Chimamanda Ngozi Adichie, panellid tijdens de sessie 'Vrouw en Engagement' op Mind the Book van 20-23 februari 2014
Verslag, Nieuws, Samenleving, Mind the book, Discriminatie vrouwen -

Vrouwelijke auteurs over de nood aan erkenning van collectief onrecht

Zondag 22 februari 2014 namen auteurs Chimamanda Ngozi Adichie, Kristien Hemmerechts en Fatena Al-Ghorra deel aan de debatsessie 'Vrouw en Engagement' op de boekenbeurs Mind The Book in de Vooruit te Gent. Zij gebruikten hun persoonlijke levenservaring om met elkaar van gedachten te wisselen. Een verslag van Tine Destrooper.

dinsdag 25 februari 2014 11:07

Chimamanda Ngozi Adichie is Nigeriaans auteur. Haar boek Amerikanah werd in het Nederlands vertaald. Fatena Al-Ghorra is Palestijns dichter. In Nederlandse vertaling verscheen haar dichtbundel Gods Bedrog. Kristien Hemmerechts is Vlaams schrijfster.

Een gemeend applaus, eerst voorzichtig, daarna iets uitbundiger, eerst door de mede-panelleden, daarna door het hele publiek. Een applaus dat de waarheid onderlijnt van wat de spreker net gezegd heeft, dat de noodzaak benadrukt van een dergelijke visie. Op het podium Chimamanda Ngozi Adichie, Kristien Hemmerechts en Fatena Al-Ghorra, allen geëngageerde schrijfsters, allen feministes, en allen vanuit hun eigen realiteit kritisch over deze maatschappij.

Het applaus komt er na een anekdote van Fatena, Palestijnse journaliste en poëte – oprecht, open en ontwapenend wanneer ze praat over haar drijfveren en frustraties. Een schrijfster wiens leven en werk nadrukkelijk beïnvloed zijn door de geschiedenis van haar land. Zoals ze het zelf stelt, ‘Ik werd niet enkel geboren in Gaza, ik werd er gemaakt’.

Haar discours weerspiegelt op een directe manier wat ‘intersectionaliteit’ in de praktijk betekent, hoe één persoon een plaats moet geven aan verschillende vormen van maatschappelijke oppressie, omwille van haar vrouw-zijn, omwille van haar Palestijnse identiteit, omwille van haar situatie als nieuwkomer in België, omwille van de ‘multi-dimensionale persoonlijkheid’ waar ze naar eigen zeggen nog het meest mee worstelt.

In haar anekdote over een recente ontmoeting met een Israëlisch schrijfster benadrukt Fatena dat het voor haar onmogelijk was om van gedachten te wisselen met deze persoon alvorens deze zich zou verontschuldigen voor de misdaden van Israël jegens Palestina.

Het argument van de – niet-nader genoemde – Israëlisch schrijfster dat zij geen vertegenwoordiger of aanhanger was van het Israëlisch regime is, maar met Fatena wenste te spreken als individu, aanvaardde Fatena niet. Zij zag zich die interactie wél als deel van een volk, en niet enkel als individu. Een volk dat gekwetst was, een volk dat onderdrukt wordt, een volk dat elke dag gebukt gaat onder het juk van een onrechtvaardige bezetting.

De onmogelijkheid om dit referentiekader af te leggen kan moeilijk veroordeeld worden en de keuze om dit niet te doen heeft op zichzelf zelfs een emanciperend potentieel. Echter, de beslissing om bijgevolg de ander te bejegenen als behorend tot een regime waar zij openlijk afstand van doet, kan in vraag gesteld worden.

Chimamanda steunt Fatena’s eis om een verontschuldiging met de woorden “Het is niet omdat je niet zelf een systeem geïnstalleerd hebt, dat je niet moet erkennen dat je er de vruchten van plukt”. De woorden ‘erkenning’ en ‘verontschuldiging’ zijn zopas onderling inwisselbaar geworden. Dit voelt zonderling in een dergelijk debat.

Geheel onterecht volgens Kristien Hemmerechts, want dat is toch enkel semantiek? Het publiek applaudisseert: Fatena’s gesprekspartner hoorde zich uiteraard te verontschuldigen voor haar Israëlisch-zijn, ze moest erkennen dat alle Israëli’s onmiskenbaar de vruchten plukken van de bezetting.

De redenering van de panelleden kan makkelijk doorgetrokken worden naar andere contexten. Ongeacht wat je ideologie is, waartegen je actie voert, hoe je je consumptiepatroon afstemt op je overtuigingen, of welke politieke veranderingen je tracht teweeg te brengen, het feit dat je leeft in een systeem dat floreert op de onderdrukking van anderen vereist een persoonlijk excuus en een schuldbekentenis.

