Analyse, Europa, Politiek -

Wist je dat? Intrigerende weetjes over de Europese verkiezingen

De Belgische kiezer mag zondag 25 mei 2014 samen met haar/zijn Europese medeburgers ook kiezen voor de nieuwe leden van het Europese Parlement. Welk belang heeft dat parlement voor de gewone Europeaan? Een aantal intrigerende weetjes op een rij.

woensdag 21 mei 2014 13:39

De Europese Unie (EU) heeft een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot 1951 (en in feite reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog als idee werd gelanceerd). Dat verhaal is zeker relevant, maar zou ons hier te ver terugvoeren.

Wie meer wil weten
over die ontstaansgeschiedenis kan hier terecht voor een
kort overzicht.

De EU omvat ook meerdere instellingen, wier rol niet altijd duidelijk is. Wie kent bijvoorbeeld het verschil tussen de Voorzitter van het Europees Parlement, de Voorzitter van de Europese Commissie en de Voorzitter van de Europese Raad? Door de bomen ziet menigeen het bos niet meer.

Wie meer wil weten
over de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement kan hier terecht voor dit kort overzicht.

België in de EU

België is één
van de zes stichtende leden van de EU, reeds sinds 1951. België
heeft net als al de andere EU-lidstaten recht op een vooraf bepaald
aantal vertegenwoordigers in het Europees Parlement, namelijk 21.

Bovendien bestaat in België een interne politieke afspraak over de
verdeling van die zetels over de taalgemeenschappen: 12 gaan naar de
Vlaamse Gemeenschap, 8 naar de Franstalige Gemeenschap en 1 naar de
Duitstalige Gemeenschap (dat is één minder dan voorheen – nu
zetelen er nog 13 Nederlandstalige europarlementariërs).

Europa is duidelijk

Voor gewone
burgers is de EU met al zijn instellingen een onontwarbaar kluwen.
Uit menige opiniepeiling blijkt telkens dat de gemiddelde
Europeaan weinig weet over de concrete werking en de reële macht van
de EU. Het is dan ook verbazend om uitspraken te horen van Europese
toppolitici die het tegendeel beweren.

Zo liet Herman Van
Rompuy, Voorzitter van de Europese Raad, in een interview met de
Duitse krant Süddeutsche Zeitung doorschemeren dat besluiten
helemaal niet in het Europees Parlement worden genomen. Dat is
volgens hem echter geen probleem want: “Het verschil tussen het
parlement en zij die de echte beslissingen nemen is absoluut
duidelijk voor de burgers.”

De
Duitse sociaal-democraat Martin Schultz is sinds januari 2012 voorzitter van het Europees Parlement. Hij is ook één van de vijf
kandidaten voor het Voorzitterschap van de Europese Commissie. Toen
hem tijdens een debat met zijn christen-democratische tegenkandidaat,
de Luxemburger Jean-Claude Junkcer werd gevraagd wat
nu precies het verschil was tussen hem en de andere kandidaten
,
antwoordde hij dat eigenlijk niet te weten.

De Europese kiezer is niet echt enthousiast

De
verkiezingen voor het Europees Parlement worden sinds 1979 om de vijf
jaar gehouden. Meestal valt dat samen met lokale verkiezingen. Het
gebeurt echter ook regelmatig dat de Europese verkiezingen de enige
zijn die worden gehouden.

Deze afzonderlijke verkiezingen zijn dan een
goede graadmeter voor de populariteit van de EU, vooral in die landen
waar er geen stemplicht bestaat. Dat valt niet bijster goed mee,
getuige deze cijfers. (België en Luxemburg zijn moeilijk in te
schatten omdat stemmen er verplicht is).

In
Denemarken namen slechts 47 procent van de kiezers deel aan de
allereerste verkiezingen in 1979. In 2009 was dat iets beter met 59
procent. Duitsland begon met 65 procent en zakte in 2009 tot 43
procent. Als één van de zes eerste lidstaten vonden slechts 60
procent van de Franse kiezers het nodig in 1979 te gaan stemmen voor
het Europees Parlement. In 2009 was dat nog slechts 40 procent.

