Essay - Johanna Brankaer

Aanzetten tot Utopia

Het is dit jaar precies 500 jaar geleden dat Thomas More zijn Utopia publiceerde in Leuven. De K.U.Leuven organiseerde naar aanleiding van deze verjaardag een schrijfwedstrijd voor studenten, die uitgenodigd werden hun eigen utopie creatief te verwoorden. Een interdisciplinaire jury, met o.a. David Van Reybrouck, Annelies Beck en Kristien Bonneure, heeft deze tekst samen met drie andere inzendingen bekroond.

donderdag 1 december 2016 15:09

Si tu traces une route, attention, tu auras du mal à revenir à l’étendue.

Henri Michaux

Caveat. De verbeelding is oneindig weids, dijt naar alle kanten uit. Eindeloze vrijheid. Als je het verbeelde moet vertalen, sluipt de noodzaak erin: de opeenvolging van woorden en zinnen volgt logica, volgt grammatica, wordt tot gedachtegang. Wat weids was, wordt verengd tot wat mogelijk is, wat logisch is en coherent. Overgangen worden gekozen, gedachten omheind, een deel van het verbeelde valt buiten het gezegde. Iets verwoorden is als het uittekenen van een pad door de verbeelding. Je maakt haar toegankelijk, maar je perkt haar ook in. Utopia is verbeelding, spreken over Utopia is een weg trekken door die verbeelding, ook een wegtrekken uit die verbeelding – want de oneindige weidsheid die haar zo eigen is, die gaat teloor. Daarom dit caveat: Utopia is altijd méér dan wat erover gezegd kan worden. Vandaar hier slechts enkele aanzetten tot Utopia, enkele stenen in het landschap, waarover gelopen kan worden, maar die ook weer door de verbeelding kunnen worden overwoekerd.

Unzeitgemäßheit. Utopia is oorspronkelijk ruimtelijk gedacht. Toch kan ik de verleiding niet weerstaan deze niet-plaats, die daardoor ook een goede plaats zijn kan, in haar verhouding tot de tijd te denken. Is de plaats niet een voor de hand liggende metafoor voor de minder grijpbare tijd?

Men neemt gemakkelijk aan dat de tijd van Utopia de toekomst is: aangezien verleden en heden door onvolmaaktheid zijn aangetast, blijft alleen zij over voor het realiseren van een betere wereld. De gouden eeuwen van de oorsprong behoren tot de mythologische tijd, die de geschiedenis voorafgaat. Wat wij als verleden beleven, is reeds getekend door val en verval. Het heden toont zich ongesluierd, ontdaan van mysterie, nauwelijks tot verleiden in staat. Toch kan ook de toekomst, hoeveel ingrijpende revoluties ons ook van haar scheiden, Utopia geen toevlucht bieden. Net zoals het geen plaats heeft, heeft het ook wezenlijk geen tijd – of het zou die van de eschatologie moeten zijn, die reeds opheffing is van de tijd.

Meer nog dan een niet-plaats is Utopia een niet-tijd. Utopia is Unzeitgemäßheit: het niet in overeenstemming zijn met de tijd, niet aangepast zijn aan de tijd, de tijd niet aangemeten zijn. Utopia is niet hip of eigentijds, het behoort altijd tot een andere tijd, een tijd die niet is. Als de tijd een stroom is die van verleden naar toekomst vloeit, dan is Utopia een steentje op de bodem, de libel die haast onbeweeglijk boven het wateroppervlak lijkt te hangen, de wortel van een boom, die wat grond vasthoudt en de stroom haast onmerkbaar ombuigt. Utopia is daar waar de tijd weerstand geboden wordt, is dat wat zich aan de sleur van de stroom lijkt te onttrekken – even, alleen waarneembaar voor wie de aandacht heeft.

Net als de eschatologie doorbreekt Utopia de horizontaliteit van de tijd in een verticale beweging. Het brengt iets van buiten de tijd in de tijd. Het breekt door in de tijd, doorbreekt de tijd, maar altijd als teken van iets wat fundamenteel buiten de tijd ligt. Utopia is nooit actueel. Wanneer Utopia samenvalt met de tijd, houdt het op Utopia te zijn. Dan verwordt het tot totalitarisme – politiek, moreel, relationeel. Utopia is een goede tijd, omdat het een niet-tijd is.

Muze,

Breng mij naar de tijd die nooit is geweest.

