Tibet: een blik op het verleden – Deel I
Tibet, China, Dalai lama -

Tibet: een blik op het verleden – Deel I

dinsdag 18 juni 2013 09:30

Tibet vormt al decennia lang het onderwerp van vele verhitte discussies. Dromerige romantici beschouwden het als een utopische samenleving, het Shangri-la van eeuwige vrede. Tegenstanders zagen in het Tibet van pre-1950 een theocratische hel schreeuwend naar bevrijding.  Het lijkt vaak een eindeloze discussie maar de Tibetaanse kwestie is geen polemiek over het verleden, maar een tastbare problematiek van vlees en bloed in het heden. Dat maakt de golf van zelfverbrandingen sinds 2009 meer dan duidelijk. Minstens 118 Tibetanen, waarvan 23 jonger dan 18 jaar, staken zichzelf in brand als protest tegen het Chinese beleid. Het leeuwendeel – 99 mannen en vrouwen – overleefde de actie niet. Daarom is een blik op de Tibetaanse geschiedenis en de relaties met haar buurlanden zeker niet onbelangrijk om  de huidige thematiek tegen een grotere achtergrond te plaatsen. 

Volgens de mondelinge Tibetaanse overlevering begon de geschiedenis van Tibet in de 2de eeuw voor Christus. Enkele vooraanstaande families stichtten de eerste federatie van stammen hoewel van een eenheidsstaat toen nog geen sprake was. De macht van het koningshuis beperkte zich tot de Yarlung-vallei in Centraal-Tibet. De toenmalige stammen hingen animistische en sjamanistische vormen van geloof aan, met de  Bön-traditie als toonaangevende stroming.

Onder het bewind van koning Songtsen Gampo (ca. 629-649) begon Tibet aan zijn opmars als grootmacht. Hij legde de basis voor een langdurig proces van binnenlandse eenheid en stabiliteit. Onder zijn bewind werd Tibet een belangrijke militaire macht die er in slaagde grote gebieden van Centraal-Azië te veroveren. Zijn huwelijk met een Nepalese en Chinese prinses, naast drie Tibetaanse vrouwen, bevestigde de invloed van het Tibetaanse rijk op haar buurlanden. Naast de vele militaire verwezenlijkingen introduceerde Songtsen Gampo het op Sanskriet gebaseerde schrift, het Tibetaanse alfabet en een rechtscode. De 33ste koning wordt dan ook beschouwd als de grondlegger van de Tibetaanse natie. Nog belangrijker echter was  zijn bekering tot het boeddhisme, onder invloed van zijn boeddhistische vrouwen. Hij zond verschillende afgezanten naar India en China voor religieuze studie en bracht het boeddhisme naar het dak van de wereld.

Onder een van zijn opvolgers, Trisong Detsen, bereikte Tibet zijn politiek en militair hoogtepunt. Het Tibetaanse rijk strekte zich uit over het vroegere Turkestan, het noorden van Pakistan, Nepal en bepaalde delen van Noord-India. Zijn legers stonden zelfs voor de poorten van de toenmalige  hoofdstad Chang’an (het huidige Xian) van de Chinese Tang-dynastie. Het was tijdens zijn bewind dat het eerste boeddhistische klooster, Samye,  werd gebouwd door Padmasambhava of Goeroe Rinpoche. De Indische goeroe kwam op uitnodiging van de Tibetaanse koning, die de Indische variant van het boeddhisme koos  en hielp hem de dharma te consolideren als staatsgodsdienst. In diezelfde periode vonden de eerste vredesgesprekken plaats tussen de Tibetaanse en Chinese heersers en kwam er een einde aan bijna twee eeuwen van onderlinge strijd. Die overeenkomsten stonden vereeuwigd op drie pilaren waarvan er nog een terug te vinden is in Lhasa voor de Jokhangtempel.  “…Both Tibet and China shall keep the country and frontiers of which they now are in possession. The whole region to the east of that being the country of Great China and the whole region to the west being assuredly the country of Great Tibet, from either side of that frontier there shall be no warfare, no hostile invasions, and no seizure of territory…when Tibetans shall be happy in Tibet and Chinese shall be happy in China shall never be changed, the Three Jewels, the body of Saints, the sun and the moon, planets and stars have been invoked as witnesses.”(1)

