© Brecht Vandenbroucke
Nieuws, Cultuur, Rektoverso -

Het leven inlijven

Sommige aspecten van religies zijn te nuttig, doeltreffend en intelligent om alleen aan gelovigen te worden overgelaten.’ In Religie voor atheïsten zet Alain de Botton een debat op scherp dat al decennia vastzat. Kunnen we als moderne mens de grote levensvragen dan toch betekenisvol gaan koppelen aan de andere deelgebieden van het leven?

woensdag 21 december 2011 18:09

Het is een vraag die ook in de kunst aan de orde lijkt, zo toont een artistiek project als X / Een oefening in verdwijnen.

Geef toe, het is een vreemd soort spanning dat ons tekent als seculiere, moderne mens. Nadat we de kerkdeur met een breed gebaar hebben dichtgeslagen, staan we met onze mond vol tanden wanneer we zelf een alternatief mogen formuleren voor hoe we in het leven willen staan. De Botton werpt met zijn heidense gebruikersgids dan ook niet alleen het hoenderhok van de kerk, maar vooral dat van de seculiere samenleving een welgemikte knuppel toe. Want we hebben de terreur van het hogere woord dan wel succesvol gepareerd, in onze huiver voor dogmatiek slaan we elke zucht naar overkoepelende zingeving in de ban met een haast religieus fanatisme. Op neoliberaal gebod zijn wetenschap en religie, politiek, markt en moraal volledig op zichzelf teruggeplooid. En dan wordt het moeilijk om treffend om te gaan met de existentiële kwesties waarmee het leven ons ook in deze eeuw blijft confronteren. Het is net voorbij die patstelling tussen dogmatiek en defensieve lichtgeraaktheid dat de Botton op zoek gaat naar aspecten van religies die ons vandaag kunnen inspireren.

Juist, we hebben nog altijd zoiets als kunst om existentiële vragen in een groter verband te plaatsen. Maar sinds de boedelscheiding tussen kerk en staat duikt daar eenzelfde soort spanning op. Onttrokken aan een eeuwenoude religieuze praktijk, zoekt de kunst sinds de negentiende eeuw relevantie in zichzelf. Het levert haar een ongeziene vrijheid en autonomie op, maar tegelijk zorgt haar inbedding in de vrijetijdseconomie voor een hogere vorm van vrijblijvendheid. Meer dan ooit gaan kunstenaars ernaar verlangen om hun publiek wezenlijk te treffen, terwijl grote groepen toeschouwers net afhaken wegens een vermeend hermetisme. Dat hoeft niet aan de kwaliteit van onze hedendaagse kunst te liggen. De Botton ziet veeleer een oorzaak in de bovenstaande contextverschuiving. Ook het kunstgebeuren is zo geïsoleerd geraakt dat kunstinstellingen er amper in slagen het overtuigend in verband te brengen met ons dagelijkse leven. Is het dat wat we als seculiere mensen verloren hebben: het vermogen om existentiële thema’s aan te raken op een manier die concreet aansluiting vindt bij ons dagelijkse doen en laten?

Van isolatie naar integratie

Het doet de vraag rijzen of kunst in een seculiere wereld opnieuw een verbindend element kan zijn tussen verschillende deelgebieden van het leven – wetenschap, beleid, markt en levensbeschouwing – zonder haar autonomie te verliezen. Met religie als toetssteen overloopt de Botton alvast tal van prikkelende suggesties voor een meer geslaagde integratie van kunst en leven. Maar misschien hoeven we het helemaal niet zo ver te zoeken als twaalf seculiere staties die het lijden van de mens verbeelden, of een thematische reorganisatie van Tate Modern gewijd aan waarden als barmhartigheid. Een blik op ons eigen kunstenland levert een genuanceerder voorstel op. Daar zien we een generatie jonge kunstenaars die precies vanuit hetzelfde spanningsveld werkt. Makers zoals Leentje Vandenbussche, Peter Aers, Tijs Ceulemans, Benjamin Verdonck, Simon Allemeersch of Thomas Bellinck ensceneren al lang geen voorgekauwde scripts meer in de hermetische context van een theater of museum. Het is opvallend hoe ze juist meer en meer betekenis gaan zoeken in de manier waarop ze hun kunst kunnen integreren in de realiteit die ons omringt. Over de grenzen van performance, beeldende kunst, sociaal werk en research heen zetten zij hun projecten in als medium om de wereld te analyseren en er tegelijk een symbolische ingreep op te maken.

