurde Cemil, de hand boven zijn ogen, de helling af. Halverwege de middag kwam hij moedeloos de winkel in gesloft.

‘Waarschijnlijk kan die stakker het niet vinden’, zei hij. ‘Laat ik zelf maar wat eten. Als hij er nou geweest was, hadden we mooi samen ons brood kunnen eten. Ik neem hem morgenochtend wel mee, als ik hier naartoe kom.’ In gedachten verzonken wachtte hij op zijn maaltijd. De kruidenier smeerde zonder iets te zeggen zijn brood. Hij belegde het met minder kaas dan anders. Cemil pakte het aan en liep afwezig naar zijn post. Zijn goede zin mocht dan verdwenen zijn, hij bleef het verkeer tot 18.00 uur nauwgezet regelen. Toen verliet hij zijn plek en liep, voor de eerste keer sinds hij hier verschenen was, met een vermoeid gezicht de winkel binnen.

‘Ik maak me zorgen’, zei hij. ‘Waarom is die jongen er nou niet, er zal hem toch niets overkomen zijn? Morgen zoek ik hem op en neem hem mee hiernaartoe; maar kun jij een beetje op het verkeer letten als ik zelf niet op tijd ben? De laatste paar dagen komt er rond een uur of acht ’s ochtends steeds een rode Ford langs, kenteken DZ 300, de bestuurder let nergens op. Hou hem in de gaten, dat hij geen ongeluk veroorzaakt. Nou, tot morgen weer, prettige avond.’

De volgende dag stapte Cemil tegen het middaguur de winkel binnen. Hij hield een jongen bij de hand hield.

‘Kijk, dit is hem nou. Osman …’ zei hij glimlachend. Hij keek de jongen vertederd aan.

‘Kijk, Osman, deze meneer is een bovenste beste meneer, hij is ook degene die ons eten klaarmaakt.’

De kruidenier staarde de knul ontzet aan. Híj was echt krankzinnig, dat leed geen enkele twijfel. Je hoefde de naïeve glimlach op zijn gezicht maar te zien, het snot dat uit zijn neus liep, zijn slordige en vuile voorkomen met dat wollen mutsje en die schoenen waar de gaten in zaten. Hoogstwaarschijnlijk had hij ook niemand die zich om hem bekommerde…

Cemil haalde een zakdoek uit zijn zak, veegde Osmans neus af en zei tegen de kruidenier: ‘Je moet het hem maar niet kwalijk nemen, hoor, hij krijgt het vanzelf wel onder de knie. Eerst moet hij maar een tijdje hier blijven zitten, dan kan hij naar mij kijken. Daarna laat ik hem stap voor stap wat dingen doen.’

De kruidenier zuchtte diep, keek hen beiden verbijsterd en vol medelijden aan, schoof toen een frisdrankkrat naar buiten, een eindje bij de winkel vandaan, en legde er een dik stuk karton op.

‘Laat hem hier maar gaan zitten, dan ziet hij je beter’, zei hij tegen Cemil.

Cemil voerde de jongen aan de hand mee naar buiten, liet hem op de krat plaatsnemen, en stopte hem de zakdoek in zijn hand.
‘Wel op tijd je neus afvegen, beste Osman, de mensen vinden dat een vies gezicht’, zei hij.

Toen rende hij naar het midden van de weg, naar zijn post. Alsof hem opeens iets te binnenschoot, riep hij naar de kruidenier, die in de deuropening stond: ‘Die rode Ford heeft toch geen problemen veroorzaakt, hoop ik?’

En toen tegen de jongen: ‘Goed naar mij kijken, dat je geen enkel gebaar mist.’

De hele ochtend stond Cemil op zijn fluitje te blazen, stak zijn hand in de lucht, wuifde met zijn arm, liet auto’s stoppen, verleende ze doorgang, hij liet Osman kortom die dag zijn kunst in al zijn finesses zien. Osman, op zijn beurt, keek dan eens naar Cemil, dan naar de voorbijgangers, dan weer naar de bromvliegen die op zijn knie neerstreken. Als het snot uit zijn neus liep, kwam Cemil aangerend. ‘Wel je neus afvegen, Osman’, zei hij dan, trok de zakdoek uit zijn handen, veegde zijn neus af, stopte hem de zakdoek weer toe en rende terug. Tegen het middaguur kwam hij met een vermoeid maar gelukkig gezicht bij Osman: ‘Je hebt het toch wel gezien, hè, Osman?’ vroeg hij.

De jongen begon grijnzend een paar keer heftig te knikken.

‘Wat denk je ervan, lijkt het je makkelijk?’

De jongen bleef knikken.

‘Nou, zo makkelijk is het ook weer niet’, zei Cemil nors. ‘Je moet goed opletten. Als je dat niet doet gebeuren er ongelukken. We staan hier wel op een kruispunt. En als er een ongeluk gebeurt staat op vier wegen tegelijkertijd het verkeer vast. Ik heb tot nu toe nog nooit een ongeluk laten gebeuren. En jij moet het vak ook leren.’

