De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Een schijndebat over het islamogauchisme

Een schijndebat over het islamogauchisme

zondag 6 juni 2021 20:50
Spread the love

Nathalie Heinich

 

De sociologe Nathalie Heinich werpt zich in de strijd tegen het zogenaamde islamogauchisme in Frankrijk. Zij publiceert een essay over “Wat het militantisme het wetenschappelijk onderzoek aandoet…”. Wat zijn haar argumenten? En waar hoort zij thuis in het Franse publieke debat?

 

Heinich (°1955) is vooral bekend als kunstsociologe, maar haar thematiek is ruimer dan dat. In Nederlandse vertaling verscheen van haar oeuvre, dat een veertigtal boeken omvat,  “Wat onze identiteit niet is” (2019). Zij schreef een thesis bij Pierre Bourdieu, wiens werk zij heel goed kent, maar distantieerde zich in verschillende opzichten van haar leermeester, zoals je kan lezen in “Pourquoi Bourdieu?” uit 2007. Een belangrijk punt in dat werk was al het militantisme van de wetenschapper Bourdieu, of algemener geformuleerd: de relatie tussen wetenschap en politiek. Zij vergeleek de Bourdieu die (samen met Jean-Claude Chamboredon en Jean-Claude Passeron) in 1968 “Le Métier de sociologue” publiceerde, met die van de “Interventions , 1961-2001, Science sociale & action politique” van 2002.

 

In het eerste boek tref je een hoofdstuk aan over “De bekoring van het profetisme”, met een fragment uit het werk van Max Weber, die kritiek geeft op professoren die in hun colleges een “wereldvisie” vertolken in plaats van zich te beperken tot de wetenschap. Zij mogen volgens Weber die visie wel hebben en verkondigen, maar buiten hun lessen, in de pers, in openbare bijeenkomsten, verenigingen of essays, net zoals andere burgers. Maar in het latere boek van Bourdieu zien we een geëngageerde, militante professor aan het werk, en dat stoort Nathalie Heinich.

Het zoveelste Observatoire

In een klein boekje van uitgeverij Gallimard, nu als e-boek, binnenkort ook in gedrukte vorm beschikbaar, herneemt zij die problematiek, maar nu in de context van het huidige debat in Frankrijk. Haar tekst verscheen in een eerdere versie online bij het Observatoire du décolonialisme et des idéologies identitaires onder de titel “La militantisation de la recherche, et ses ravages”.  ( http://decolonialisme.fr/?p=3077 )

 

Dat Observatoire werd in december 2020 opgericht en richtte zich tot de publieke opinie met een oproep in het weekblad Le Point, op 13 januari  2021. Dit “appel” werd ondertekend door 76 universitairen, waaronder Heinich, maar bijvoorbeeld ook Catherine Kintzler, Bernard Rougier, Pierre-André Taguieff, Shmuel Trigano… De website van het Observatoire geeft als volgt aan waar het om gaat: “Deze website is een observatorium, samengebracht om te strijden tegen de promotie van het antisemitisme, het seksisme en het racisme door de pseudowetenschap en voor de verdediging van de principes die afhankelijk zijn van de universiteit: de taal, de school en de laïciteit. De uitspraken van de auteurs zijn uitsluitend hun verantwoordelijkheid.”  (http://decolonialisme.fr/ )

 

Er zit een flink aandeel Joodse of half-Joodse auteurs bij de ondertekenaars van het “appel” (Nathalie Heinich is bijvoorbeeld dochter van een Joodse vader en een protestantse moeder) en het verbaast dan ook dat een van de eerste bijdragen op de website precies gaat over de Joodse wetenschapper Michel Wieviorka, hier eerder voorgesteld, die o.a. over antisemitisme publiceert en aandacht vraagt voor dat onderwerp, dat hij situeert binnen het algemenere begrip racisme. Wieviorka is een internationaal bekende en gerespecteerde wetenschapper met een indrukwekkende lijst van initiatieven en publicaties – valt hij onder de “pseudowetenschap” waar het observatoire zich op richt?  Hij wordt voorgesteld als de islamogauchist bij uitstek, terwijl hij met gauchisme niets te maken heeft, en met islamisme evenmin. Wat voor rare ruzies zijn dit?

