Colloquium Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012

vrijdag 18 januari 2013 17:40
Spread the love

Op 6 december 2012 werd in Antwerpen het jaarlijkse Colloquium gehouden naar aanleiding van de nieuwste editie van het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting. Dit jaar was het thema ‘lokaal begonnen, half gewonnen’.

Het is het 21[ste] Jaarboek dat de groep OASeS van Universiteit Antwerpen publiceert. Het eerste zonder Jan Vrankens naam erop (hij is met emeritaat). Prof. Dr. Danielle Dierckx volgde Jan Vranken op. Het redactieteam van het Jaarboek bestaat dit jaar uit Danielle Dierckx, Stijn Oosterlynck, Jill Coene en An Van Haarlem.

Eerst kregen we een overzicht van de bevindingen in dit Jaarboek, door Jill Coene en Stijn Oosterlynck.

De Belgische armoededrempel werd in 2011 gelegd op 1.000 euro voor alleenstaanden, en 2.101 euro voor een gezin met 2 kinderen.

Er zijn een heel aantal categorieën mensen die een verhoogd armoederisico lopen (in Vlaanderen), zoals 65-plussers, alleenstaanden, eenoudergezinnen, koppels waarvan één partner ouder is dan 65, werklozen, gepensioneerden, laagopgeleiden, huurders,…

Armoede is (meer) geconcentreerd in de steden.

De economische crisis treft duidelijk ook Vlaanderen: het aantal niet-werkende werkzoekenden steeg op 3 jaar met 19,3%. Er waren in 2012 reeds meer faillissementen dan het recordjaar 2011. Huishoudens waar niemand werkt, stegen op 3 jaar tijd met 0,7%.

Activering blijkt maar nuttig voor 25% van de mensen in armoede in Vlaanderen. 31% van hen is aan het werk; 3% is gepensioneerd, 42% is inactief omwille van ziekte, handicap, studies of zorg voor kinderen. Bovendien is 48% laaggeschoold. En de jobs die ze hebben zijn niet altijd van goede kwaliteit of duurzaam. Bovendien maken een heel aantal jobs de combinatie werk-gezin niet mogelijk…

In 2010 waren 11% van alle Vlamingen multidimensioneel arm. Dit wordt afgewogen aan: de staat van de woning, het gebrek aan ruimte, moeilijk de eindjes aan elkaar knopen, geen grote aankopen kunnen doen, en zelfs geen kleine aankopen kunnen doen (46% van de armen, tegenover 3% van alle Vlamingen)…

Het Jaarboek onderzocht ook wat mensen minimaal nodig hebben om te kunnen participeren aan de gangbare leefpatronen in een samenleving.

Na de algemene cijfers, besteedt het Jaarboek in een tweede deel aandacht aan lokale armoedebestrijding en sociale innovatie.

In de jaren ’70 zagen we de opkomst van lokale initiatieven en beleid tegen armoede en sociale uitsluiting in de institutionele en ruimtelijke marges van de welvaartstaat. Dat wil zeggen: wijkgezondheidcentra, coöperatieven, stadslandbouw, sociale economie, kringloopeconomie, alternatieve munten,…

De maatschappij veranderde intussen: van passieve sociale bescherming naar activering, met een herschaling van het sociaal beleid, en met betrokkenheid van nieuwe actoren uit het middenveld.

Er kwamen nieuwe sociale risico’s en vormen van sociale uitsluiting, als gevolg van structurele veranderingen in de arbeidsmarkt, familie en migratie. Sociaal uitgeslotenen zijn een heterogene groep geworden, en hebben een meer geïndividualiseerde ervaring.

Wat zijn sociale innovaties: “innovaties die zowel in hun doelstelling als in de gebruikte middelen sociaal zijn”. Het Jaarboek besteedt aandacht aan een heel aantal concrete initiatieven.

Conclusies:

De rol van sociale innovatie is het vernieuwen van de welvaartstaat, zowel inhoudelijk als qua samenwerkingsverbanden.

De overheid en de privésector moeten die innovaties actief en duurzaam ondersteunen.

