Bron: Wikimedia Commons / Public Domain
Bas Spliet

Syrie: oude voorwendselen, nieuwe sancties, nog steeds contraproductief

donderdag 2 juli 2020 14:11
Spread the love

 

De Verenigde Staten legde afgelopen week nieuwe sancties op het Syrische regime van Bashar al-Assad. Hoewel voorafgaande sancties van de VS en de Europese Unie handel met overheidsorganen en honderden bedrijven en individuen reeds penaliseren, beloven de nieuwe sancties de zwaarste in het bijna 10 jaar-oude conflict te worden. Omdat het “Assad vergast zijn eigen bevolking”-narratief op de helling is komen te staan, grepen Amerikaanse wetsmakers ter legitimatie een ontzagwekkend nieuwsverhaal aan dat meer dan zes jaar geleden de voorpagina haalde.

De Caesar Syrië Burgerbeschermingswet, dat in december 2019 onder de nationale defensiebegroting door beide kamers werd goedgekeurd, verwijst naar de zogenaamde ‘Caesar martelingsfoto’s’ die de marteling en dood op een “industriële schaal” van 11.000 gevangenen beweerden te ontmaskeren. Hoewel een diepgaandere analyse suggereert dat de misbruik- en martelingspraktijken van de Syrische overheid wellicht dichter bij de standaard in de regio liggen, waren Caesars onthullingen desalniettemin belangrijk in het blootleggen van de brutaliteit van het regime. Haviken in Washington hanteren ze nu om zogezegd “de massale slachting van het Syrische volk een halt toe te roepen”. In realiteit vertaalt een versterking van het sanctieregime zich in een verzwakking van de burgers die ze beweren te beschermen, met als gevolg dat Assad zijn greep op de macht net kan consolideren.

Oude voorwendselen

Bij wijze van quasi-natuurwet bombarderen groteske beschuldigen van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid aan het adres van de Syrische overheid doorgaans het publieke debat op strategische momenten in de oorlog. De Caesar martelingsfoto’s vormen daar geen uitzondering op. Het verhaal kwam aan het licht op 20 januari 2014, twee dagen voordat de Geneva II-vredesgesprekken onder de auspiciën van de Verenigde Naties aanvingen in Zwitserland. Twee jaar eerder werd de eerste Geneva-ronde beslecht met een akkoord over de noodzaak aan een overgangsregering opgemaakt uit leden van de oppositie en de huidige regering. Achteraf oogt zo’n overgangsregering misschien naïef omdat de oorlog na meer dan negen jaar een onafgebroken spoor van verwoesting heeft nagelaten, zodat een compromis haast ondenkbaar lijkt. Nochtans heeft deze formule gematigde successen geboekt in Tunesië en Egypte tijdens de Arabische Lente, alsook afgelopen jaar nog in Soedan.

Een vreedzame oplossing werd echter steeds moeilijker naarmate de burgeroorlog escaleerde, maar de dooddoener kwam wellicht in augustus 2013 toen de claim dat Assad chemische wapens had ingezet de wereldopinie voor de eerste keer zeer diep in de ban van afschuw hield. Gesterkt door de internationale verontwaardiging, beweerden de Amerikanen en hun bondgenoten dat onderhandelen met zo’n meedogenloze dictator uitgesloten was en begonnen ze Assads aftreden als voorwaarde voor machtstransitie voorop te stellen in de aanloop naar Geneva II. De publicatie van Caesars foto’s gooide nog meer olie op het vuur. Ahmad Jabra, de hoofdonderhandelaar van de oppositionele Syrische Nationale Coalitie, haalde de foto’s aan om Assads onmiddellijke aftreden te eisen. Langs zijn zijde bestempelde de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Walid Muallem staten die zich achter de gewapende oppositie plaatsten dan weer als “verraders.” Zoals te verwachten, boekten de vredesgesprekken geen resultaten en ging de oorlog onvermoeid door.