 

Het stuk over Wieviorka op de website van het Observatoire is een soort recensie van zijn hier eerder besproken boek en het overlapt met de gore kritiek die op 3 mei 2021 verscheen in Marianne: https://www.marianne.net/agora/tribunes-libres/michel-wieviorka-nest-que-le-pompier-pyromane-de-lantiracisme . Van de 15 ondertekenaars van dat vuilspuitende proza zijn er 12 terug te vinden onder het appel van het Observatoire du décolonialisme. Waaronder Nathalie Heinich.

 

Een spilfiguur van dit Observatoire is ongetwijfeld de productieve en onvermoeibare polemist Pierre-André Taguieff, een houwdegen waar ik het nog eens apart over zal moeten hebben. Zijn recente boeken “L’imposture décoloniale. Science imaginaire et pseudo-antiracisme” van januari 2021 en “Liaisons dangereuses: Islamo-nazisme, islamo-gauchisme” van april 2021 passen perfect in de mediacampagne tegen het zogenaamde islamogauchisme die het Observatoire voert en leveren er materiaal voor.

Holle pretenties

Het Observatoire wil een databank aanbieden tegen de “belachelijke”  “dogmatische discoursen”. Het zegt:  “Laten we, om stevig weerwerk te bieden tegen de ideologische intimidaties die het obscurantisme voeden, het pluralisme en de smaak voor discussie op rationele basis verdedigen.” Maar als je gaat kijken hoe dat gebeurt, vind je van dat pluralisme niets terug en is de rationele basis van discussies ver zoek. Zo wordt Wieviorka o.a. verweten:

  • dat hij positief staat tegenover het multiculturalisme
  • dat hij het concept van “institutioneel racisme” verdedigd heeft
  • dat hij in 2006 het postkolonialisme verdedigd heeft
  • dat hij de thesis begeleid heeft van Nacira Guénif-Souilamas (militante die dicht bij de Parti des Indigènes de la République staat)
  • dat hij na de moorden op Joden door Merah verklaard heeft “Het antisemitisme is in Frankrijk vandaag minder aanwezig”
  • dat hij in 2014 in het beste geval naast de kwestie was inzake antisemitisme
  • dat hij een collectief werk heeft samengesteld, “Antiracistes”, 2017, waarin verkeerde ideeën staan over islamofobie e.d.

( http://decolonialisme.fr/?p=4877 )

Nog afgezien van de vraag of al deze aantijgingen kloppen (en of hun logica acceptabel is: wijst één antisemitische moordenaar op toenemend antisemitisme in Frankrijk? Betekent het begeleiden van een thesis dat je verantwoordelijk bent voor wat iemand later in het openbare leven gaat doen?) is dit een lijstje van taboes die het wetenschappelijk werk blokkeren. Waarom mag je niet positief staan tegenover multiculturalisme?  Wat is er mis met het (inmiddels goed onderbouwde) concept van institutioneel racisme? Waarom moet je a priori negatief staan tegenover het postkolonialisme? Waarom zou je het begrip islamofobie niet mogen gebruiken?

Precies op het gemeenschappelijke werkterrein van het Observatoire en van Michel Wieviorka, het antisemitisme, wordt deze laatste verweten naast de kwestie te zijn, zonder verdere argumenten. Nochtans is Wieviorka niet alleen een specialist op dat gebied, maar ook een zeer genuanceerd denker, zoals je kan vaststellen in het artikel dat het Observatoire aanhaalt als bewijs van zijn aberratie:

https://www.telerama.fr/idees/notre-systeme-politique-est-impermeable-a-l-antisemitisme-michel-wieviorka-sociologue,120651.php .

Het Observatoire, waarbinnen Nathalie Heinich zich situeert, blijkt een akelige gedachtenpolitie, die onder het motto van redelijkheid en pluralisme opereert, maar in feite personen sociaal en wetenschappelijk wil liquideren op basis van kromme redeneringen, misinterpretaties en geponeerde taboes. Een broeinest van onverdraagzaamheid en kwaadwilligheid. In alles het omgekeerde van een wetenschappelijk debat.