Halverwege de 9de eeuw kwam er een einde aan de Tibetaanse eenheid en heerschappij in Centraal-Azië. De komende 400 jaar ontbrak er enige centrale autoriteit in Tibet en de verschillende regio’s en stammen keerden terug naar hun vroegere onafhankelijkheid. Deze politieke leegte werd geleidelijk opgevuld door het boeddhisme en deed een cruciale wijziging in het Tibetaans denken ontstaan. De militaire exploitaties maakten plaats voor religieuze en spirituele toewijding die tot vandaag kenmerkend zijn voor de Tibetanen.  Er ontstonden verschillende boeddhistische scholen met een eigen, uniek systeem van opvolging en reïncarnatie: het lamaïsme. Over heel het land werden vele kloosters gesticht en verhoogde de spirituele en wereldlijke macht van de verschillende tradities. Van hernieuwde eenheid was nog geen sprake omdat geen enkele boeddhistische strekking sterk genoeg was om de andere te domineren. Daar kwam verandering in met de komst van de Mongolen enkele eeuwen later.

Tibetaans-Mongoolse alliantie

Onder leiding van Djengis Khan beleefde Mongolië een bloeiperiode in de 13de eeuw.  Hij veroverde immense gebieden van Europa tot Azië  waaronder ook grote delen van China. Het Rijk van het Midden kwam meer dan een eeuw onder het gezag van de Mongoolse Yuan-dynastie te staan. De nazaten van de grote khan bereikten in hun veroveringstochten ook het Tibetaans plateau. Sakya Pandita, hoofd van de Sakya school, onderwierp zich aan de toenmalige leider, Godan Khan en wijdde hem en zijn volgelingen in het boeddhisme in. Op die manier vermeden de Tibetanen een invasie van de Mongoolse horden.  Sakya Pandita werd aangesteld als vertegenwoordiger van de Mongoolse autoriteit in Tibet en de Sakya-traditie verkreeg politieke en religieuze suprematie over het land. Een soort patroon-priester relatie (Chö-yön) tussen de Mongoolse heersers en de Tibetaanse lama’s zag het levenslicht. Vanaf toen ontstond er een band tussen beide landen die tot op vandaag voelbaar is. Het kwam er op  neer dat patroon Mongolië instond voor de militaire bescherming van priester Tibet. Sakya Pandita van zijn kant zorgde voor de religieuze opleiding van de khan en was zijn spirituele meerdere. Onder een gemeenschappelijke, Mongoolse noemer herstelden ook de contacten tussen Tibet en China.

Halverwege de 14de eeuw kwam het Mongoolse rijk aan zijn einde en werd het opgevolgd door de etnisch-Chinese Ming-dynastie. Deze powershift veranderde weinig aan de bestaande verhoudingen. De Ming-keizers toonden weinig interesse in Tibet, hoewel beide hofhoudingen vriendschappelijke contacten met elkaar onderhielden.  Tibet bleef fungeren als een zelfstandige staat en behield  haar Chö-yön-relaties met de Mongolen. Ondertussen zag, onder leiding van Tsongkhapa (1357-1419), een nieuwe boeddhistische school het levenslicht. De Gelupa of geelmutsen verkregen door de decennia heen steeds meer religieuze aanhang en konden die macht ook politiek bekrachtigen door middel van haar Mongoolse beschermheren. De kloosters Ganden, Sera en Drepung vonden hun oorsprong in deze periode en groeiden uit tot de belangrijkste centra van spirituele scholing van de deugdzame orde.

Midden de 16de eeuw verkreeg de toenmalige hoofdlama van de Gelupa, Sonam Gyatso (1543-1588) de titel Dalai Lama of Oceaan van Wijsheid van de Mongoolse Altan Khan en gaf deze titel met terugwerkende kracht aan zijn twee voorgangers. De Dalai Lama werd (en  wordt) aanzien als de reïncarnatie van Chenrezig, de bodhisattva van mededogen en de beschermheilige van Tibet. Altan Khan werd van zijn kant erkend als een afstammeling in rechte lijn van Djengis Khan, waardoor hij aanspraak kon maken op het Mongoolse rijk. Onder een sluier van vroomheid en respect waren de politiek motieven niet veraf. De Khan had zich verbonden met een religie die in Centraal-Azië aan prestige won terwijl Gyatso de steun had van een machtige beschermheer.

