Armoede: we moeten evolueren van ‘Hoeveel?’ naar ‘Waarom?’
Armoede, Ongelijkheid, Onderwijs, Poliargus, Vlaamse regering, Arbeidsverhoudingen, Structurele werkloosheid, Sociale uitkeringen, Sociale klasse, Sociale stratificatie, Jos Geysels -

Armoede: we moeten evolueren van ‘Hoeveel?’ naar ‘Waarom?’

maandag 27 juni 2011 14:10

De afgelopen dagen waren we getuige van een cijferoorlog over hoeveel armen er nu precies in Vlaanderen zijn. Aanleiding was een hoofdstuk in de jaarlijkse publicatie ‘De sociale staat in Vlaanderen’. Daarin stond dat volgens de Belgische armoederisicodrempel 10,0% van de Vlamingen een armoederisico heeft en volgens de Vlaamse armoederisicodrempel 12,8% van de Vlamingen.

Zo had de Vlaamse Regering het echter niet begrepen. Op basis van een ander deel in hetzelfde hoofdstuk concludeerde de Vlaamse regering, nogal kort door de bocht, dat “slecht 0,4% van de Vlamingen én een lage werkintensiteit kennen én sterk materieel gedepriveerd zijn én financieel een armoederisico hebben”.  De impliciete boodschap was dat minder dan 1% in Vlaanderen arm is. Hoera!

Uiteraard kon een reactie niet uitblijven. Jos Geysels legde als eerste de vinger op de wonde door te stellen dat de Vlaamse Regering creatief met de armoededefinitie omsprong om zo het aantal armen in Vlaanderen te doen dalen. De auteurs van het bewuste hoofdstuk distantieerden zich nadien uitdrukkelijk van de interpretatie en de armoededefinitie van de Vlaamse Regering (zie hier en hier).

Het probleem was dat de Regering het klassieke en algemeen aanvaarde armoedecriterium (minder hebben dan 60% van het mediaan beschikbaar inkomen in een land) aangevuld had met twee bijkomende criteria (leven in een huishouden waar zo goed als niemand werkt en het ontberen van een aantal cruciale goederen).

Er is op zich geen probleem met het gebruik van meerdere criteria om de sociaaleconomische positie van een persoon te beschrijven, maar de studiedienst van Vlaamse regering gaat nogal creatief om met de cijfers: enkel wanneer een persoon voldoet aan alle drie de criteria, is iemand arm. Zo komt men inderdaad aan 0,4%. De verwarring leek hiermee uitgeklaard. Voor alle duidelijkheid, ruim 10% van de Vlamingen is inkomensarm.

De ‘Waarom’-vraag

Bovenstaande cijferoorlog is echter exemplarisch voor een breder fenomeen in Vlaanderen. In het publieke discours en tot op zekere hoogte ook in het Vlaamse onderzoek heeft men voornamelijk oog voor het tellen van armen in Vlaanderen. Men kan momenteel precies beschrijven wie er arm is en wat het concreet betekent om arm te zijn. Deze informatie is zeker nuttig.

Maar een belangrijkere vraag wordt echter maar zelden gesteld: waarom zijn er überhaupt armen? Met andere woorden, men blijft te vaak steken in het beschrijven van de armoede en is te oppervlakkig over de dieperliggende oorzaken van armoede.

In de sociale wetenschappen zijn er twee perspectieven op sociale ongelijkheid en armoede mogelijk.  Enerzijds kan men beschrijven en rangschikken wat men ziet. De leden van een samenleving worden dan gerangschikt op basis van één of andere eigenschap: inkomen, onderwijsniveau, het prestige van het beroep, de mate waarin men aan het sociale en culturele leven deelneemt enz. Bovenstaande cijferoorlog kan voornamelijk in dit perspectief gesitueerd worden.

Anderzijds kan men sociaaleconomische ongelijkheid ook in relationele termen uitdrukken. Ongelijkheid is dan niet langer het meer of minder hebben van een bepaalde eigenschap, maar is ingebed in de sociale verhoudingen van een samenleving. Dat zijn de structurele oorzaken achter armoede en achterstelling. Mensen hebben minder kansen omdat anderen er meer hebben, en deze ongelijke machtsverhoudingen zijn structureel verankerd in de maatschappij.

Volgens dit perspectief moet men dus nagaan welke machtsverhoudingen in de samenleving precies armoede veroorzaken. Terwijl volgens het eerste perspectief armoede nog een accident de parcours kan zijn, is armoede volgens het tweede perspectief institutioneel ingebed. De relatieve persistentie van armoede in het rijke Vlaanderen lijkt alleszins een indicatie te zijn voor het bestaan van structurele oorzaken.

In het bewuste armoedehoofdstuk lezen we dat het al bij al nog meevalt met de materiële deprivatie in Vlaanderen: ‘slechts’ 2,2% van de Vlamingen kan niet beschikken over één of meerdere cruciale goederen (zoals het kunnen verwarmen van een huis, een GSM of telefoon kunnen kopen en het minstens om de twee dagen vlees/vis/kip kunnen eten).

