Naar een fiscaal evenwicht met een basisinkomen

Naar een fiscaal evenwicht met een basisinkomen

zondag 21 december 2014 12:22


Eén van de belangrijkste politiek-economische maatregelen
die men kan nemen, is het invoeren van een universeel, onvoorwaardelijk
basisinkomen. Maar hoe kunnen we dat basisinkomen financieren? Hoe hoog moet
het zijn? En welke andere overheidsuitgaven moeten met welke belastingen
gefinancierd worden?  In wat volgt doe ik
een voorstel om goede belastingenbronnen te vinden die overheidsuitgaven kunnen
financieren op een manier waardoor er bijna altijd een fiscaal evenwicht kan
zijn. Er is namelijk een natuurlijk of logische koppeling tussen bepaalde
belastingen en bepaalde uitgaven.

Het basisinkomen

Een universeel basisinkomen kan eerst en vooral gefinancierd
worden door een belasting op grond, grondstoffen en alle andere natuurlijke
voorzieningen die uitsluitbaar zijn in de zin dat men ze exclusief kan
toe-eigenen  Als iemand zich een
hoeveelheid natuurlijke grondstoffen toe-eigent, verwerft die persoon er een
monopolie op, wat wil zeggen dat iemand anders die grondstof dan niet meer kan
gebruiken. Grondstoffen zijn in deze zin dus uitsluitbaar: men kan anderen
uitsluiten van het bezit en gebruik ervan. Een belasting op deze natuurlijke
grondstoffen is een vergoeding die men moet betalen aan de gemeenschap voor het
exclusieve bezit of gebruik van een natuurlijke voorziening. De inkomsten van
deze belastingen kunnen aan iedereen uitgedeeld worden als een basisinkomen. Dit
basisinkomen is dan de economische waarde van het deel van de natuurlijke
voorzieningen waar een persoon onvoorwaardelijk recht op heeft.

Concreet kan men belastingen heffen op de volgende natuurlijke
voorzieningen.

1) Grond. Deze belasting zit verdoken in de onroerende voorheffing,
maar hier gaat het enkel over de grondwaarde van een stuk grond, zonder de
toegevoegde waarde die men bekomt door dat stuk grond te bewerken (er iets op
te telen, er een gebouw op zetten,…). De grondwaarde is de waarde als men een
stuk grond zou kopen of huren. Indien je gebruik maakt van weginfrastructuur,
eigen je ook een deel waardevolle grond op voor jouw vervoermiddel (bv. jouw
wagen). Een kilometerheffing en parkeerbelasting zijn dan ook vormen van
grondwaardebelasting. Een slimme kilometerheffing houdt bovendien rekening met
de plaatsafhankelijke waarde van infrastructuur. Sommige wegen zijn
waardevoller dan andere, zoals te zien aan bv. de hoeveelheid verkeer en files.

2) Brandstoffen. Dit zijn de accijnzen. Als je een
hoeveelheid fossiele brandstoffen gebruikt, kan iemand anders die niet meer
gebruiken, en moet je voor dat exclusieve gebruik dus aan de gemeenschap een
vergoeding betalen.

3) De verwerkingscapaciteit van CO2. Dit is een CO2-taks.
Door een hoeveelheid CO2 uit te stoten, eigen je een deel van de
CO2-verwerkingscapaciteit van de aarde toe. De uitgestoten CO2 moet opgenomen
worden door de atmosfeer, de oceanen of de bossen, en die opnamecapaciteit is
beperkt. Een CO2-taks is dan een huur die je betaald aan de gemeenschap voor het
toe-eigenen van dat deel van de verwerkingscapaciteit van de aarde.

4) Grondstoffen en mineralen. Voor de aankoop van goederen
moet men een vergoeding betalen omwille van het exclusieve bezit van
waardevolle grondstoffen in dat product. Zo zou een deel van de
verkeersbelasting of inschrijvingstaks van een wagen kunnen geïnterpreteerd
worden als een belasting op de waarde van grondstoffen in die wagen. Hetzelfde
geldt voor een deel van de onroerende voorheffing die bestaat uit de waarde van
grondstoffen in bv. gebouwen.