De propagandistische inzet van de onthullingen wordt meteen duidelijk als we even ingaan op de spelers achter het gordijn. De beelden belandden via oppositiegroepen gefinancierd door de Qataarse regering in de handen van diezelfde golfstaat, die vervolgens de publicatie organiseerde en betaalde. Aangezien Qatar, Saoedi-Arabië en Turkije actief samenzweerden om Assad omver te werpen sinds 2011 volgens de voormalige Qataarse eerste minister, kunnen we ervan uitgaan dat de Qataarse regering zeer begerig was om het onderste uit de kan van de bron te halen. Het verspilde dan ook geen tijd en nam meteen de in Londen gebaseerde rechtspraktijk Carter-Ruck aan om het bewijsmateriaal onder handen te nemen. Carter-Rucks drie interviews met Caesar en de opmaak én publicatie van het rapport voltrokken zich allemaal in de tijdspanne van een dikke week, net op tijd om het nieuws te halen op de vooravond van Geneva II.

Bovendien bevatte het legale team David M. Crane, een Amerikaan die een carrière bij het Defense Department en de Defense Intelligence Agency achter de rug had. Crane getuigde in 2013 voor het Amerikaanse parlement, waar hij opriep tot een Syrisch tribunaal voor oorlogsmisdaden dat “President Assad en zijn handlangers” samen met leden van de gewapende oppositie zou kunnen vervolgen. Kortom, zoals Dan Murphy destijds in Christian Science Monitor schreef, was het rapport bovenal “een goed-getimede propagandaoefening gesponsord door Qatar.”

Problematischer echter is het feit dat het rapport helemaal niet zo geloofwaardig is als het overkomt. Omwille van de zelfopgelegde tijdsrestricties kon het legale team slechts een tiende van de 55.000 foto’s bekijken en 835 lijken in detail analyseren. Daarvan vertoonde slechts een vijfde bewijs van mishandeling. Bovendien werden de foto’s pas in maart 2015 volledig vrijgegeven, lang nadat het gewenste effect was bewerkstelligd en de vredesgesprekken stuk waren gelopen.

Daarop volgde een diepgaander onderzoek van Human Rights Watch, dat van in het begin duidelijk maakte dat slechts de helft van de foto’s mensen toonden die in de handen van de overheid stierven. De andere helft besloeg dode regeringssoldaten en veiligheidstroepen die het leven lieten in de strijd of, niet onbelangrijk, in explosies, moorden, autobommen en andere terroristische aanvallen – een herinnering aan de gewelddadige natuur van sommige rebellenfacties.

Toch telde de oppositiegroep die alle foto’s uit de eerste categorie onder de loep nam 6.786 overleden personen met elk een eigen identificatienummer. Echter zijn deze niet allen doodgemartelde opposanten van het regime. Zoals Rick Sterling beargumenteerde in Consortium News, bevatten ze wellicht rebellen die door het leger werden gedood in de strijd, want sommige foto’s tonen ontbindende lijken die lijken te zijn opgepikt na het overlijden. Alles wijst erop dat Caesars taak er niet uit bestond om te bevestigen dat de “orders to kill” werden opgevolgd, zoals de firma Carter-Ruck beweerde, maar het documenteren van oorlogsdoden, inclusief maar niet beperkt tot politieke gevangenen die het leven lieten in de gevangenissen van het regime.

Deze nuance miskent natuurlijk niet de brutale waarheid dat Syriërs op willekeurige basis worden opgesloten zonder enige vorm van rechtspraak in onmenselijke toestanden, noch dat ze worden mishandeld, ondervoed, gemarteld en vermoord in de cellen van de politieke en militaire politiediensten. Human Rights Watch kon de identiteit van 27 overledenen, inclusief een 14-jarige jongen, verifiëren. Medische analyses en getuigenissen van 37 voormalige gevangenen vormen onbetwistbaar bewijs dat deze overledenen, en vermoedelijk nog vele anderen, stierven aan de gevolgen van erbarmelijke hygiënevoorzieningen, ondervoeding en/of marteling. Daarenboven had een ander Human Rights Watch-rapport uit 2012 de wijdverbreide praktijk van mishandeling en marteling door het regime van Assad reeds gedetailleerd blootgelegd.

