Terugkeer van hamer en sikkel
Cultuur, Communisme, Kortverhaal, Scheppingsverhaal, Hamer, Sikkel -

Terugkeer van hamer en sikkel

donderdag 15 maart 2012 10:01

Gele lis – Peter Minten

(kortverhaal)

Op een ochtend ontdekte ik mijn buurvrouw, toen mijn gespierde behaarde handen een gat scheurden in de heg. Ik was op zoek naar de bron van een smakkend geluid. Op haar hurken zat ze in haar tuin onder de overhangende takken van mijn appelboom. Ze kauwde met open mond en gesloten ogen. In haar hand hield ze een steeltje. Toen ik haar zag, wist ik dat zij mijn kans was op een echt goede daad. Die kans voelde aan als een antwoord, maar ik wist nog niet op welke vragen.

Dat ik ook van appels hield, mompelde ik. Nog veel meer vertelde ik haar. Daarna brandden we een deel van de heg tussen onze tuinen af. Dat praatte makkelijker.

Mijn buurvrouw vertelde dat ze haar tuin niet meer moest verlaten. De rest van haar leven had ze recht op een uitkering. Ze had als biologielerares gewerkt op een school en kreeg daar problemen. Echte problemen. Het had iets te maken met haar lessen over de evolutietheorie.

Ik besloot die ochtend ook een streep te trekken onder mijn loopbaan. Naar kantoor gaan wilde ik niet meer. Mijn schedel werd te klein voor het groeiende aantal antwoorden dat ik elke dag moest verzinnen op de praktische vragen van collega’s. Altijd die antwoorden. Wanneer ik ’s nachts in mijn bed wakker werd, herinnerde ik me soms dat ik vroeger, toen ik jong was, vragen kon stellen, belangrijke vragen. Maar hoe hard ik ook zocht in mijn hoofd,  ik vond ze niet meer.

Mijn buurvrouw stond de volgende dag in het open gat van de verbrande heg, toen ik op het terras de bak van mijn katten vulde met harde kattenbrokken. De kippen kwamen aangelopen uit het verste gedeelte  van mijn tuin. Ze renden door het hoge gras en pikten kattenbrokken uit de kattenbak. Mijn kippen leken dol op kattenbrokken. Afzijdig stonden de katten naar het tafereel te kijken. Ook kraaien en eksters vlogen af en aan met kattenbrokken.

‘Ik weet niets van kattenbrokken,’ zei ik tegen mijn buurvrouw.
     ‘Geen idee waarom ze op de verpakking schrijven dat het kattenbrokken zijn,’ antwoordde ze.‘Misschien weten ze het niet.’
     Ik fronste mijn wenkbrauwen. 
     ‘Misschien weten ze gewoon niet dat kippen en vogels die dingen ook lekker vinden. En misschien zijn er nog wel andere dieren die ook kattenbrokken lusten. De mensen van die bedrijven waar ze kattenbrokken maken, lopen op werkdagen nooit in hun tuin. Ze staan er dus ook niet bij stil dat hoge doses kattenbrokken een volkomen onvoorspelbare uitwerking kunnen hebben op de volgende generaties kippen en vogels. De kans is groot dat het erfelijk materiaal van die dieren al aan het veranderen is.’
     Ik begreep niet wat ze bedoelde, maar ik zag haar graag, dus glimlachte ik. Glimlachen is je mond oefenen om belangrijke vragen te stellen. 

Die middag speelde ik met mijn cavia een kaarsspelletje aan tafel. Wie het dichtst met zijn neus bij de kaarsvlam durfde komen. Mijn cavia won. Dat vertelde ik aan mijn buurvrouw, dat mijn cavia won. Ze keek me aan met grote ogen en zei vreemde dingen. Dat de menselijke soort in gevaar was. Die woorden gebruikte ze, ‘de menselijke soort’. Mijn buurvrouw wilde weten wat er in de wereld aan de hand was. Of ik met haar mee wilde gaan wandelen?