Osman zat nog steeds te knikken. Cemil liep de winkel binnen.

‘Kruidenier, het is al middag. Kunnen we ons eten krijgen? Heeft de dienst ook betaald voor Osmans maaltijd?’
‘Jazeker, Cemil’, zei de kruidenier met een ernstig gezicht. Vervolgens sneed hij een vers brood in tweeën, belegde beide helften met een klein beetje kaas, en maakte twee flesjes limonade open.

‘Een welkomstdrankje van mij voor Osman’, zei hij tegen Cemil.

‘Osman, de limonade is van onze vriend de kruidenier’, fluisterde Cemil hem in het oor terwijl hij hem het brood en de limonade gaf. ‘Je moet hem even bedanken.’

Osman begon nogmaals grijnzend te knikken.

‘Kruidenier,’ riep Cemil naar binnen, ‘Osman zegt dankjewel.’

‘Graag gedaan.’

Cemil hielp de jongen met eten. De jongen glimlachte naar Cemil, terwijl hij ondertussen probeerde te kauwen; nu en dan vergat hij zijn kaken te bewegen, en liep er een straaltje speeksel uit zijn mond.

‘Eet eens door!’ zei hij dan tegen de jongen, en veegde met zijn zakdoek diens kin af.

Toen de jongen de helft van zijn brood ophad, had hij genoeg. Cemil haalde een stuk krantenpapier bij de kruidenier, wikkelde daar de andere helft van het brood in en stopte het pakketje in Osmans zak: ‘Voor vanavond’, zei hij. En toen: ‘Het eten is op, beste Osman, ik ga weer aan het werk. Goed kijken, dan heb je het allemaal zo geleerd.’ En hij waarschuwde: ‘De regering heeft ons te eten gegeven, daar moeten we wel iets voor terugdoen.’

Terwijl Cemil zijn post innam begon Osman te grinniken en te schateren om de gebaren die Cemil maakte.

‘Zit niet zo te lachen, man!’ riep Cemil hem kwaad toe. ‘Opletten!’

De jongen hield op met lachen en begon om zich heen te kijken.

‘Nee, hier kijken! En niet naar iets anders’, schreeuwde Cemil.

Tegen de avond kwam Cemil bij Osman. Hij zag er niet erg vrolijk uit. Hij pakte de jongen bij de hand en trok hem overeind.
‘Kom, we gaan’, zei hij. ‘We zullen die gebaren eerst maar eens oefenen.’ Hij wenste de kruidenier goedenavond, en hand in hand gingen ze op weg.

De volgende ochtend stond Cemil precies op tijd op zijn post.

De kruidenier keek of hij Osman zag, en riep toen naar Cemil: ‘Goedemorgen, Cemil, is Osman er niet?’

‘Ik vertel het je straks wel,’ antwoordde Cemil, ‘tussen de middag …’

Toen de kruidenier in de middagpauze Cemils brood smeerde, begon hij te vertellen: ‘Gisteravond heb ik hem de gebaren voorgedaan; maar hij heeft gewoon geen greintje talent. Je zult het ook wel gezien hebben, kruidenier, die jongen is een beetje getikt. Een beetje veel zelfs … Maar toch, ik dacht: we kunnen er wel iets mee beginnen. Dan leert hij een kunst, hij verdient zijn boterham, en tegelijkertijd is hij volk en vaderland van nut. En in feite leert hij het ook wel. Hij is alleen nogal traag. Het gebaar voor stoppen kent hij nu. Dan tilt hij zijn hand op. Maar vervolgens vergeet hij die weer en blijft hij hem in de lucht houden. Als je erom begint te lachen, vindt hij dat heel erg, maar de auto’s kunnen moeilijk wachten tot hij een lamme arm krijgt. Dat heb ik hem ook gezegd.

“Vroeger zou het geen probleem zijn”, zei ik. “Toen had je niet zo veel auto’s, toen ging alles rustig zijn gangetje. Maar nu leven we in een tijdperk van snelheid.” Hij maakte geen aanstalten om iets te leren. “Beste Osman,” heb ik hem gezegd, “neem me niet kwalijk, maar ik zoek een ander baantje voor je; als verkeersagent wordt het niets met jou.” Laat jij het ook weten als je een geschikt baantje voor hem weet? Je hebt hem tenslotte gezien, je kent hem.’

De kruidenier knikte. Hij moest zich inhouden om niet in lachen uit te barsten. Hij gaf Cemil zijn brood. Cemil bedankte, liep naar buiten en draaide zich toen om. ‘O ja, kruidenier,’ zei hij, ‘zullen we dat briefje weer ophangen? Misschien komt er wel iemand.’

‘Het kruispunt’ maakt deel uit van de verhalenbundel ‘Naar de stad’ van Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel. Het boek opent met dit verhaal van Mehmet Zaman Saçl?o?lu (mzsaclioglu@superonline.com).

‘Naar de stad’ is verkrijgbaar in onze shop.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!