Maar een ander rapport van de mensenrechtenorganisatie uit hetzelfde jaar documenteert de ontvoeringen, martelingen, buitengerechtelijke executies en andere vormen van terreur door de gewapende oppositie. Deze kant van het verhaal wordt steevast onderbelicht in de berichtgeving. Een filmpje van de Witte Helmen van een verwond jongentje in een oranje ambulance na een regeringsluchtaanval kan de wereld op zijn kop zetten, maar de onthoofding van een 19-jarige Palestijn door “gematigde rebellen” gesteund door het Westen, om maar één voorbeeld te nemen, wordt onder de mat geveegd.

Sterker nog, keer op keer laten de VN en Westerse media zich vangen door propaganda van de rebellen en beschuldigen ze valselijk het regime van gruwelijke misdaden die in feite door de rebellen zelf werden gepleegd, zoals bijvoorbeeld de afslachting van meer dan 100 pro-overheid burgers in Houla in 2012. Dezelfde hypocrisie geldt voor Westerse bondgenoten in de regio. Saoedi-Arabië executeerde een recordnummer van 184 gevangenen in 2019, en slechts twee maanden geleden overleed een journalist en activist in een Qataarse cel, waarschijnlijk aan de gevolgen van marteling.

Tenslotte mogen we de martelpraktijken van de Amerikanen zelf ook niet vergeten. Op z’n minst 108 gevangen kwamen om in Amerikaanse gevangenissen in Irak en Afghanistan in de nasleep van de invasie van beide landen, om nog maar te zwijgen over de wanpraktijken in Guantánamo, de wereldwijde “black sites” van de CIA en het “extraordinary rendition”-programma waarin (vaak onschuldige) terreurverdachten worden verscheept naar de politieke gevangenissen van Amerikaanse bondgenoten om er gemarteld te worden. De ultieme ironie: voor de burgeroorlog was Syrië onderdeel van dit uitbestedingsprogramma.

Met de problematische omgang van het bewijs in het achterhoofd, kunnen we ons afvragen waarom Amerikaanse haviken net dit zes-jaar-oude nieuwsitem besloten te hanteren dat de meeste mensen al lang zijn vergeten. Waarom niet het emotioneel-evocatieve thema van Assads vermeende gebruik van chemische wapens tussen 2013 en 2018?

Deze claim zit voor zelfs de meest ongeïnteresseerde nieuwsconsumenten wellicht nog vers in het geheugen. Hoe kan het ook anders, want elke nieuwe vermeende gasaanval veroorzaakte een internationale storm van kritiek waarin de Syrische president werd afgeschilderd als een onmenselijk monster – of een “beest,” zoals Donald Trump hem noemde.

In een eerder artikel gepubliceerd op De Wereld Morgen legde ik echter uit dat verschillende klokkenluiders van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens dit narratief aan flarden hebben geschoten, althans wat betreft de meest recente vermeende gasaanval in 2018. Het feit dat de media en politici deze verbijsterende onthullingen volledig negeren, maakt duidelijk dat zij die de nieuwe en bestaande sancties gedogen niet geïnteresseerd zijn in de waarheid, laat staan in het welzijn van Syrische burgers.

Nieuwe sancties

Sancties zijn economische oorlogsinstrumenten die azen op politieke verandering in het doelwitland. Een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde aan de LA Times dat de nieuwe sancties de ijdele hoop van Trumps administratie herbergen dat hernieuwde onrust tot de omverwerping van de Syrische president zou leiden. The Guardian, altijd bereid om het voortouw te nemen in het schandaliseren van het regime, wees reeds op protesten in de zuiderse provinciale stad Suwayda om een beeld te schetsen dat kritiek op het economisch beleid van het regime gelijk stelt aan oproep tot regimewissel.

Dareen Khalifa van de International Crisis Group vertelde de LA Times echter dat vele Syriërs, inclusief loyalisten, gefrustreerd zijn met Assad, maar dat betekent niet automatisch dat ze zijn heerschappij willen omverwerpen – laat staan ertoe in staat zijn. De Syrische economist Aref Dalila ging daarmee akkoord: “Wanneer je deze mensen verzwakt, verzwak je hun mogelijkheid om verandering te verwezenlijken.”