Een mooi voorbeeld is X / Een oefening in verdwijnen. Het jongste project van theatermakers Peter Aers, Tijs Ceulemans en Leentje Vandenbussche is ontstaan vanuit een concreet maatschappelijk pijnpunt: ons onvermogen om dood en verval een publieke plaats te geven binnen een seculiere, kapitalistische samenleving. In 2012 moet X / Een oefening in verdwijnen uiteindelijk een afgewerkte voorstelling worden, maar daarvoor hebben de makers gekozen voor een lang en diepgaand onderzoekstraject, dat zich vanaf dag een heeft overgegeven aan het openbare leven. Ze gaan als stille getuigen mee op stervensbegeleiding, interviewen diverse wetenschappers en beleidsmakers, en werken drie weken in Manikarnika Ghat, een sacrale Indiase plek voor overlijdensrituelen. De voorbereiding van hun finale creatie laadt zich op aan een diepgaande inbedding in de wereld. Door hun uitwisseling met wetenschappers, beleidsmakers, religieuzen en andere omstanders worden Aers, Ceulemans en Vandenbussche echte ervaringsdeskundigen.

Kunst en leven in een loop

Die ervaring houden ze niet enkel voor zichzelf, maar maken ze ook onderweg al tastbaar in al dan niet symbolische interventies. Samen met het publiek wordt er een bloemlezing samengesteld met sterfscènes uit de literatuur. De makers houden publieke enquêtes rond hun thema en organiseren geregeld ook debatten. Hun geplande installatie De gevallenen laat een zandzakje vallen bij elk sterfgeval in Gent, en onder de noemer Dode van de dag komt er een herdenkingsmonument voor gestorvenen in Antwerpen. Nog voor de theatervoorstelling zelf er komt, neemt X / Een oefening in verdwijnen al de vorm aan van een multidisciplinair en interactief programma, dat zijn onderwerp als een volwaardig kunstwerk belicht via verschillende invalshoeken. Het is opmerkelijk hoe deze kunstenaars de omkadering van hun werk steeds meer gaan beschouwen als onderdeel van hun artistieke praktijk, en deeltaken van de kunstinstellingen, zoals randprogrammering en bemiddeling, methodologisch gaan inlijven.

    De makers hebben ervoor gekozen om tijdens hun creatieproces effectief een terminale patiënt (X) op te volgen

Die evolutie blijkt bijzonder zinvol, zowel voor artistieke creatie als met de maatschappelijke polemiek van de Botton in het achterhoofd. In een samenleving die de kunstbeleving net isoleert van het dagelijkse, vormt de methodiek van Aers, Ceulemans en Vandenbussche immers een tegenbeweging: ze levert niet enkel een werk op, maar ook een toegepaste praktijk en uitwisseling. Niet als randfenomeen, maar als kern van hun creatie. Zo hebben de makers ervoor gekozen om tijdens hun creatieproces effectief een terminale patiënt (X) op te volgen. Dat is meer dan gewoon je onderzoeksproces openstellen, werken met een minderheid of theater in een andere context brengen. Fictie en werkelijkheid, kunst en leven gaan elkaar versterken in een wederzijdse feedback-loop: X krijgt de kans om via het project, gesterkt door een gesprekspartner, haar dood onder ogen te komen, terwijl haar situatie de betrokkenheid vergroot van de maker bij zijn onderwerp. Nog meer dan bij een film naar een waargebeurd verhaal, zal X ook de finale voorstelling van een bijzondere overtuigingskracht voorzien, omdat de makers zelf getuige waren van het waargebeurde. Eenzelfde dynamiek kenmerkt het creatieproces: geregeld worden de debatten en enquêtes door betrokkenen (verplegers, vrijwilligers, therapeuten, patiënten, familieleden) gebruikt om een discussie te voeren die op de werkvloer onvoldoende plaats krijgt. X / Een oefening in verdwijnen engageert zich in maatschappelijke zaken als een vorm van autonoom artistiek onderzoek.