Dat de gevleugelde liefdesgod mij leiden mag

Bij het zoete verkennen van het ongedachte,

Van de kronkelwegen van de geest.

Ik weet: het is de liefde die het denken stuwt,

Die me aan het onbekende, het andere blootstelt,

Die schillen van vooroordelen van me afpelt,

Me van klaarte naar klaarte door wouden duwt.

Want het is de liefde die doet ontdekken

Wat schittert van volle mogelijkheid

Los van de ruimte, los van de tijd,

Zich aan de reine rede pleegt te onttrekken.

Van de verbeelding is liefde de god,

Van bedachtzame aandacht, de zangen

Van de dichter, het onuitsprekelijke verlangen

Medeschepper te zijn van zijn lot.

Noodzaak. De meest utopische trek van Utopia moet wel de afwezigheid van noodzaak zijn. Die afwezigheid kan moeilijk absoluut gedacht worden zonder tegelijk een beeld van chaos op te roepen. Sommige vormen van noodzaak kunnen uiteraard niet uitgeschakeld worden: ook in Utopia zijn de wetten van de fysica van kracht, ook in Utopia heeft een mens voedsel en slaap nodig. Ook in Utopia zijn er ongetwijfeld instituten nodig die, om de maatschappij vorm te geven, een zekere mate van dwang over de burgers uitoefenen. Als die instellingen op doorzichtige wijze die burgers vertegenwoordigen, beperken zij weliswaar de vrijheid van deze laatsten zonder echter tot bron van onvrijheid te worden.

Afwezigheid van noodzaak moet allicht bescheidener gedacht worden als de afwezigheid van die noodzaak die samenhangt met een heersende ideologie, die zich als afwezigheid van ideologie voordoet. De noodzaak een verantwoord “ondernemer van het zelf” te zijn, de noodzaak bij te dragen aan de (zeer eng gedefinieerde) economische productiviteit en daaraan andere vormen van productiviteit op te offeren, de noodzaak je te conformeren, je de ideologie eigen te maken die verpakt is als de opheffing van iedere ideologie. De noodzaak je “actieve” jaren in een beperkt spectrum van activiteit door te brengen. De noodzaak van brood op de plank, opoffering, geen lusten zonder lasten.

Utopia is niet één bepaald politiek systeem eerder dan een ander, maar als het echt utopisch wil zijn, legt het ook niet één economische logica op die het grootste deel van de bevolking veroordeelt tot onvrijheid in ruil voor bestaansmiddelen. De noodzaak van deze logica wordt in Utopia opgeheven. Eerder dan nog het marxistische ideaal van zelfontplooiing – niet het verwerven van competenties die betere investeringen van het zelf mogelijk maken, maar zelfverwezenlijking in een niet-kapitalistische zin. Het zelf is geen kapitaal – dat je belegt, investeert, tracht te vermenigvuldigen. Het zelf is een bron waaruit je kunt (blijven) putten, waaraan je contacten kan laven, waaruit je verbeelding voortvloeit. Het zelf is niet iets wat we voorbehouden voor nuttige investeringen, het is iets wat we delen, omdat we het in overvloed hebben, iets wat we niet bang in kluizen opslaan, jaloers aan zakenbankiers toevertrouwen.

In Utopia ben je niet aangewezen op economische activiteit in de enge zin voor je bestaansmiddelen: je kunt er voor een kind of ouder zorgen, een berg beklimmen, vluchtelingen wegwijs maken, een boek schrijven of, als daarin je vervulling ligt, een hele dag voor de TV hangen, zonder je zorgen te maken om je naakte overleven.

De heremiet staat op de verkeerde oever,

Weet de gelukzaligen aan de overkant,

Zie: de bomen plooien zich naar zijn droefenis

En tillen hem naar het verlangde strand.

De utopische mens. De utopische mens leeft misschien wel in elke mens, als potentie die al dan niet gevoed wordt, die al dan niet tot bloei komt, als zijnsmogelijkheid. Het is wat de gnostici de lichtvonk in de ziel zouden noemen. Misschien is het wel gewoon de ziel, het feit een ziel te hebben. Is de ziel niet van nature licht – al heeft zij dan haar goddelijke vleugels verloren in de zwaarte van het lichaam? De utopische mens is de vleugelloze ziel, de ziel die naar het verhevene terugverlangt, maar die ook beginsel is van het lichaam. Dit: in een lichaam te zijn, een lichaam te zijn en tegelijk ook méér dan dat te zijn, is dat niet de bestaansvoorwaarde voor de utopische mens? Materie te zijn – maar ook vorm? Is dit niet de essentie van het mens-zijn? Kan de utopische mens dan iets anders zijn dan de allermenselijkste mens?