Ook
de Nederlanders zijn blijkbaar geen enthousiaste Europeanen. In 1979
ging 58 procent naar de stembus, in 2009 nog amper 36 procent. De
cijfers voor Groot-Brittannië zijn even problematisch, ze schommelen
steeds rond de 34 procent.
De
cijfers in de nieuwste lidstaten zijn nog slechter (cijfers voor
2009): Zweden 45 procent, Oostenrijk 45 procent, Finland 40 procent,
Cyprus 59 procent.

Zonder
meer dramatisch zijn de deelnamecijfers in de Tsjechische Republiek
28 procent, Litouwen 20 procent, Polen 24 procent, Slovenië 28
procent en Slovakije amper 19 procent. Slotsom: gemiddeld gaan
slechts 43 procent van alle kiesgerechtigde Europese burgers stemmen voor het
Europees Parlement.

De bron van deze cijfers vind je hier.

Het
is de schuld van Europa

Francine
Mestrum wijst in het boek Wereldvreemd Vlaanderen op een aantal
vooronderstellingen die velen van ons (bewust of onbewust) hebben en
daar vervolgens verkeerde besluiten uit trekken. Het is helemaal niet
zo “dat alle negatieve invloed uitgaat van de Europese Commissie
… uit een studie van het Europese vakbondsinstituut blijkt … dat
alle nationale regeringen ook zonder Europese regelgeving vlijtig hun
arbeidsrecht aan het aanpassen zijn en de invloed van de vakbonden
verzwakken.”

De
meeste politieke beslissingen van de EU worden door de Europese Raad
van regeringsleiders (of hun ministers) genomen. Het Europees
Parlement heeft daar amper invloed op. Concreet betekent dit dat het
nog altijd de nationale regeringen zijn die de meeste belangrijke politieke keuzes
maken. Het argument ‘we moeten van Europa’ is meestal verkeerd.
Het is een oneerlijk excuus om de verantwoordelijkheid voor de
eigen politieke beslissingen te ontwijken.

De Europese ‘six
pack’

Wie ‘in’ is hoort
te doen alsof hij/zij weet waar dit over gaat. In de VS slaat de
uitdrukking Joe sixpack op de symbolische ‘Jan met de pet’, ‘de
man in de straat’ (een sixpack is een kratje van zes bierblikjes die ‘Joe’ verondersteld wordt steeds bij zich te hebben).

De uitdrukking
sixpack‘ slaat in de EU op de afspraken die tussen juni 2010 en september
2011 werden onderhandeld als antwoord op de economische crisis. Het
ging daarbij om zes beleidskeuzes die ingrepen op de bevoegdheden van de nationale regeringen van de EU-lidstaten om hun eigen beleidskeuzes te maken:

  1. De overheidsfinanciën van de lidstaten worden strenger opgevolgd en de lidstaten moeten hun economisch beleid intensiever coördineren.
  2. Er komen
    strengere procedures om op te treden tegen buitensporige tekorten
  3. Er komt een
    systeem effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in de
    landen van de Eurozone (de achttien landen van de EU die zich aangesloten hebben bij de gemeenschappelijke munt van de euro, zeven EU-lidstaten hebben nog een eigen munt).
  4. De begrotingspolitiek van de lidstaten moet aan een aantal nieuwe
    vereisten voldoen.
  5. Maatregelen
    voor de preventie en de correctie van macro-economische
    onevenwichtigheden.
  6. Maatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische
    onevenwichtigheden in de landen van de Eurozone.

Dit
jargon betekent concreet, dat de nationale regeringen van
de EU hebben besloten de politieke verantwoordelijkheid voor hun besparingen
door te schuiven naar het Europese niveau.

Het komt erop neer dat
het economisch beleid van de lidstaten niet langer wordt onderworpen
aan de democratische keuze van de bevolking. De begroting van een overheid legt alles wat een overheid kan doen vast. Die bevoegdheid wordt nu door de Europese Raad en de Europese Commissie overgenomen.

Wie het daar niet mee eens is, kan best nakijken welke partijen en welke europarlementariërs in het Europees Parlement voor deze ‘sixpack‘ hebben gestemd.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!