Heinich bokst tegen de sociologie als vechtsport

Maar nu terug naar Heinich en haar essay. Zij kant zich tegen de kritische sociologie à la Bourdieu, tegen de sociologie als “vechtsport”, zoals Bourdieu ze eens noemde, tegen wat zij ziet als de alliantie van het universitaire milieu en radicaal-links. Het is niet zo dat zij de zaken waarvoor gestreden wordt door de “académo-militants” a priori afwijst, maar de strijd daarrond hoort buiten de wetenschap te blijven. Zij zegt het zo: “het syndicale militantisme, zelfs politiek, is perfect toelaatbaar in de ontvangstruimtes en de gangen van de universiteiten. Maar eens voorbij de drempel van de aula’s, eens een artikel is ingediend bij een wetenschappelijk tijdschrift voor beoordeling vanuit de expertise van vakgenoten, moeten onderwijs en artikel zich losmaken van elke politieke of morele bedoeling om alleen maar kennisverwerving te beogen.”

Hiermee grijpt zij terug naar Max Webers concept van de waardevrijheid van de wetenschap, en zijn principe dat de wetenschappers zich moeten onthouden van elk politiek of moreel waardeoordeel tijdens de uitoefening van hun ambt. Over de kritiek op dat omstreden principe zwijgt zij. Het is natuurlijk zinvol wetenschappelijk spreken en politieke propaganda niet te vermengen en onderzoek niet te vervangen door slogans, maar precies in de sociologie is waardevrijheid allerminst realiseerbaar. Begrippen zoals racisme, islamofobie, extremisme, radicalisme, intersectionalisme, racialisering, communautarisme… zijn onmogelijk los te koppelen van een waardensysteem.

Heinich stelt de zaken wat al te simpel voor: “Degenen die koppig het verschil negeren tussen de wetenschap (‘2+2=4’) en de ideologie (‘de aarde is plat’) – hebben die werkelijk hun plaats aan de universiteit? En degenen die, betaald door de staat om kennis te produceren en over te dragen, dit privilege gebruiken om studenten te indoctrineren en slogans en gemeenplaatsen te verspreiden, doen die niet aan machtsmisbruik? ” (Hier duikt ook de suggestie op dat wie niet voldoet aan de normen van Heinich en het Observatoire maar beter kan worden ontslagen. Berufsverbot op komst…)

Kan een wetenschapper zich “feministische onderzoekster” noemen? Heinich spot daarmee. Maar waarom? Onderzoek naar vrouwendiscriminatie is uiteraard maatschappelijk nuttig, niemand zal dat tegenspreken. Maar het is duidelijk waardegebonden: het onderliggende uitgangspunt is dat vrouwen gelijke rechten en kansen moeten krijgen. Is dat fout? Vertrekt wetenschappelijk onderzoek niet vaak vanuit een maatschappelijke behoefte om wat als onrecht of wantoestand ervaren wordt door te lichten, en daarmee bij te dragen tot maatschappelijke verbetering? Dat laatste mag volgens Heinich geen doelstelling van de wetenschapper zijn, maar indirect is het dat zeker. En direct kan het ook: wetenschappers kunnen bijvoorbeeld het effect van campagnes of juridische maatregelen tegen vrouwendiscriminatie in kaart brengen – is dat fout?

Een kritiek op de wetenschap, maar zonder de wetenschap

Een centraal probleem dat ik heb met het betoog van Heinich is dat zij geen wetenschappelijke werken beschrijft die volgens haar minderwaardig of onaanvaardbaar zijn, en zegt waarom. Het blijft bij algemene indrukken die zij heeft over het academisch leven, zij moppert over de eentonigheid, het sloganeske, het repetitieve van de wetenschapsbeoefening, maar gaat niet op zoek naar het debat, de vernieuwing, de vooruitgang. Zij zit met een globale allergie voor de actuele sociologie, maar dat is haar probleem. Zij doet ook geen moeite om zich te verdiepen in wat haar mishaagt, en blijkt bijvoorbeeld helemaal niets te begrijpen van “systemisch racisme”.

Allicht zijn er excessen of ontsporingen te vinden in uitspraken van wetenschappers. Maar volgens Heinichs eigen uitgangspunt dat je alles in zijn context moet bekijken, is een of ander kras zinnetje in een tv-programma of op een manifestatie niet bijzonder interessant – wetenschappers zijn dan niet bezig met wetenschapsbeoefening, maar spreken als burgers met hun recht op een opinie. Vanuit zo’n zinnetje de wetenschappelijke productie van iemand afkeuren, is dus onzin – al kan zo’n zinnetje een aanzet zijn om eventuele problematische kanten van een wetenschappelijke publicatie te onderzoeken.