De utopische mens is geen god, zelfs geen halfgod. Hij staat niet boven de mensen, maar tussen hen, mét hen. Toch is hij niet werelds. Zijn wijsheid doet hem als een dwaas voorkomen in de ogen van de wereld. Zijn wijsheid bestaat net daarin dat hij dwaas is, dwars is, wars is van wat gewoonte, mode, gezond verstand voorschrijven. Net als bij Sokrates, schuilt zijn sublieme wijsheid in zijn onwetendheid, of beter: zijn weten omtrent zijn onwetendheid. De utopische mens is niet diegene die beter weet, het is diegene die niet weet, weet dat hij niet weet: tenminste dit weet, en dit weten verheft hem boven elk betweten. De wijsheid van de utopische mens is pretentieloos. Hij gebruikt haar niet als wapen om anderen klein te krijgen, ook niet als schild om zichzelf te beschermen.

Paideia. In Utopia is er geen nood om jongeren burgerzin bij te brengen of een besef van wat “onze waarden” zijn. Scholing dient er niet om mensen toe te laten zich zo perfect mogelijk in de maatschappij te integreren en productief te zijn voor het algemene goed. Leren is er in de eerste plaats leren denken. Er worden misschien wat uurtjes afgeknibbeld van wiskunde en technologie ten gunste van vakken als filosofie en geschiedenis (in Utopia kun je in plaats van 8 uur wiskunde ook 4 uur geschiedenis kiezen). In de taalvakken wordt niet enkel gecommuniceerd, maar ook gelezen. Wankele redeneringen en leugens worden er doorprikt, ideologieën als dusdanig voorgesteld, coherentie en intellectuele eerlijkheid zijn te verwerven “vaardigheden” – misschien op het eerste zicht niet zo belangrijk voor de economie, maar des te meer voor burgerschap. We leren de jongeren niet wat ze moeten denken om een plaats te mogen opeisen in de samenleving, maar hoe juist te denken.

Het voorbeeld bij uitstek voor deze paideia is de socratische methode. Sokrates legde de onwetendheid van wie dacht alles te weten, onverbiddelijk bloot – uitgaande van zijn eigen onwetendheid. Want: dit te weten – dat je iets niet weet – is misschien de meest fundamentele kennis waarop alle kennis (beperkt en relatief als ze is) voortbouwt. Dit: te ontdekken dat wie beweert te weten, niet noodzakelijk waarheid verkondigt, maakt mensen weerbaar, maakt dat ze niet zullen zwichten voor welk fundamentalisme, welk totalitarisme ook.

Toen de term “intellectueel” ten tijde van de Dreyfusaffaire ingang vond, was die als scheldwoord bedoeld. Later hebben intellectuelen deze titel met trots als geuzennaam gedragen. Nu overheerst in gangbare taal weer de negatieve connotatie van wereldvreemdheid, naïviteit en misplaatste politieke correctheid. In Utopia zijn intellectuelen gewaardeerde burgers, zelfs wanneer zij wel eens subsidies durven te slurpen (in Utopia heten subsidies voor bedrijven ook gewoon subsidies en daarmee staan zij op dezelfde voet als potverteerders en kunstenaars).

Natuurlijk is in Utopia niet iedereen intellectueel. Er zullen ongetwijfeld een heleboel mensen rondlopen die na hun schooljaren geen boek meer openslaan, misschien zelfs geen krant en dat is helemaal niet erg. Maar als zij naar het zevenuurjournaal kijken, zullen ze wel journalisten zien die relevante topics weten te selecteren, die de juiste vragen durven te stellen, die kromme redeneringen blootleggen. Die voldoende kennis hebben om niet het slachtoffer te worden van wie zich machtig bluft. Als journalisten bereid zijn leugens te doorprikken, dan verliezen zij die het hardst liegen, hun voordeel.

Het eiland geeft gelukzaligen eten en drinken,

Overvloed van licht en warmte en vruchten,

Zeeën van tijd om in verhalen te verzinken,

Hoe ze een ramp konden ontvluchten.

