Enkel een alledaags communisme kan ons redden

Eén ding is zeker: we zullen het leven nu en na de doortocht van het virus enkel leefbaar kunnen houden door permanente solidariteit.

zaterdag 21 maart 2020 15:04
Spread the love

Op 26 februari publiceerde de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben een opiniestuk in Il Manifesto. Aanvankelijk kreeg dat stuk weinig ruchtbaarheid. Maar dat veranderde naarmate het coronavirus alsmaar wilder om zich heen begon te grijpen in Italië en daarbuiten. Steen des aanstoots voor velen was de zeer relativerende toon die Agamben aansloeg ten aanzien van de ernst van de epidemie. Hij beschuldigde de Italiaanse overheid en media ervan nodeloos paniek te zaaien en zo het terrein te effenen voor een algehele uitzonderingstoestand waarin normale rechten en vrijheden worden opgeschort.

Die insteek van Agamben kan je niet anders dan een historische misser noemen. Het enige wat eventueel ter verdediging van de gerenommeerde filosoof kan aangehaald worden, is dat zijn opinie dateert van eind februari, toen er inderdaad nog wel wat vaagheid bestond omtrent hoe ernstig dit nieuwe virus nu eigenlijk wel was. Toch is dit geen verschoningsgrond. Van iemand met enig intellectueel prestige verwacht je een bovengemiddelde vorm van kennis omtrent de zaken waarover uitspraken worden gedaan. En iedereen die het internationale nieuws een beetje volgde, wist toen al dat corona iets anders was dan een seizoensgriepje.

Tot op heden is Agamben daarom kop van jut. Iedereen die nog een filosofisch, politiek of persoonlijk eitje met de man te pellen had, staat nu natuurlijk te drummen om zijn oeuvre zwart te maken. En dat is jammer. Want het theoretische werk van Agamben kan ons wel degelijk helpen om te begrijpen wat we op dit moment doormaken. Tenminste, als we op een creatieve wijze gebruik weten te maken van de concepten die hij ons de voorbije decennia heeft aangereikt.

Weimar

Waar Agamben feitelijk voor waarschuwde in zijn omstreden stuk, was de veralgemening en normalisering van de uitzonderingstoestand. In een vervolgstuk, dat ook deels dient als antwoord op de vele kritiek, benadrukt Agamben dat er op dit moment een gevaarlijke gewenning optreedt ten aanzien van een nooit geziene uitbreiding van de staatsmacht. In een nogal basale zin heeft Agamben natuurlijk gelijk. De lockdowns of semi-lockdowns die nu in steeds meer landen gelden, kunnen inderdaad gedeeltelijk begrepen worden vanuit het concept van de uitzonderingstoestand: de toestand die afgekondigd wordt wanneer een politieke orde zich in een acuut gevaar bevindt en daarom normale regels en wetten opschort om zichzelf in stand te kunnen houden. En, laat dat zeer duidelijk zijn, daar schuilt absoluut een gevaar in.

Maar de moeilijkheid hier is dat we met een virale dreiging te maken hebben. En een virus valt vanuit politiek oogpunt moeilijk te categoriseren. Net zoals een virus zich niks aantrekt van grenzen, muren, omheiningen of afbakeningen, zo laat het zich evenmin indammen door de gebruikelijke politieke concepten. De Franse president Emmanuel Macron sprak over het virus bijvoorbeeld in oorlogstermen. Maar dit is geen oorlog. Een oorlog veronderstelt een vijand met een plan en dat heeft het virus niet. Het doet gewoon. Het is verleidelijk om vanuit die optiek het virus te vergelijken met een natuurramp. Een tsunami of een aardbeving bijvoorbeeld. Maar ook die vergelijking schiet tekort. Want op een bepaalde manier heeft een virus een grotere, onmiddellijke en tegelijk meer langdurige politieke impact op een samenleving. Een virus is terzelfdertijd apolitiek en hyperpolitiek.

Net daarom kan de reactie op het virus ook niet zomaar begrepen worden vanuit het klassieke concept van de uitzonderingstoestand. Temeer omdat Agamben over de uitzonderingstoestand blijft denken vanuit de historische achtergrond van de Duitse Weimarrepubliek. Binnen de context van die Weimarrepubliek werd de uitzonderingstoestand uitgeroepen om revolutionaire dreigingen te bezweren. De uitzonderingstoestand was dus iets dat strikt van bovenuit door de staat opgelegd werd, een toestand die buitenrechterlijke vervolging toeliet en zijn normalisering kende in het fascisme en haar kampen.

De lockdowns die we nu meemaken zijn van een heel andere aard. De roep om een ernstige beperking van de bewegingsvrijheid komt bijvoorbeeld in belangrijke mate van onderuit: bij aanzienlijke delen van de bevolking bestaat een draagvlak en uitdrukkelijke vraag om verregaande overheidsmaatregelen. Het idee dat het de staat is die unisono en manu militari haar wil opdringt, klopt in het geval van deze pandemie daarom slechts gedeeltelijk. Vele instellingen en individuen hebben in eerste instantie zichzelf een quarantaine opgelegd en wie dat om tal van redenen niet kan, voert strijd om te kunnen deel uitmaken van de bescherming die de quarantaine biedt. Vandaar bijvoorbeeld dat arbeiders in vele landen momenteel het werk neerleggen. In een context van een oncontroleerbare virusuitbraak is wat Agamben de uitzonderingstoestand noemt dus evengoed een toevluchtsoord, een beschermingsmaatregel die – zoals blijkt – via middelen die komen uit de traditionele sociale strijd gedeeltelijk moet afgedwongen worden. Niet geheel toevallig, want ook de toegang tot quarantaine wordt bepaald door klassenverschillen.