Een voorbeeld. Een angliste die zich “afrofeministe” noemt en les geeft aan de universiteit van Tours zegt op 28 juli 2019 op de televisie: “De blanke man kan niet antiracistisch zijn en in mijn ogen kan hij geen gelijk hebben tegenover iemand die zwart of Arabisch is. Hij kan dat niet hebben, dat is niet mogelijk. En daarvan zal Frankrijk zich rekenschap moeten geven.” Heinich, die dit aanhaalt (en ontleent aan Taguieffs jongste boek, “Liaisons dangereuses”) geeft toe dat dit niet in een universitaire context gezegd is, maar vindt dat de vraag mag gesteld worden wat vanuit die visie aan wetenschap geproduceerd wordt. Maar wat belet haar om dat na te gaan? En waarom wordt er niet ingegaan op de afgekeurde uitspraak: wat betekent die precies, en valt die onder (anti-blank) racisme?

Op het eerste gezicht lijken de geciteerde woorden schokkend, maar ze worden wel wat begrijpelijker in hun context. Ze gaan over de veelbesproken “réunions non mixtes”, bijeenkomsten van gekleurde mensen waarbij geen blanken aanwezig zijn. Als mensen die discriminatie en racisme op grond van hun huidskleur/herkomst ervaren daarover van gedachten willen wisselen, hebben ze daarbij geen personen nodig die tot de discriminerende groep behoren – die kunnen eerder hinderlijk zijn. Zij kunnen de ervaringen van de gekleurde mensen niet weerleggen, en staan buiten die ervaringen. Het is voor hen moeilijk of onmogelijk om buiten hun dominante positie te gaan staan, om werkelijk antiracistisch te zijn. Zo vertaald is de provocerende uitspraak misschien heel wat minder onbegrijpelijk, en niet meteen ingegeven door anti-blank racisme, al bestaat dat allicht wel.

Heinich vermeldt in een eindnoot de naam van de spreekster, Maboula Soumahoro, en haar bron. Taguieff (a.w. p. 89) schrijft: “Een van de fundamentele dogma’s van het dekoloniale pseudo-antiracisme is inderdaad de onmogelijkheid voor de ‘blanke man’ om ‘het antiracisme te incarneren’, zoals Maboula Soumahoro publiekelijk bevestigd heeft (…)” Soumahoro bedoelde dat incarneren heel letterlijk, je zou het kunnen vertalen met ‘aan den lijve ondervinden’, en dan is de uitspraak evident juist – zie het youtubefragment hier onderaan:

https://twitter.com/i/status/1388089295618154498

(zie ook, algemener:  https://www.youtube.com/watch?v=9mpwlHTMp7U )

Een gemiste kans

Nathalie Heinich zou de publieke opinie en ook de wetenschap een grote dienst bewezen hebben met een degelijke bewijsvoering over wat er misloopt in de Franse sociologische productie. Maar daarover vernemen we niets concreets, er wordt geen artikel of boek geanalyseerd, en er is evenmin een degelijke kritische bespreking van veelgebruikte termen die als islamogauchistisch worden bestempeld. Aan de oprispingen van Heinich over wat haar stoort, heb ik geen boodschap, bijvoorbeeld dat de activiste Houria Bouteldja ergens aan de universiteit werd uitgenodigd, of dat Soumahoro op de televisie een uitspraak gedaan heeft die haar niet zint. Aan het achterhaalde uitpakken met de waardenvrijheid à la Weber evenmin. En waar de ‘ravages’ zijn die het zogenaamde islamogauchisme veroorzaakt heeft, komen we van haar niet te weten.

 

Het censuurdenken waar Heinich blijk van geeft, is overigens in tegenspraak met de mentaliteit van Max Weber. Die opperde ooit de boutade dat je een anarchist tot hoogleraar staatsrecht zou moeten benoemen, want dat zou onvermoede perspectieven kunnen openen. (Zelf spande hij zich daadwerkelijk in om mensen met afwijkende visies in academische functies benoemd te krijgen.) Het adagium “du choc des idées jaillit la lumière” is aan een verlichte geest als Heinich niet besteed.

 

Zie ook:

https://aoc.media/opinion/2021/05/30/ce-que-nathalie-heinich-fait-a-la-methode-scientifique/

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!