Collectieve vermarkting Antwerpse cultuurhuizen op til
Opinie, Politiek, Cultuur, België - Robrecht Vanderbeeken

Collectieve vermarkting Antwerpse cultuurhuizen op til

'Gaan havenbazen en banken binnenkort beslissen over onze erfgoedcollecties', dat vragen Mie Branders (PVDA) en Robrecht Vanderbeeken (ACOD Cultuur) zich af in afwachting van het geplande samengaan van 14 Antwerpse musea en erfgoedinstellingen in één groep. Optimalisatie en efficiëntie? De vraag is voor wie?

maandag 25 maart 2019 09:47




Het nieuwe stadsbestuur van de Grote Verbinding is twee maanden ver en we staan al voor de grootste vermarktingsoperatie van de Antwerpse cultuurinstellingen ooit. Tegen 1 januari 2020 moeten de 14 Antwerpse musea en erfgoedinstellingen in één groep worden samengebracht met een beheer ‘gefaciliteerd door interne verzelfstandiging’.

Het gaat om het diamantenmuseum (DIVA), het Modemuseum, het Fotomuseum, het Maagdenhuis, Museum aan de Stroom, Red Star Line Museum, Museum Vleeshuis, Letterenhuis (inclusief het luik Antwerpen Boekenstad en exploitatie Lijsternest), Middelheimmuseum, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Rubenshuis, Rubenianum, Museum, Plantin-Moretus en Museum Mayer van den Bergh.

Culturele shocktherapie

Naar goede gewoonte spreekt het stadsbestuur ook bij deze culturele shocktherapie van ‘groepsoptimalisatie’. Optimalisatie en efficiëntie? De vraag is voor wie. Toegankelijkheid voor wie? Uitstraling en postjes voor wie? Kunst voor wie?

Schaalvergroting brengt doorgaans meer bureaucratie mee. Minder transparantie en flexibiliteit, weliswaar in ruil voor politieke controle top-down. Officieel noemt men dat de versnippering tegengaan en via synergie de efficiëntie verhogen. De medewerkers van De Museumstichting (DMS) kunnen al over zo’n optimalisatieoefening meespreken.

In haar drang om te besparen op publiek goed, besliste de Vlaamse regering in 2014 om de provincies af te slanken. Jammer genoeg zonder visie en zonder voorafgaande voorbereiding of overleg met de betrokkenen. De 3 provinciale musea – het Fotomuseum, het Modemuseum en het Diamantmuseum (nu DIVA) – én de Arenbergschouwburg (met het openluchttheater Rivierenhof) werden zo de dupe van een neoliberale agenda, van het amateurisme van de provinciehervorming, van persoonlijke ambities en getouwtrek tussen de provincie en de stad.

De personeelsleden – van directies tot werkvloer – bleven in het ongewisse terwijl de N-VA van stad, provincie en gewest met mekaar in ruzie lagen. Het DIVA heeft op één jaar tijd een financiële put van meer dan 1,5 miljoen euro gegraven en er zijn al 2 directeurs vertrokken. Die rekening krijgen de andere musea nu mee gepresenteerd. Dit is alles behalve ‘optimaal’.

Hoog tijd voor een volgende optimalisatie, vindt het stadsbestuur. Geen tijd voor de medewerkers om een goede werking uit te bouwen en de organisatie in rustiger vaarwater te brengen. De volgende herstructurering staat al klaar. De grootschalige aanpak stelt men niet ter discussie, alsof kleinschaligheid geen voordelen heeft.




Vermarkting via de top

De 14 musea en erfgoedinstellingen zullen geleid worden door een ‘internationaal samengesteld museaal comité’. Maar het Nederlands moet wel de verplichte voertaal zijn? Dit comité zal de organisaties van bovenuit ‘inhoudelijk en zakelijk ondersteunen’.

Maar hoe transparant is het om alle instellingen in één grote zak te steken? Zit het Letterenhuis dan te wachten op een samenwerking met het Middelheimmuseum voor pakweg een gemeenschappelijke kuisfirma? Het is al langer een trend om de raden van bestuur te bevolken met mensen uit de bedrijfswereld. Niet voor hun culturele expertise maar voor hun commercieel adressenboekje.

Want door de aanhoudende besparingen in de cultuursector moeten instellingen de boer op om het hoofd boven water te houden. Eén daarvan is het aantrekken van sponsors en daar mag aldus de nieuwe bestuursraden wat tegenover staan: Hospitality, visibility en exclusivity, heet dat in stadshuistermen.

De belegger krijgt gratis tickets, de bedrijfsfeestjes kunnen voortaan doorgaan op exclusieve nocturnes en in het drukwerk staat het bedrijfslogo mooi te blinken. De werking van het museum zal zich wel moeten plooien naar de wensen van de private belangen. In plaats van hun tijd en energie te steken in de artistieke agenda van hun instelling, zullen cultuurhuizen zich meer en meer bezig moeten houden met het behagen van hun sponsors.