De nieuwe sancties kunnen bovendien moeilijk op een slechter moment komen – en dat is met het feit dat de oorlog al bijna een decennium aansleept in het achterhoofd. Sinds het begin van 2020 is de Syrische economie in vrije val als gevolg van een combinatie van corruptie, slecht beleid van de centrale bank, de economische gevolgen van het coronavirus en de financiële chaos in Libanon.

De bestaande EU- en VS-sancties, astronomische defensie-uitgaven en andere economische neveneffecten van de oorlog leidden reeds tot een 600-voudige inflatie van de Syrische pond ten aanzien van de Amerikaanse dollar sinds 2011. Op de zwarte markt is die wisselkoers nu opgelopen tot 3.500 Syrische pond per dollar, komende van 700 in het begin van het jaar. De geleidelijke diplomatieke normalisatie en buitenlandse investeringen die het land stukje bij beetje begonnen binnen te stromen zouden de economische crisis kunnen verzachten en heropbouw en groei kunnen stimuleren nu dat het ergste van de oorlog voorbij lijkt.

De Amerikaanse regering denkt er echter anders over, en met deze nieuwe, zware sancties zullen ze ongetwijfeld de crisis ettele malen verergeren. Hoewel Washington beweert dat de sancties enkel Assad en zijn steunpillaren treffen, is het moeilijk om ze niet te zien voor wat de Syrische overheid ze noemt – “economisch terrorisme.” Volgens Reuters geven deze sancties Trump namelijk de macht om de tegoeden te bevriezen van iedereen op de planeet – ongeacht zijn of haar nationaliteit – die handeldrijft met Syrië. Daarnaast zijn ze toepasbaar op meer sectoren dan de oude sancties, inclusief de cruciale bouw- en energiesectoren, en penaliseren ze Russische en Iraanse entiteiten in Syrië.

Deze wijde applicaties kunnen enkel de economie verder verzwakken. Neem bijvoorbeeld de bouwsector. In feite penaliseren de nieuwe sancties buitenlandse investeerders die gretig een deel van de taart zouden willen opeisen in de reconstructie van het door de oorlog verwoeste land. Een internationaal sanctie-expert vertelde aan de LA Times dat uitzonderingen voor humanitaire doeleinden opgenomen in de wettekst daar niets aan veranderen.

“Het probleem is niet zozeer onmiddellijke levensreddende hulp of voedselprogramma’s maar eerder zaken zoals het heropbouwen van scholen en huizen, deze connecteren aan het publieke watersysteem; velden waarin er onvermijdelijk een aspect is weggelegd voor de overheid”, legde Justine Walker uit. “Wanneer je op het punt komt dat sancties zo breed zijn dat het bijvoorbeeld zeer moeilijk wordt om olijven of andere lokale goederen uit Syrië te kopen, dan heeft dat een duidelijke impact op de lokale markt.”

In socialistische economieën zoals Syrië, waar de overheid praktisch overal een vinger in de pap heeft, treffen sancties uiteindelijk de hele bevolking. Ondanks dat medicijnen bijvoorbeeld grotendeels uitgesloten zijn van de Amerikaanse en Europese sancties berichtte Reuters in 2017 dat ze resulteerden in een tekort aan medicijnen tegen kanker. Kortom, doelgerichte sancties zijn een mythe – zeker wanneer de sancties zo’n brede toepassing beslagen.

Nog steeds contraproductief

Misschien het meest cruciale gevolg is het weren van buurlanden geallieerd aan de Verenigde Staten. Ondanks haar eigen rollercoastereconomie is Libanon sterk verweven met Syrië en wenden Syrische ondernemers vaak Libanese banken aan om hun fondsen intact te houden. Libanon en Jordanië, maar evengoed de Verenigde Arabische Emiraten, dat in recente jaren haar banden met Damascus normaliseerde, worden nu ontmoedigd om het land te helpen heropbouwen. Dat betekent dat de meeste reconstructiecontracten naar Washingtons vijanden, zoals China, Rusland en Iran, zullen gaan. Dit zal de tweespalt in de regio tussen twee regionale blokken die elkaar economisch, politiek en ideologisch bevechten alleen maar in de hand werken.