Mantsjoe inmenging

De Chö-yön zorgde ervoor dat er een einde kwam aan de religieuze twisten en Tibet onder leiding van de vijfde Dalai Lama (1617-1682) haar politieke eenheid herwon. De Grote Vijfde regeerde voor het eerst als hoofd van de staat én als hoofd van de dominante religieuze stroming.  Het was ook de vijfde Dalai Lama die de reïncarnatielijn en het instituut van de Panchen Lama in het leven riep en aan zijn spirituele en politieke mentor gaf. Deze relatie was van fundamenteel belang voor het succes van de Gelupa-theocratie. Ze speelden een belangrijke rol in elkaars opleiding en in de aanduiding van de volgende reïncarnatie. De Dalai Lama werd erkend als de wereldlijke en geestelijke leider van Tibet terwijl de Panchen Lama als zijn spirituele leraar werd beschouwd. In de praktijk ontstond er vaak rivaliteit tussen Shigatse, de zetel van de Panchen Lama, en Lhasa, de uitvalsbasis van de Dalai Lama. Beide incarnaties werden dan ook te pas en te onpas gebruikt als speelbal voor politieke doelen. Vele Dalai Lama’s stierven vaak onder verdachte omstandigheden voor ze de volwassen leeftijd bereikten, waarna een regent de touwtjes in handen nam.

Ondertussen wierpen de Mantsjoe de Ming-dynastie omver en nam de buitenlandse Qing de macht over. De Mantsjoe kwamen uit het noordoosten van de huidige Volksrepubliek en waren etnisch verwant met de Mongolen. De vijfde Dalai Lama onderhield goede relaties met de Mantsjoe-keizer en beide heersers ontvingen elkaar met het respect en protocol van onafhankelijke staten. Een hernieuwde patroon-prietser verhouding tussen beide partijen ontstond: voor de Mantsjoe-keizer een verzekering tegen eventuele uitbreidingsdrang van de Mongolen en voor de Dalai Lama een erkenning van zijn religieuze autoriteit.

Tibet bereikte een nieuw hoogtepunt in zijn geschiedenis  tijdens het leven van de vijfde Dalai Lama. De hernieuwde eenheid en sterk bestuur werden verzegeld met de bouw van het Potala-paleis. De Grote Vijfde stierf na de afwerking van het onderste deel of het Witte paleis, het politieke zenuwcentrum en de zetel van de Tibetaanse regering (Kashag). Meer dan tien jaar werd zijn dood geheim gehouden om de bouw van het religieuze en Rode Paleis tot een goed einde te kunnen brengen.

Het duurde tot het begin van de 18de eeuw vooraleer de Qing-dynastie effectief politieke controle zou uitoefenen in Tibet. Na een aanval van afvallige Mongoolse troepen in 1720 en 68 jaar later na een inval van Nepalese Gurkhas kwamen de keizerlijke troepen Tibet te hulp. Er volgden periodes van reorganisatie en de provincies Kham en Amdo werden administratief gescheiden van Centraal-Tibet  Het oosten van Kham viel onder het gezag van de provincie Sichuan terwijl Centraal-Tibet en Amdo onder het wakende oog van Ambans kwam te staan. De Ambans of regenten vertegenwoordigden de keizer op het Tibetaanse plateau en bepaalden deels het politiek beleid.  Ook het belang en de invloed van het lamaïsme op het Tibetaanse leven en samenleving ontging de Mantsjoes niet. Met de introductie van het Gouden Vaas-systeem probeerden ze het opvolgingsproces van de Dalai en Panchen Lama te sturen.  In de vaas kwamen de namen van de kandidaten terecht en via deze tombola avant la lettre vonden ze de nieuwe incarnatie. Tegen het einde van de 18de eeuw verloor de Qing veel van haar macht en haar invloed in Tibet. Veel van de hervormingen werden teniet gedaan en het gouden vaas systeem verdween op de achtergrond.

Risk op het dak van de wereld

Rond de eeuwwisseling verschoof het interesseveld van buitenlandse grootmachten naar het dak van de wereld. Brits-India en Rusland waren verwikkeld in de Great Game, een geopolitiek spel  over de heerschappij van Centraal-Azië. Het boeddhistische koninkrijk met haar strategische ligging -een Tibet als bufferstaat-  vormde dan ook een cruciale rol in de machtsstrijd tussen beide landen.  Hoewel Tibet zich tot hiertoe altijd geïsoleerd had opgesteld en haar grenzen sloot voor buitenlanders, onderhield de toenmalige 13de Dalai Lama contacten met de Russische tsaar. Dit gebeurde in de persoon van Dorjiev,  Mongoolse onderdaan van de tsaar en tevens raadgever van de Dalai Lama.