Straffeloos doden

Toch wil ik het concept van de uitzonderingstoestand niet zomaar bannen. Eerder dient het concept in de context van een virale dreiging, verfijnd te worden. Misschien doen we er daarom goed aan om een analytisch onderscheid te maken tussen een noodtoestand en een uitzonderingstoestand. Wat we lockdowns noemen zijn noodtoestanden, ferme maatregelen die genomen worden in een samenspel tussen burgers en overheden. Evident worden daarmee normale wetten en vrijheden opgeschort maar dat dient, in eerste instantie, om op een heel onmiddellijke wijze levens te redden.

Het concept van de uitzonderingstoestand zou ik willen reserveren voor de situaties waarin zij vertoeven die geen toegang hebben tot de bescherming van de noodtoestand. Het zijn de daklozen in onze steden, de gevangenen, de vluchtelingen in de kampen en zij die door overheden worden beschouwd als ‘surpluspopulaties’ wiens dood als irrelevant wordt beschouwd. Het zijn deze mensen die zich in een toestand bevinden waarin ieder recht is opgeschort, die volledig afhankelijk zijn van de moraliteit van anderen, die hun leven gereduceerd zien tot een leven dat straffeloos kan gedood worden.

De uitzonderingstoestand is geen uitzondering, geen randfenomeen in de manier waarop met dit virus wordt omgegaan. Het is een toestand die zich evenzeer zal voltrekken in de kille, stille ruimtes van geïmproviseerde hospitalen. Het is een toestand die floreert tussen de ruïnes van het neoliberalisme en austeriteit, verder aangewakkerd wordt door racisme en de wreedste vormen van sociaal darwinisme. Vandaag zetten de regeringen van sommige landen bovendien duidelijk in op een experiment, ze willen het virus loos laten gaan en wagen de gok om miljoenen levens in de weegschaal te leggen. In die zin kan een rechtstreekse lijn getrokken worden van de fascistische uitzonderingstoestand naar de uitzonderingstoestand die getriggerd wordt door het virus. En het is op dit punt dat Agamben, ondanks zichzelf, weer uiterst relevant wordt.

Alledaags communisme

Het ziet ernaar uit dat dit virus geen crisis is die enkele weken zal aanhouden. We spreken over maanden, mogelijks zelfs jaren. In die periode zal er een constante strijd moeten gevoerd worden om de noodtoestanden universeel toegankelijk te maken en te houden. Tegelijk mag er niet in de val getrapt worden om de noodtoestand volledig over te laten aan het initiatief van de staat. De noodtoestand die vandaag bestaat in de vorm van een lockdown mag dan wel versterkt en aangemoedigd worden door van overheidswege opgelegde beperkingen, hij zou onmogelijk kunnen gehandhaafd worden zonder de medewerking en instemming van een substantieel deel van de bevolking.

Bovenal wordt de noodtoestand waarin we vandaag vertoeven gedragen door een alledaags communisme. De term communisme kan hier op geen enkele manier vereenzelvigd worden met een politiek regime. Veeleer betreft het een sociale relatie, een specifiek ethisch omgaan met elkaar, waarin de gift (le don), de (niet-romantische) liefde, zorg, solidariteit en onvoorwaardelijkheid centraal staan. Dit communisme is tegelijk banaal en uitzonderlijk, zeldzaam en overvloedig, oorspronkelijk en komend. Is het niet vanuit deze logica dat het zorgpersoneel vandaag handelt, of de mensen die publieke voorzieningen draaiende houden, of al wie harde financiële of andere opofferingen maakt om anderen niet te besmetten? Deze shift richting een alledaags communisme heeft op een zeer directe wijze ingang gevonden, niet dankzij, maar ondanks een overheid die decennialang bespaard heeft op initiatieven die solidariteit institutionaliseerden en mogelijk maakten.

We zullen de praktijk van het alledaagse communisme moeten blijven vasthouden, ontwikkelen en verder uitbreiden. Want wanneer de lichamen min of meer genezen en de doden begraven zullen zijn, zal de systeemcrisis er nog steeds zijn. Het is onmogelijk om nu in te schatten wat de ernst, omvang en duur van die crisis zal zijn of naar wiens voordeel de machtsbalans zal kantelen. Er zullen nieuwe strijdperken ontstaan op plaatsen waar we ze nooit voor mogelijk hielden, voortgestuwd door allianties die voorheen als ondenkbaar werden beschouwd. Maar evengoed zullen demonen rondwaren waarvan we dachten dat ze nooit meer uit de onderwereld konden ontsnappen. Eén ding is evenwel zeker: we zullen het leven leefbaar kunnen houden door permanente solidariteit, door de blijvende cultivering van een noodtoestand met een alledaags communisme als basis. Dat alledaagse communisme kan duizenden gedaanten aannemen: van buurtcomités, voedselbedelingen en coöperaties tot gratis gezondheidszorg, onderwijs of publiek transport van onderuit.

Het uitgangspunt van het handelen moet voortaan zijn: de nood van anderen.

Het is die noodtoestand die blijvend moet in stand gehouden worden.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!