En natuurlijk: zich gedienstig maken voor citymarketing, de uitstraling van havenstad en commerciële spin-offs via evenementen. Terwijl de overheid de rekening betaalt, kan een bedrijf voor een in verhouding klein bedrag met het prestige aan de haal.

Het publiek krijgt zo een scheefgetrokken beeld en vergeet dat het zichzelf als belastingbetaler dankbaar mag zijn. Hier overheerst het model van de burger als klant, hoewel deze burger in eerste instantie wel mede-eigenaar is.

Optimalisatie is een eufimisme voor saneringssoperatie

Het personeel dat men wil uitsparen zit vandaag natuurlijk niet niets te doen. Het clusteren van de organisaties garandeert niet dat er minder werk zal zijn, integendeel. Het ontmantelen van de stadsdiensten is een truc om in één beweging komaf te maken met een personeelsbeleid van ambtenaren en benoemingen. De statutairen worden vervolgens geconfronteerd met discriminatie, want de nieuwe vacatures of benoemingen zullen alleen open staan voor contractuelen.

Een tweede gevolg is de verregaande liberalisering inzake personeelsbeleid. Samen met de uitbestedingen van taken voor bijvoorbeeld bewaking of onderhoud aan goedkopere externe firma’s kunnen we ons verwachten aan de instroom van interims, vrijwilligers, jobstudenten, ‘stagiairs’ en freelancers in naam van de flexibiliteit.

Erfgoedbewakers zullen conform de wet van Jan Jambon bewakingsagenten moeten worden genre G4S, dus zonder enige affiniteit met de collecties of de instelling. Tegelijk gaat de deur open voor het inhuren van duurdere curatoren – de samenwerking met antiquair Axel Vervoordt kostte het DIVA 650.000 euro voor ‘een wonderkamer’ – en hogere marktcomforme lonen voor de topfuncties die men zichzelf heeft gegeven.

Bij het DIVA weet men intussen ook welke problemen het werken met onderaannemers kan meebrengen. De uitbater van de shop, het bedrijf Silvius Druon, eist een schadevergoeding van 100.000 euro vanwege ‘contractbreuk’ omdat de inkomsten minder zijn dan verwacht. Die blijken zo hoog ingepland dat een verhaal op het museum voorspelbaar was.

Ondertussen komen ook de vakbonden voor voldongen feiten te staan want met deze fusie is de organisatie van degelijk sociaal overleg op maat met personeelsvertegenwoordigers per instelling onmogelijk. Dan moet je in de eerste lijn onderhandelen met mensen die niet eens tot de directie van die instellingen behoren. Hoe garandeer je dan fair practice, democratie, toegankelijkheid, laagdrempeligheid, kwaliteit en diversiteit?




Welk democratisch beslissingsproces?

De gekozen richting is duidelijk. Er komt een radicale hervorming op heel korte termijn. De schaalvergroting als truc om een zakelijke greep te krijgen op het diverse, dikwijls vrijgevochten culturele veld. In de publieke arena van de gemeenteraad is er nog met geen woord over gerept. De bestaande raden van bestuur worden in snelheid gepakt.

Dit gebrek aan transparantie is bijzonder verontrustend omdat het om organisaties gaat met waardevolle collecties en erfgoed. Zal de groepsoptimalisatie uitdraaien op een eigendomsoverdracht van ons publiek patrimonium naar een extern verzelfstandigd agentschap? En zal dat een privaat of publiek of een privaat-publiek karakter hebben? Gaan captains of industry, banken en havenbazen zoals Fernand Huts binnenkort beslissen over onze erfgoedcollecties?

Een marktconform cultuurbeleid in termen van foundations, fundraising en friendraising betekent dat men de cultuurinstellingen zal besturen alsof het concurrentiele bedrijven zijn, ook lokaal binnen de stad, hoewel ze tegelijk onder hetzelfde beheer zullen vallen.

‘We lopen achter op het buitenland’, klinkt het minderwaardigheidscomplex in het stadshuis. Nochtans, artistieke leiders in de VS klagen al jaren aan dat ze een leeuwendeel van hun tijd en energie moeten steken in het aanhalen van sponsors. Het inhoudelijke werk staat ginder dan weer onder druk door een beleid waarbij kunst en cultuur moeten dienstdoen als nationalistisch uithangbord, als motor voor horeca, toerisme en zakenrelaties, enzovoort. Instrumentalisering, is dat ‘de optimalisatie’ die we willen? Efficiënt, dat misschien wel, maar voor wie?

O contradictie: de ‘verzelfstandiging’ blijkt een methode te zijn waarmee beleidsvoerders het culturele werkterrein politiek naar hun hand kunnen zetten. Terwijl kunst en cultuur in al zijn diversiteit, eigenheid en vrijheid onze samenleving mee moet kunnen vormgeven, voor en door de mensen, niet de winst.

 

Mie Branders is huisarts bij Geneeskunde voor het Volk in Hoboken. Ze zetelt sinds 2012 voor de PVDA in de Antwerpse gemeenteraad.

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van Buy Buy Art (2015) en vakbondsverantwoordelijke voor ACOD Cultuur.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!