Pratend stapten we door de straat. Waar het natuurgebied begon, kronkelde een smalle betonnen weg tussen de weilanden. Er stroomde een beekje langs het pad.
     Mijn buurvrouw benoemde allerlei dieren en planten. Het leek alsof ze de naam van elk levend wezen kende.
     Met haar hand maakte ze een gebaar dat ik me niet meer mocht bewegen. Loerend keek ze naar de beek en spande haar lippen.
     ‘Die gele lis,’ zei ze, ‘overal rond de beek groeit gele lis.’
     ‘Wat is er mis met die lis?’ Ik schrok van mijn eigen woorden. Voor het eerst sinds jaren was er weer een vraag over mijn lippen gerold. Het was nog geen belangrijke vraag, maar het was wel een vraag.
     ‘Ik had het niet mogen doen,’ zei ze.
     Een ondoordringbaar tapijt van gele bloemen waaierde over de weg. 
     ‘Het is vreselijk,’ zei ze.
     ‘Waar heb je het over?’ Mijn tweede vraag. Eenvoudige vragen stellen, dat leerde ik snel.
     ‘Gele lis,’ zei ze. ‘In mijn tuin groeide gele lis aan de rand van de vijver. Ik heb die plant een jaar geleden uitgegraven. Ik was er gewoon op uitgekeken.’
     ‘Ja, en?’ Een halve vraag.
     ‘Wat moest ik met die plant? Ik nam dat ding mee naar dit natuurgebied, en zette  de gele lis in de aarde, vlak bij de beek.’ Ze zuchtte.
     Overal groeide gele lis, ook op de droge weilanden en op de betonnen weg.
     ‘Eén plant heb ik hier achtergelaten,’ zei ze, ‘en kijk nu eens. De gele lis overwoekert hier alles. Ik begrijp er niets van. Het is een waterplant, maar ze groeit nu overal. De gele lis heeft het water niet meer nodig, ze is gemuteerd en heeft haar vrijheid veroverd.’
     ‘Jezus.’ Zelfs in de donkere hoeken van mijn geheugen lag geen vraagje meer.
     ‘Het heeft niets te maken met Jezus,’ zei ze. ‘Integendeel, het is gewoon biologie.’
     Mijn buurvrouw sloeg haar ogen neer en rilde meer dan goed voor haar was. Ik wilde mijn armen rond haar slaan, maar deed het niet. Ik had haar nog geen belangrijke vragen gesteld. Ik kende haar dus nog niet echt. Mijn armen sla ik niet rond mensen die ik niet echt ken. We wandelden de weg terug naar onze tuinen.

‘s Avonds brak de gele lis de poort van mijn oprijlaan open en marcheerde naar mijn huis. De plant veranderde mijn keuken in een bloemenzee, klom langs de trap naar de bovenverdieping en strekte zich behaaglijk uit op mijn bed. Met een sikkel en een hamer ging ik de bloemen te lijf. Niets hielp.

De volgende ochtend trok ik de verandadeur achter me dicht, en wierp een slaapzak op de houten vloer van mijn kleine tuinhuis, achter de fruitbomen, vlak bij het kippenhok. Ik kon wel overleven op eieren en fruit.

Mijn buurvrouw stond achter het raam van haar huis. Ze leek niet te merken dat ik naar haar glimlachte en vragend naar haar keek. 

De gele lis leek haar huis en tuin te mijden. Misschien wilde de gemuteerde plant niet herinnerd worden aan de plek waar ze een tijd geleden niet meer was dan een kleine gele bloem, een onbeduidend antwoord van de vroegere natuur.

De gele lis brak het verandaglas en begon vanaf mijn huis aan haar veroveringstocht door mijn tuin.
In de tuin vocht ik. Met het hakken van de sikkel en het slaan van de hamer trachtte ik de gele lis te kortwieken. Mijn armen rezen en daalden  krachtiger en zelfzekerder dan ik me voelde, alsof die twee armen deel uitmaakten van bewegingen die groter en ouder waren dan mezelf. Het was vermoeiend, maar ik was niet bang van hard werken. Helemaal niet.

***

Taaie scheuten gele lis knopen een strakke lus rond mijn hoofd. De naden van mijn schedel trillen. Druppels snot lekken uit mijn neusgaten en parelen aan mijn lippen. Ik lik even. Sinds mijn jeugd heb ik geen snot meer geproefd. Het smaakt heerlijk. Hard begin ik te lachen. Met het lachen komen de vragen.

Hoe mijn buurvrouw heet? Hoeveel kinderen we samen zullen hebben? Of zij en ik elkaar belangrijke vragen zullen blijven stellen? Of we lekker in deze tuin zullen blijven wonen?

Mijn handen rukken aan de lus en grijpen opnieuw naar de sikkel en de hamer. Met een kreet baan ik me een weg naar haar tuin.

Ik vlij me naast haar in het korte gras en stel haar de eerste vraag.
     ‘Eva,’ antwoordt ze.
     Hoeveel kinderen?
     Ze wil twaalf kinderen. Haar tuin is net groot genoeg om twaalf kinderen te voeden. Zes jongens en zes meisjes. Daarmee hebben we genoeg genetische diversiteit voor een nieuwe mensensoort: De tuinmens, een met hamer en sikkel tuinierend vegetarisch wezen. Een voorspeld wezen volgens de revolutionaire biologie.
     Ze opent de rits van haar spijkerbroek en trekt traag haar slipje uit. Vragend lach ik naar haar en wijs veelbetekenend naar het snel groeien van de goede daad in mijn onderbroek.
     Terwijl ik haar vraag of we elkaar dit soort indringende vragen zullen blijven stellen, kreunt ze en gaat haar hoofd ritmisch op en neer. 
     Eva’s antwoord op de laatste vraag, of ons nieuwe gezin ook in de verre toekomst  in deze volkse vreedzame tuin zal blijven wonen, gaat in mijn toenemende gehijg verloren. 

Peter Minten 2012

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!