Geen loutere erkenning, maar een excuus. Geen activisme, maar een verontschuldiging. Een verontschuldiging, want je bent immers deel van een onderdrukkende maatschappij, en dat maakt je gedrag inherent laakbaar. Ongeacht wie je bent of wat je doet, je behoort tot een groep en dat vereist een verontschuldiging. Individuele actie wordt schijnbaar irrelevant tijdens een panelgesprek rond engagement, multi-dimensionale identiteiten en feminisme.

Dat deze redenering op zoveel bijval kan rekenen, roept vragen op, en wel om drie redenen – naast de voor de hand liggende reden dat het onwerkelijk voelt om van iemand te eisen dat die zich verontschuldigt voor fouten die de persoon niet zelf heeft gemaakt en met name veroordeelt en bestrijdt.

Een eerste reden om het eisen van een excuus in een dergelijke context ongewoon te vinden, heeft te maken met het beoogde effect van een excuus. Een verontschuldiging impliceert een schuldbesef. Wie zich excuseert erkent dat zij/hij iets heeft fout gedaan, dat zij/hij zich moet schamen voor begane misstappen, dat zij/hij zich klein moet voelen, inferieur, omwille van afkeurenswaardig gedrag dat had kunnen vermeden worden.

Met name van vrouwen werd doorheen de geschiedenis verwacht dat ze zich zouden schamen voor een schare aan zaken: voor genot, voor falen, voor fouten, voor het behoren tot een bepaalde groep, voor het niet voldoen aan het bepaald beeld dat in bepaalde kringen op bepaalde momenten over hen bestond. Het zijn schuldbekentenissen als een middel om anderen klein te houden.

De maatschappelijke norm die van vrouwen verwacht dat zij zich schuldig voelen over allerhande zaken, is precies waartegen vele feministes actie voeren. Het voelt dan ook bevreemdend dat de drie feministes op het podium het eisen van een excuus bejubelen als een constructieve communicatiestrategie.

Ook het dwingende karakter van de geuite verontschuldiging in bovenstaande anekdote, stemt tot nadenken. Tussen degene die kan eisen/vergeven en degene aan wie eisen gesteld worden, bestaat een duidelijke machtsverhouding. Denken we aan de priester in de biechtstoel, de overste die een ondergeschikte op het matje roept, of de ouder die een schuldbekentenis eist van een kind.

Een verontschuldiging eisen is, per definitie, onderdrukkend, ongeacht of er een misstap begaan is. Het is iets wat de sterkere van twee partijen aan een ander kan opleggen. In het panel wordt geargumenteerd dat deze redenering niet opgaat, precies omdat men in een machtspositie moet zijn om iets te kunnen eisen, en iedereen weet, wanneer het om het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat, hoe de machtsverhoudingen liggen.

Wat over het hoofd gezien wordt, is echter dat het in de anekdote van Fatena niet enkel over het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat, maar om de interactie tussen twee individuen, waarin de ene, omwille van historisch lijden – als individu en als lid van een groep – wel degelijk de morele overmacht heeft. De onderdrukte in de rol van onderdrukker, een welbekend stijlfiguur en onbehaaglijke historische continuïteit.

Echter, ook voorbij dit alles lijkt de eis van een excuus, koloniserend en futiel. Een excuus doodt conversatie, doodt dialoog. Een excuus gemaakt door de ‘schuldige’ partij, ontneemt de ander elke mogelijkheid om nog verder te argumenteren, want de schuld is erkend, een excuus gevraagd. De bal, en daarmee de verantwoordelijkheid, liggen nu in het andere kamp, dat alleen de politiek correcte keuze heeft om de aangeboden verontschuldigingen te aanvaarden, en ook in de toekomst geen wrok meer te koesteren, immers, excuses zijn reeds overgemaakt. De zaak is afgesloten. Het lijkt – noch voor de intellectuele uitwisseling, noch voor de emotionele catharsis – bijzonder wenselijk om van de ander te verlangen dat die een excuus uitspreekt.

Echter, zo raadt Kristien Hemmerechts na een interventie uit het publiek aan, “U moet het eens proberen, U excuseren voor een historisch feit of een maatschappelijk onrecht waar u niet rechtstreeks bij betrokken was. Dat brengt catharsis”. Excuses eisen of aanbieden gaat in deze visie dus niet langer over het proberen rechtzetten van begane misstappen, maar om individuele loutering. Dit is de nieuwe meer politiek correcte versie van aflaten of liefdadigheid en de meer gemakzuchtige optie dan feitelijk activisme tegen onrecht.  

Als het erkennen van structurele ongelijkheid de eis impliceert dat men zich hiervoor excuseert; als een verontschuldiging het resultaat is van een eis eerder dan van een intiem reflectieproces, precies dan, verliest een excuus elke mogelijkheid tot catharsis, precies dan wordt het een leeg omhulsel dat degene die het uitspreekt opzadelt met een schuldgevoel en schaamte, en dat degene die het ontvangt monddood maakt. Een vreemde wijziging in machtsverhoudingen, die bezwaarlijk kan worden gezien als een vruchtbare bodem voor grote of kleine daden van oprechte medemenselijkheid.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!