5) Het elektromagnetisch spectrum. Bij het versturen van
bijvoorbeeld een sms-bericht, eigent men zich een frequentie van het
elektromagnetisch spectrum toe voor een bepaalde tijd. Ook daarvoor kan men aan
de gemeenschap een huur betalen, want het elektromagnetisch spectrum behoort
zoals alle andere natuurlijke voorzieningen toe aan iedereen.

Naast natuurlijke voorzieningen en rijkdommen zijn er nog
andere belastingbronnen om een basisinkomen te financieren.

6) Rijkdommen gegenereerd door vorige generaties. Vorige
generaties hebben rijkdommen geproduceerd waar wij nu van profiteren. Een deel
van die rijkdommen kan naar de gemeenschap vloeien onder de vorm van een
basisinkomen. In het bijzonder gaat het om erfenisbelasting (successierechten)
en een vermogensbelasting. Iemand met een groot vermogen heeft dat vermogen
vaak niet zelf geproduceerd, maar gedeeltelijk geërfd van vorige generaties.
Een deel van die geërfde waarde behoort toe aan de gemeenschap, en daarom is
het gerechtvaardigd om een vermogensbelasting te heffen en uit te keren als
basisinkomen.

Als men al deze belastingen optelt en uitkeert als
basisinkomen, dan komt dat op hetzelfde neer als dat iedere persoon een even
groot deel van de natuurlijke rijkdommen en overgeërfde rijkdommen krijgt. Je
krijgt dus een stukje grond, een hoeveelheid brandstof, een aantal goederen die
gemaakt werden door vorige generaties, een hoeveelheid CO2-opnamecapaciteit en
een hoeveelheid grondstoffen (mineralen, water,…). In theorie is dat altijd
genoeg om van te leven, mits er geen overbevolking is (dus mits er voldoende
rijkdommen zijn voor iedereen) en mits je zelf werk verricht om van die
natuurlijke en overgeërfde rijkdommen iets nuttigs te maken. Dus je moet zelf
nog wat werk verrichten om in je behoeften te voldoen, want de natuurlijke
rijkdommen zijn nog onbewerkt (hebben nog geen toegevoegde waarde). De
overgeërfde rijkdommen (bv. machines en infrastructuur) maken dat werk al wel
een heel pak lichter.

Maar niet iedereen is in staat om te werken om de
natuurlijke rijkdommen te bewerken tot nuttige producten. Daarom is er nog
extra belasting en herverdeling nodig.

De sociale zekerheid

Sommige personen kunnen van een hoger beroepsinkomen
genieten dan anderen, omdat ze gezonder of meer getalenteerd zijn. Minder
gezonde en minder getalenteerde personen hebben er niet voor gekozen dat ze
minder goed in staat zijn om te werken en geld te verdienen, en op voorhand
weet men niet hoe getalenteerd en gezond men gaat zijn. De gezonde en
getalenteerde personen die van een hoger inkomen kunnen genieten, moeten dan
een deel van hun hogere inkomen afstaan uit solidariteit met diegenen die moeilijker
in staat zijn om een inkomen te verwerven.

Die solidariteit in de vorm van een sociale
zekerheidsbijdrage kan begrepen worden als een vorm van verzekering die je zou
aangaan als je niet weet wat je gezondheid en je talenten gaan zijn, zodat je niet
weet of je gemakkelijk werk zult vinden en of je vaak ziek gaat zijn of een
ongeluk gaat hebben waardoor je minder kunt werken. De werklozen en zieken
zitten in de laagste positie qua welzijn, omdat ze een lager beroepsinkomen
hebben. De sociale zekerheidsbijdrage is dan een verzekering voor als je in die
laagste positie zou terecht komen.

Het basisinkomen kan ook een deel van de pensioenuitkeringen
en kinderbijslag vervangen. Maar net zoals ziekte is ouderdom een vorm van
tegenslag die je verhindert om te werken en een hoger inkomen te verdienen. Met
de sociale zekerheidsbijdrage zouden diegenen met een hoog beroepsinkomen een
extra pensioenuitkering kunnen financieren, dat bovenop het basisinkomen komt.
Dit is een verzekering tegen ouderdom, of een vorm van pensioensparen.