Uit angst voor een Russische overmacht voerden de Britten expedities uit naar Tibet, wat tot gewelddadige confrontaties leidde met de bewoners van het land. Tijdens een expeditie in 1904 bezette de Britse legermacht onder leiding van Sir Francis Younghusband de Tibetaanse hoofdstad Lhasa. De 13de Dalai Lama vluchtte naar Mongolië maar uiteindelijk zagen de Britten af van een permanente aanwezigheid en hield aan de bezetting een reeks handelsovereenkomsten met de Himalaya-staat over. Na het vertrek van de Britse mogendheid ondernamen de Mantsjoe verschillende pogingen om Tibet terug in hun machtsveld te krijgen. Dit resulteerde in de Simla-conferentie van 1914, een overeenkomst tussen Tibet, China  en het Britse rijk. Het verdrag zou de soevereiniteit van Tibet vastleggen. De Chinese delegatie ondertekende het verdrag niet.

Ondertussen maakte de nationalistische revolutie een einde aan het  Mantsjoe keizerrijk en de Tibetanen verdreven de laatste vijandelijke garnizoenen uit het land. De 13de  Dalai Lama verklaarde Tibet in 1912 formeel onafhankelijk. Hoewel geen enkel land dit officieel erkende, genoot Tibet van een de facto onafhankelijkheid. De Grote Dertiende  was zich duidelijk bewust van de grote vooruitgang en verandering van zijn tijd en probeerde, tevergeefs, Tibet binnen te loodsen in de 20ste eeuw. Het land werd actief op het gebied van buitenlandse politiek, stichtte hun eigen bureau voor buitenlandse betrekkingen en Tibetaanse paspoorten werden aanvaard als geldige reisdocumenten. Hij zond verschillende Tibetanen naar Britse scholen en ondernam pogingen het leger te moderniseren. Maar het was too little too late en hij werd tegengewerkt door de conservatieve clerus en adel die weinig graten zagen in een wijziging van de bestaande machtsverhoudingen.

Met de plotselinge dood van de 13de Dalai Lama in 1933 verloor Tibet een van haar sterkste leiders op een cruciaal moment van haar geschiedenis en herviel het land al snel terug in haar oude gewoonten achter gesloten grenzen. Een paar dagen voor zijn overlijden deed de Dalai Lama de volgende voorspelling: “Zeer spoedig kunnen in dit land (met zijn harmonieuze mengeling van religie en politiek) verraderlijke gebeurtenissen plaatsvinden zowel binnen het land als van buitenaf. Op dat moment zouden, als we ons gebied niet durven te beschermen, de geestelijke leiders waaronder de Overwinnende Vader en Zoon (Dalai Lama en Panchen Lama) vernietigd kunnen worden zonder spoor achter te laten, de bezittingen en autoriteit van onze Lakangs (huizen van gereïncarneerde lamas) en monniken kunnen ons worden ontnomen. Verder zal ons politieke systeem, ontwikkeld door de Drie Grote Dharma Koningen (Tri Songtsen Gampo, Tri Songdetsen en Tri Ralpachen) spoorloos verdwijnen. Het bezit van alle mensen, hoog en laag, zal hen worden ontnomen en de mensen zullen slaven worden. Alle levende wezens zullen eindeloze dagen lijden en vervuld zijn van angst. Deze tijd zal komen.” (2)

Op 1 oktober 1949 greep de Chinese Communistische  Partij de macht en Volksrepubliek China was een feit. Deze gebeurtenis bracht een nieuwe en sterke centrale overheid in China: een overheid onder leiding van Mao Zedung die de grensgebieden van de vroegere Qing-dynastie ambieerde. De vreedzame bevrijding van Tibet stond hoog op de communistische agenda om enkele jaren later een driest feit te worden.


Bronnen en meer achtergrond informatie: (1)The Status of Tibet, M. Van Walt van Praag, Westview Press, 1987; (2) Portret van de Dalai Lama, Charles Bell, Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1946; The Question of Tibet and the Rule of Law,  Intenational Commission of Jurists, Geneva, 1959;; De weg  naar Lhasa, P. Hopkirk, uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen, 1999; Tibet and its History, H. Richardson, Oxford University Press, 1962.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!