Een geïntegreerde levensvisie

Door leven en kunst op die manier in elkaars verlengde te plaatsen, krijg je kunst met een uiterst effectieve poëzie. Want wat symbolisch wordt vermeld in die optredens, heeft tegelijk een concrete impact op de realiteit. X / Een oefening in verdwijnenlegt niet alleen de vinger op de wonde in onze hedendaagse omgang met sterven. Als antwoord op onze beperkte, klinische benadering van de dood schept het project ook letterlijk ruimte voor de dood. In woord en daad brengt het mensen samen rond lijden en sterfelijkheid, en het gaat zelfs zo ver om effectief iemand tot haar laatste uur bij te staan. Langs kunst, wetenschap, religie en het sociale heen integreren Aers, Ceulemans en Vandenbussche standpunten, verhalen en gebruiken die een gelaagd en zingevend perspectief bieden op wat leven en sterven kan betekenen. Voor sommigen als voorbereiding op verlies, voor anderen als troost dat niemand dat alleen moet doormaken.

Is dat niet wat religie op haar best ook ooit vermocht? Als integrerend systeem reflectie en actie, ethiek en politiek, mens en wereld op elkaar afstemmen? Al heeft de kerk door haar dogmatiek de ontwikkeling van dat systeem zelf lamgelegd, het zou nefast zijn, mochten die missers ons ervan weerhouden om na te gaan hoe we op een zinvolle manier de verschillende deelgebieden van het leven in verbinding kunnen stellen. Net omdat ze elkaar zo veel te bieden hebben. Zo hoeven een medische en een symbolische visie op de dood elkaar niet uit te sluiten: ze kunnen net samen een bijzondere verrijking bieden voor patiënt, omstanders en verzorgend personeel.Omdat ze een gemeenschappelijk thema benaderen vanuit een andere invalshoek. Als er dus iets is wat projecten als X / Een oefening in verdwijnen of boeken als Religie voor atheïsten ons tonen, dan is het wel dat er voor de westerse seculiere mens een diepgaandere symbiose mogelijk moet zijn van alle geïsoleerde deelgebieden van het leven, zonder dat dat per se een verlies van autonomie hoeft te betekenen. Een uitwisseling die zich voltrekt in een onbevangen dialoog, gestoeld op concrete uitgangspunten in plaats van bovenzinnelijke axioma’s, kan de betrokken gesprekspartners alleen maar verrijken. Dat was het uitgangspunt van de Botton. De werkwijze van Aers, Ceulemans en Vandenbussche toont die integratie in de praktijk. In tegenstelling tot de kerk streeft ze geen eenheid na – in die zin dat ze geen eensgezindheid óplegt – maar wekt ze wel verbondenheid, door een gedeelde zoektocht rond een thema dat ons allen aangaat.

    X / Een oefening in verdwijnen legt niet alleen de vinger op de wonde in onze hedendaagse omgang met sterven

Het is de kunst van de synergie die deze jonge makers als voorstel uitdragen, tussen persoonlijke groei en een groepsproces, tussen werk en wereld. En misschien ligt daar wel de sleutel voor een nieuwe invulling van het begrip ‘autoriteit’: vanuit je eigen vakmanschap een stimulerende gedeelde context scheppen, die niet alleen ruimte laat voorde inbreng van anderen, maar er zich ook aan oplaadt. Dat komt verbazend dicht bij de oorspronkelijke invulling van het woord, dat naar de Latijnse stam ‘augere’ letterlijk betekent ‘iemand die groei stimuleert’. Dat is net het omgekeerde van dogmatisch denken, omdat je met zo’n aanpak verbindingen genereert zonder jezelf op te dringen of te verliezen. En het hoeft geen religie te heten, maar kan in het verlengde van de Bottons bevlogen pleidooi een voorzet zijn. Om het isolement te doorbreken waarin kunst en haar grote levensvragen terechtgekomen zijn. Om een existentieel gesprek te durven voeren in alle deelgebieden van de samenleving. En zo als seculiere mens een meer geïntegreerde manier te vinden om met de overgangsmomenten van het leven om te gaan.

Op 5 december presenteren Peter Aers, Tijs Ceulemans en Leentje Vandenbussche in De Werf (Brugge) een artistiek verslag van hun werkverblijf in Manikarnika Ghat, meteen bij aankomst in België (zie www.oefeninginverdwijnen.be).

Alain de Botton, Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids, Atlas, Antwerpen, 2011 (zie www.alaindebotton.com).

Marnix Rummens is dansdramaturg en momenteel werkzaam als publieksbemiddelaar in S.M.A.K.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!