Grotere problemen zijn de relatieve inkomensarmoede in Vlaanderen en het aantal mensen dat leeft in een gezin waar zo goed als niemand werkt. Hoe zouden deze problemen bekeken worden vanuit het tweede, relationele perspectief op sociale ongelijkheid? Op deze vraag zijn vele antwoorden mogelijk. Zonder de intentie te hebben om alle oorzaken op te sommen, raken we kort enkele cruciale zaken aan. We beperken ons hierbij op enkele uitsluitingsmechanismen op de arbeidsmarkt en het onderwijs.

Enkele relationele oorzaken van armoede

Allereerst moeten we wijzen op de persistente ongelijkheden in ons onderwijs. Het Vlaamse onderwijssysteem is verre van neutraal. Het reproduceert momenteel grotendeels de bestaande sociaaleconomische en etnische verhoudingen in ons land. Leerlingen uit de arbeidersklasse of van niet-Belgische origine worden vaak (onbewust) anders behandeld door leerkrachten dan de andere leerlingen. De leerstof is ook vaak op de blanke middenklasse gericht. Bovendien weerspiegelt en reproduceert het hiërarchische onderscheid tussen ASO, KSO, TSO en BSO sterk de klassenverhoudingen in onze maatschappij.

Daarnaast bestaat in Vlaanderen het probleem van structurele werkloosheid. Er zijn drie à vier keer zoveel werkzoekende werklozen dan openstaande vacatures (zie hier). Deze structurele werkloosheid kent veel oorzaken: de ‘mismatch’ op de Vlaamse arbeidsmarkt, de ongelijke gendernormen, het verdwijnen van jobs naar lageloonlanden… Het is belangrijk te onderkennen dat werkloosheid niet louter een individuele verantwoordelijkheid is, maar ook het gevolg is van de bredere maatschappelijke verhoudingen.

Tenslotte worden veel jobs in Vlaanderen gekenmerkt door ongelijke arbeidsverhoudingen. Werknemers en werkgevers hebben een ongelijke machtspositie om over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen. Deze ongelijkheid is groter tegen de achtergrond van structurele werkloosheid en zeker wanneer het laagopgeleide werknemers betreft. Het zijn deze ongelijke arbeidsverhoudingen die slechte arbeidsvoorwaarden tot gevolg hebben: contracten van bepaalde duur, lage en onstabiele inkomens, weinig carrièreperspectieven …

Veel personen die werken in dit type van jobs lopen het risico om arm te zijn of te worden. Het concept van de ‘werkende armen’ verwijst hier ook naar. Vooral voor alleenstaande ouders zijn laagbetaalde en onzekere jobs een structurele armoedeval. Eigen onderzoek toont bovendien aan dat mensen die tewerkgesteld zijn in dit soort jobs ook hun eigen kinderen minder kunnen helpen bij hun zoektocht naar een goede eerste job, met blijvende ongelijkheden tot gevolg. Het blind inzetten op activeren is bijgevolg geen succesformule. Armoede bestrijd je niet door mensen te activeren in laagbetaalde, precaire jobs.

Hoogte van de uitkeringen

Door de focus op de diepere relationele oorzaken van armoede, mogen we echter niet de kern van het probleem vergeten. Inkomensarmoede gaat over een tekort aan inkomen. De hoogte van de uitkeringen en sociale minima in België is gedurende de laatste decennia sterk ‘geërodeerd’ ten opzichte van de gestegen welvaart (zie hier). Gezinnen die enkel met een vervangingsinkomen moeten leven, geraken hierdoor sneller in de structurele armoede terecht. We moeten dan ook nadenken over mechanismen om de uitkeringen beter te koppelen aan de stijging van de welvaart. Een koppeling aan de gezondheidsindex is hiervoor onvoldoende.

Hogere uitkeringen kunnen bovendien ook leiden tot minder ongelijke machtsposities van werknemers op de arbeidsmarkt. Wanneer men kan terugvallen op een goed vervangingsinkomen dient men immers niet de eerste de beste job aan te nemen.

Besluit

Het is zeker niet onbelangrijk om te bepalen hoeveel armen er in een samenleving zijn en wie ze precies zijn. Het veranderen van de armoededefinitie zoals de Vlaamse Regering deed om het aantal armen in Vlaanderen te doen zakken is dan ook fundamenteel verkeerd. Het is de ogen sluiten voor een harde realiteit. De ‘Hoeveel’-vraag stellen is echter maar een eerste stap.

De vraag waarom er überhaupt armen zijn in onze maatschappij moet ook gesteld worden. Dat is een vraag die zowel moeilijker is om te beantwoorden, als om ze te stellen. Wijzen op of vragen naar relationele oorzaken van armoede komt neer op systeemkritiek. Deze diepere oorzaken van armoede bieden echter ook perspectief. Het is net omdat armoede structureel ingebed is en dus meer is dan een accident de parcours, dat we het kunnen bestrijden. Dat is uiteraard moeilijk, maar niet onmogelijk. Men kan beginnen met de uitkeringen en andere sociale minima welvaartsvast te maken. Op de lange termijn moet men echter de ongelijke verhoudingen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt  aanpakken.

Pieter-Paul Verhaeghe en Olivier Pintelon

Medewerkers van www.poliargus.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!