Dit gedeelde besef gered te zijn,

Opzijgezet voor een uitzonderlijk lot,

Niet door de koers van de wereld beknot,

Maar werkelijk vrij van dwang en pijn,

in leven nog en toch reeds verlost

Van het duistere, woelige, feilbare,

Toch geborgen in de grot van het tastbare,

Laat hun honger stillen zonder kost.

Arbeiders van het elfde uur. In Utopia heerst de paradoxale rechtvaardigheid van de parabel van de arbeiders van het elfde uur. Deze rechtvaardigheid is contra-intuïtief, omdat ze geen vergelijkende rechtvaardigheid is. Ieder doet wat hij wil en kan en krijgt daarvoor waar hij genoegen mee neemt. De één houdt de ander daarbij niet jaloers in de gaten: bang dat hij evenveel krijgt en minder doet, iets minder moeilijks doet, iets minderwaardigs doet. Deze rechtvaardigheid is alleen mogelijk in een samenleving die zich niet naar meritocratische normen plooit. Hier geen zelfvoldane mensen die, vanuit het comfort van hun eigen slagen, diegenen die het minder goed gaat, veroordelen. Geen heerschappij van de vermeende verdienste – die zich uiteraard alleen post facto bij hen manifesteert die bovenaan de ladder zijn geraakt. In Utopia bestaat geluk, bestaat pech (en bestaan uiteraard ook een heleboel persoonsgebonden elementen, die echter niet van elk determinisme gespeend zijn) – voor het eerste word je er echter niet nog eens extra beloond, voor het laatste niet nog eens extra gestraft. De grilligheden van geluk en pech kun je niet uitschakelen, maar je kunt er wel voor zorgen dat de samenleving hun effecten niet verdubbelt. Utopia is een rechtvaardige samenleving in die zin dat zij iedereen recht doet, niet alleen wie het verdient.

Blinddoek. In een utopische samenleving is justitie nog echt blind. Dit betekent niet dat zij willekeurig is, maar net dat zij tegen elke willekeur ingaat. Het recht is blind voor de verdiensten van de persoon die voor haar staat, voor het gebrek daaraan. Zij ziet alleen de zaak die voorligt, ziet die zaak in strikt wettelijke termen, niet door de bril van de één of andere heersende moraal. Zij velt geen oordeel over wat buiten de wet valt, over vermeende overtuigingen, karaktereigenschappen, attitudes. Het recht verlicht haar blik, maar voor de wereld en al haar oordelen is zij consequent blind.

Ook de solidariteit is blind in Utopia. Zij maakt geen onderscheid naar vermeende verdienste, inspanning, goede wil. Zij beperkt zich, anders dan de liefdadigheid, niet tot fotogenieke miserie. Ook mensen die tegen de één of andere heersende moraal in niet de juiste attitudes, overtuigingen, karaktertrekken vertonen, hebben recht op solidariteit omwille van het simpele principe van hun mens-zijn, hun burger-zijn – ja, zelfs als het hun aan burgerzin ontbreekt! Ook het recht neemt dit als uitgangspunt: het mens-zijn van wie daar verschijnt, het burger-zijn, als lid niet van de één of andere morele gemeenschap, maar van een staat met wetten die de enige toetssteen zijn voor wat mag en wat niet.

De monnik hoort de gelukzalige verhalen,

Voelt dat hij hier vond wat hij zocht,

De eenzaamheid van zijn cel, in het dralen,

In de twijfel, het vertrouwen, de onherbergzame tocht.

Hij weet: tot hier voerde mij het lot.

Nu wil ik op dit eiland blijven,

Over het gelukzalige leven schrijven,

Onder een vriendelijke hemel. Niet terug naar de grot…

Vita activa. Vita contemplativa. Het actieve leven in Utopia geeft vorm aan de wereld, aan de samenleving. Activiteit is geen loonarbeid die je verkoopt, het is het inwerken op materie, op weefsel, zowel fysiek als sociaal. Burgers zijn er polites in de eigenlijke zin, deelnemers aan de politeia, vormgevers van de polis. Je werk is er scheppend: vakwerk, handwerk, kunstwerk. Mensen ontdekken er dat hun activiteit ertoe doet, dat zij het vermogen heeft de wereld en de dingen te transformeren.