Werkloosheidsuitkering

Naast het basisinkomen en een sociale zekerheid voor als men
door ziekte of ongeval niet kan werken, is er nog een werkloosheidsuitkering
mogelijk. Dat is enkel het geval als er sprake is van onvrijwillige
werkloosheid, dus indien de arbeidsmarkt niet in evenwicht is en de vraag naar
een job hoger is dan het aanbod, of meer concreet indien twee even capabele
personen dingen voor dezelfde goedbetaalde job. Net zoals natuurlijke
grondstoffen zijn ook jobs uitsluitbaar: als jij een goed betaalde job hebt,
kan iemand anders die job niet meer hebben. Je sluit dus die andere persoon uit.
Als die andere persoon die job wil en even capabel is als jij, zou je die
persoon een vergoeding moeten betalen voor je exclusieve bezit van die job. Net
zoals bij een grondwaarde is er dus een jobwaardebelasting mogelijk: een vorm
van huur of vergoeding die een jobbezitter moet betalen voor het exclusieve toe-eigenen
van een waardevolle job bij onvrijwillige werkloosheid. Die jobwaardebelasting
zit in de beroepsinkomstenbelasting (of in de bijdrage voor de sociale
zekerheid) en wordt enkel geheven bij onvrijwillige werkloosheid. Dat wil ook
zeggen dat personen die wel werk hebben maar eigenlijk een waardevollere job
willen en even capabel zijn als die jobbezitter, een vergoeding moeten krijgen.
Dus deze vergoeding is niet enkel voor de werklozen, maar ook voor werkenden
die een waardevollere job mogen en willen hebben.

Deze werkloosheidsuitkering en sociale zekerheid zijn een
goede aanvulling op het basisinkomen. Het basisinkomen is altijd vanzelf
financierbaar door belastingen op natuurlijke en overgeërfde rijkdommen. Een
jobwaardebelasting levert voldoende op voor een extra werkloosheidsuitkering
bij onvrijwillige werkloosheid. En de sociale zekerheid is een vorm van
onpartijdige verzekering bij tegenslag (ziekte of ongevallen) die arbeid
bemoeilijkt. Het basisinkomen is net zo hoog dat het niet kan aanzetten tot
luiheid, want men moet werk leveren om de onbewerkte grondstoffen te bewerken
tot iets waardevols. De werkenden moeten niet opdraaien voor de kosten van het
financieren van een basisinkomen, want het basisinkomen wordt niet gefinancierd
door een beroepsinkomstenbelasting. Vanuit de gelijkheidsgedachte is het
basisinkomen een basisrecht waar iedereen in gelijke mate aanspraak op kan
maken, want natuurlijke rijkdommen zijn van iedereen. Rijke mensen die veel
geld verdienen omdat ze hard werken, krijgen hetzelfde basisinkomen als alle
anderen.

Overheidsuitgaven voor publieke goederen en onderwijs

Naast het basisinkomen en uitkeringen van de sociale
zekerheid zijn er nog andere belangrijke overheidsuitgaven, zoals die voor
publieke goederen die niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn. Bij
dergelijke goederen hoeft het gebruik door de één niet ten koste van de ander
te gaan. Denk aan defensie, politie, justitie en wetenschappelijk onderzoek.
Hoe kunnen deze gefinancierd worden?

Het bewerken van natuurlijke grondstoffen tot nuttige
gebruiksgoederen voegt een waarde toe aan die grondstoffen: de toegevoegde
waarde. Die toegevoegde waarde is het gevolg van geleverde arbeid en
geïnvesteerd kapitaal. Maar publieke goederen dragen ook bij aan de toegevoegde
waarde. Publieke goederen zoals een goed rechtsapparaat beschermen toegevoegde
waarde, en wetenschappelijke ontdekkingen maken extra toegevoegde waardecreatie
mogelijk. Het creëren en verkopen van iets met toegevoegde waarde werd mee
mogelijk gemaakt door publieke goederen. De overheid heeft geïnvesteerd in
publieke goederen, onder andere door subsidies voor wetenschappelijk onderzoek,
en producten met toegevoegde waarden hebben een deel van hun toegevoegde waarde
te danken aan die publieke goederen.