Net zoals in de decennia voor Wereldoorlog I of tijdens de Koude Oorlog zal hierdoor het gevaar van militaire confrontatie alleen maar toenemen. In het slechtste geval kunnen wereldmachten meegesleurd worden in een militaire confrontatie en kan het een globale oorlog ontketenen. Hasan Nasrallah, de secretaris-generaal van het aan Iran- en Syrië-gelieerde Libanese Hezbollah, heeft reeds dreigend geëist dat de Libanese regering de Caesar Act niet mag toepassen. De regionale “as van weerstand” is standvastig, zo verzekerde hij steevast, “zij die ons in de optie tussen doden met onze wapens en verhongeren dwingen, zullen we doden.”

Dit is geen triviaal punt, want het biedt een blik in het hart van de drogreden: sancties zijn contraproductief. Een onderzoek van alle moderne sancties tot 1994 toont aan dat een povere 5 procent succesvol was in het forceren van politieke verandering. In de overgrote meerderheid van de gevallen werken sancties niet. Sterker nog, ze hebben doorgaans een averechts effect, want ze verzwakken de mensen die het beleid juist wenst te beschermen en drijft ze in de armen van de autoriteiten.

Robert Pape, de auteur van het onderzoek, legt uit dat “zelfs in de zwakste en meest gebroken staten buitenlandse druk de legitimiteit van de heersers eerder versterkt dan ondermijnt.” Hij vermeldt Irak als voorbeeld. In de jaren 1990 legde de VN en de VS extreem zware sancties op Saddam Hoesseins regime dat 48 procent van Iraks GNP elimineerde. Volgens VN-schattingen stierven meer dan een half miljoen kinderen jonger dan vijf jaar aan de gevolgen van de sancties. Hoewel de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright de beruchte opmerking maakte dat die “prijs het waard is”, ging het regime niet ten onder. Enkel een illegale en extreem verwoestende invasie in 2003 sloeg erin Hoessein van de macht te drijven.

Een gelijkaardige conclusie dringt zich op in verband met het Syrische debacle. Het interventionisme van NAVO-landen en hun regionale bondgenoten hebben Syriërs in twee strijdende kampen gedwongen. Oftewel sta je aan de zijde van de hardcore Islamistische opstandelingen gestut met wapens, geld, training en politieke ondersteuning door Turkije, Jordanië, de Golfstaten, de NAVO en Israël; of je staat aan de zijde van de overheid en haar bondgenoten Hezbollah, Iran en Rusland.

Een Syrisch meisje woonachtig in Damascus vertelde me eens in Beiroet waarom ze weigerachtig en met tegenzin in het laatste hokje paste. Haar vader was omwille van zijn politieke opvattingen in het verleden gemarteld door het regime, maar als groepen gelieerd of vergelijkbaar aan al-Qaeda de hoofdstad innamen, dan zou het leven onmenselijk worden.

Ikzelf heb in 2018 getuigenissen afgenomen van het leven onder de “gematigde rebellen” in Oost-Ghouta, een buitenwijk aan de poorten van Damascus, en de gruwelijke verhalen die ik hoorde maken het niet moeilijk dat punt te begrijpen. Syriërs die de ultrafijne lijn proberen te bewandelen tussen de twee kampen – de middenklassen die echte, duurzame verandering kunnen verwezenlijken – staan steevast aan de zijlijn. De nieuwe sancties zullen hun uitsluiting alleen maar op de spits drijven.

Vorige week zondag betoogden een groep Syriërs-Amerikanen in Allentown, Pennsylvania. “Wanneer je de economie van een land tracht te vernietigen, raakt het haar volk”, legde een demonstrant uit. “Het is een contradictie als het hoofddoel van de Caesar Act het beschermen van burgers is. Het is ons thuisland, en het zien ineenstorten is rampzalig. We kunnen niet toekijken en niets doen.”

 

Bas Spliet is een masterstudent Geschiedenis en Arabistiek aan de Universiteit Gent, waar hij de antinucleaire beweging van de vroege jaren 1980 bestudeert. Hij is vaardig in het Arabisch, reisde naar Syrië in 2018 en woonde in Cairo in 2019. Hij hoopt onderzoeksjournalist te worden na afloop van zijn studies. Contacteer hem op bas.spliet@protonmail.com of volg hem op Twitter via @BSpliet.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!