De innovaties moeten ingebed worden in de welvaartstaat (universele sociale rechten en herverdeling blijven immers essentieel).

Dan kreeg Prof. Dr. Maarten Loopmans (KULeuven, onderzoeksgroep sociale en economische geografie) het woord, over ‘Sociale innovatie onder druk?’.

Het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting wordt al 21 jaar gepubliceerd, maar er is nog geen verbetering in armoedecijfers. Dus is er nood aan nieuwe manieren om armoede aan te pakken. Maar is elke innovatie even zinvol, vraagt Loopmans zich af.

De meeste voorbeelden van sociale innovatie maken eigenlijk weinig verschil, stelt hij.

Als sociale innovaties verschil willen maken, moeten ze het als hun uitgangspunt maken om het systeem uit te dagen. Hij ‘gebruikt’ de antropoloog Karl Polyani die wetenschappelijk komaf maakte met het geloof dat de ‘onzichtbare hand’ alle problemen zal uit de wereld helpen. Hij deed dat met de empirische

vaststelling dat alle maatschappijen doorheen de geschiedenis eigenlijk een combinatie van systemen hanteerden om noodzakelijke goederen en diensten te laten circuleren binnen de maatschappij. Er bestaan systemen in allerlei vormen, maar Polanyi klasseert ze voor het gemak in drie verschillende types: marktruil, herverdeling en wederkerigheid. Het zijn drie verschillende vormen van uitwisseling, die elk hun eigen logica volgen. Polanyi laat in zijn historisch en antropologisch werk zien dat de verhoudingen tussen de verschillende systemen in elke maatschappij anders liggen, en dat deze bovendien kunnen verschuiven in de tijd. In de ene maatschappij gebeuren er meer transacties via wederkerigheid, in andere maatschappijen meer via de markt. Maar wat Polanyi ook beschrijft is hoe een dominante wijze van circulatie niet alleen een groter aandeel transacties reguleert, maar ook haar logica opdringt aan andere systemen. In het neoliberalisme, kort door de bocht, verlopen de meeste transacties via marktruil, en wordt de marktlogica ook opgedrongen aan wat er nog via de twee andere systemen verloopt… Als voorbeeld hiervoor verwijst Loopmans naar het feit dat ‘sociale netwerken en vertrouwen’ vandaag de dag ‘sociaal kapitaal’ worden genoemd: in plaats van een uitwisseling die in de eerste plaats gericht is op het onderhouden van sociale relaties, denk aan de cadeautjes die straks weer allemaal onder de kerstboom liggen waarvan men zal zeggen ‘tis het gebaar dat telt’, wordt wederkerigheid instrumenteel gemaakt voor marktuitwisseling, en wordt er geargumenteerd dat ‘hoe meer connecties je hebt, hoe beter je scoort op de markt’. Op het vlak van herverdeling gaan waarden als solidariteit en democratie zich moeten verdedigen tegen de marktgeoriënteerde zelfzuchtigheid van ‘wat ik erin steek wil ik er ook uit krijgen en liefst nog meer dan dat’. En wordt de welvaartstaat van een sociaal vangnet voor wie op de anarchistische markt buiten boord valt, tot een sociale hangmat voor wie op die markt al succesvol is…

Loopmans hier verder samenvatten is eigenlijk tekort doen aan wat hij bracht. Het is een aanrader om zijn tekst helemaal te lezen (zie bij www.oases.be);

In 3 debatten leidde Liesbeth Van Impe telkens een tweegesprek:

– Abdelatif Cherkaoui (van Al-Ikram vzw) met Chris Truyens (Samenlevingsopbouw Vlaanderen)

– Nele Hofman (OCMW Kortrijk) met Herman Peeters (ACW Gent)

– Ann Neels (OCMW Antwerpen) met Bert Boone (Bewust Mensgericht Ondernemen).

Ten slotte hield Ingrid Lieten, Vlaams Minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding een toespraak. Zij betoogde dat de overheid toch wel al een aantal stappen heeft ondernomen naar het verminderen van armoede… Ook in deze crisistijden.

Meer info steeds ook nog op www.oases.be.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!