Een belasting op toegevoegde waarde kan dus begrepen worden
als een vorm van vergoeding voor de overheidsinvesteringen in publieke goederen.
Hetzelfde geldt voor bv. onderwijs. Dankzij onderwijs zijn er voldoende
capabele personen die toegevoegde waarde kunnen creëren. Zonder goed onderwijs
was veel toegevoegde waarde niet tot stand gekomen, omdat er dan niemand in
staat was geweest om die toegevoegde waarde te creëren.

Naast een belasting op toegevoegde waarde zijn er nog andere
financieringsbronnen voor investeringen in publieke goederen en onderwijs.
Bedrijven profiteren ook van publieke goederen, dus een vennootschapsbelasting,
roerende voorheffing en een belasting van meerwaarde op bv. aandelen kunnen
geïnterpreteerd worden als vergoedingen voor de overheidsinvesteringen in
publieke goederen.

Sommige overheidsinvesteringen in bv. gezondheidszorg,
openbare domeinen of infrastructuur doen de waarde van grond toenemen. Een stuk
bouwgrond dicht bij goede rioleringen, openbaar vervoer, groenvoorzieningen
(bv. een goed onderhouden stadspark) en gezondheidsvoorzieningen krijgt door
die nabijgelegen voorzieningen een hogere waarde (wat bv. een hogere
verhuurprijs van de woning mogelijk maakt). Het belasten van de toename van de
grondwaarde kan de overheidsinvesteringen in die voorzieningen financieren
(volgens het Henry George theorema). Zo kan de aanleg van een nieuwe tramlijn
in de stad de huurprijzen van nabijgelegen appartementen verhogen. Die
toegenomen huurprijs kan belast worden, zodat de eigenaars van die
appartementen een vergoeding betalen voor de waardetoename van hun appartementen
door overheidsinvesteringen. Deze grondwaardebelasting zit momenteel verdoken
in de onroerende voorheffing, maar om goed te werken als grondwaardebelasting
zou het kadastraal inkomen herberekend moeten worden.

Investeringen in bv. wegeninfrastructuur (inclusief
onderhoudskosten door slijtage) kunnen ook gefinancierd worden door bv. een
kilometerheffing.

Overige overheidskosten

Ongezonde consumptiegewoontes (bv. vet eten en roken) kunnen
met accijnzen belast worden om de gezondheidskosten te dekken. En verder zijn
er nog producten die negatieve externe kosten genereren, zoals vervuiling door
giftige stoffen. Die giftige stoffen veroorzaken schade aan gezondheid en
biodiversiteit. Men kan dan die vervuiling belasten, als schadevergoeding. Dit
is een vorm van internaliseren van externe kosten. Zo kan de fijnstofuitstoot
van het wegverkeer belast worden door bv. een slimme kilometerheffing die
rekening houdt met het type wagen en de plaats van vervuiling.

Bepaalde vormen van financiële speculatie en financiële
activiteiten kunnen nefast zijn voor de economie, waardoor de overheid
gedwongen wordt om in te grijpen. Denk aan de reddingsoperaties (bail outs) van
banken tijdens de financiële crisis. Belastingen van bepaalde financiële
activiteiten en transacties (bv. een Tobin taks) gelden als schadevergoeding
voor die dure reddingsoperaties.

Op deze manier kan men op een natuurlijke of logische wijze
alle belangrijke vormen van overheidsuitgaven financieren met bepaalde
belastingen. Alle uitgaven zijn altijd te financieren, als men maar de juiste
dingen belast. Zo is een basisinkomen altijd te financieren door een belasting
op natuurlijke en overgeërfde rijkdommen. Samen met werkloosheidsuitkeringen en
sociale zekerheidsuitgaven kan men ervoor zorgen dat iedereen altijd voldoende
kan hebben om in basisbehoeften te voorzien (zolang er geen overbevolking is).
Iedereen, zelfs zieke werklozen, krijgen een inkomen, waardoor iedereen in
staat zou moeten zijn om consumptiebelastingen zoals een btw en een CO2-taks te
betalen.

Naast de sociale zekerheidsbijdragen en een
jobwaardebelasting worden beroepsinkomsten (arbeid) niet verder belast. In
vergelijking met het huidige systeem is er dan een belastingverschuiving:
minder belasting op arbeid en meer op natuurlijke rijkdommen. Dat levert vele
winsten
op.

take down
the paywall
steun ons nu!