Activiteit is er echter geen doorgeslagen imperatief: werken, sporten, een sociaal leven uitbouwen, 24/7 consumeren. De werkelijk utopische mens is niet bang voor contemplatie. Hij durft een stap terug te zetten om te beschouwen, te overpeinzen, zijn lichaam en geest te laten rusten. Niet door pure passiviteit, maar door een andere soort van activiteit: de vita contemplativa. Het zich terugtrekken uit het wereldse om de geest te voeden, te laven, te warmen. Beschouwen betekent ook onafhankelijk worden van de wereld waarin je leeft, leren jezelf genoeg te zijn (zonder daarom de Ander overboord te gooien). Het betekent diep durven gaan.

In een wereld die doordraait, wordt de drang naar diepgang tot escapisme, een vlucht uit de wereld. In Utopia is het net door het onafhankelijk zijn van de wereld door de diepgang van je reflectie, dat je op een bewustere manier in de wereld staat en met de wereld omgaat. Je actieve leven wordt er “actiever” door in de eigenlijke zin. Minder druk waarschijnlijk, maar doeltreffender. Misschien wordt Utopia wel (mee) door filosofen bestuurd…

Amor vacui. De leegte is geen zwart gat waar men zich koste wat het kost ver van moet houden om er niet door te worden opgeslokt.

Het begint bij de opvoeding: kinderen mogen zich weer vervelen. Hun vrije tijd wordt niet volledig dichtgeplamuurd en leerkrachten durven weer af en toe een les geven waarvan ze vermoeden dat die zeker een deel van de klas niet zal interesseren.

Volwassenen zijn niet meer bang voor leemtes in de tijd, inactiviteit, alleen zijn. De verveling wordt weer gewaardeerd als een verlangzamen van de tijd dat kiem kan zijn van grote dingen. Of kleine dingen. Of mooie dingen. Of dit ten minste: een beter begrip – van jezelf, de ander, de wereld. Verveling en verbeelding zijn een onlosmakelijk paar. In een samenleving die de verbeelding naar waarde schat, wordt ook haar voedingsbodem gewaardeerd. Mensen bieden er niet steeds weerstand aan de zwaartekracht van de leegte.

Dit is als thuiskomen, niet als vluchten,

Ontvangen worden op een onverwacht festijn,

In een wereld waar de groten niet klein zijn door kluchten

En waar geleerden dichters zijn.





Postscriptum. Het is 9 november en plots lijkt het uitdokteren van een utopie haast een frivole bezigheid. Vandaag is officieel het einde ingeluid van politiek (en dus maatschappelijk) fatsoen. Dit proces is al een hele tijd aan de gang, ook bij ons, maar vandaag kunnen we er niet meer omheen. Binnen afzienbare tijd zal de wereld zoals we ons haar nu nog kunnen voorstellen, ons toelachen als een utopie, als iets wat nooit substantiëler is geweest dan een collectieve illusie. Nu het tussen onze vingers wegglipt, moeten we dit mentale beeld trachten vast te houden. Filosofen en opiniemakers die meesurfen op de grondstroom van de tijd hebben haar al weggehoond. Politici hebben haar al lang ten grave gedragen. Maar dit is onze utopie voor de aanstormende donkere tijden: politieke correctheid, de schroom om niet het laagste wat je in je draagt, in de publieke ruimte uit te braken, de wijsheid te luisteren naar mensen die het beter kunnen weten. Democratie dreigt vandaag te verworden tot ochlocratie: de heerschappij van de menigte, die regeert vanuit de onderbuik, die er niet aan denkt haar laagste lusten te beteugelen, die zich botviert op wie nog lager staat. De wereldeconomie maakt veel slachtoffers – dit vraagt misschien om radicalisme. Radicalisme dat streeft naar inclusie (tot spijt van wie aan zijn exclusiviteit gehecht is) mag daarbij nooit op dezelfde voet worden gesteld als dit radicalisme van het natrappen, het schelden, het uitsluiten. Ook wie ontevreden is, wie gefrustreerd is of slachtoffer, heeft een andere uitweg dan de weg van het brullende alfa-mannetje. Het feit dat mensen dit niet schijnen te beseffen, wijst op een diepe crisis, die misschien fundamenteel een crisis van de opvoeding is. We zijn blijkbaar vergeten wat democratie is, waarin zij zich van de dictatuur onderscheidt, hoe kwetsbaar zij is. Misschien is de democratie wel de ultieme utopie, de kostbaarste, de moeilijkste.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!