Nieuws, Afrika, Samenleving, Egypte, 25 januari, Egyptische revolutie, Arabische lente -

Opstand in Egypte, twee jaar later: stemmen uit Tahrir

Twee jaar na de Egyptische 25 januariopstand lijkt de toestand in het land weinig rooskleurig: een conservatieve, islamistische president, de macht van het leger en het oude staatsapparaat ongebroken en de economie die zich nog steeds in een diepe crisis bevindt. Toch staat Tahrir nog steeds in het collectieve geheugen gegrift als een moment van hoop. Midden Oosten-specialist Brecht De Smet van de UGent laat enkele Egyptische stemmen aan het woord.

vrijdag 25 januari 2013 17:10

De Egyptische revolutie is een lang proces van vallen en opstaan, en ondanks een aantal tegenslagen is de definitieve nederlaag nog niet geleden. Voor een uitgebreide analyse van de achtergronden, dynamieken en vooruitzichten van de Egyptische revolutie verwijs ik graag naar mijn bijdrage in het kersverse boek ‘Het Midden-Oosten. The times they are a-changin’ onder redactie van Sami Zemni[1].

In plaats van een analyse te maken van het huidige transitieproces of het succes van de islamisten, zou ik nog eens stil willen staan bij de hoopvolle – maar ook opmerkelijk realistische – geluiden die, vlak na de val van Mubarak, bij politieke activisten weerklonken. Dit zijn korte passages uit interviews die ik in maart 2011 in Egypte heb afgenomen.

Revolutie en contrarevolutie

Khaled al-Balshy, hoofdredacteur van de linkse al-Badil krant:

“Dit zal geen echte revolutie zijn als de dingen blijven zoals ze nu zijn. Het gebrek aan een centraal leiderschap in de revolutie zorgde ervoor dat er niemand was die met het regime kon onderhandelen. Dus bleven mensen op het Plein tot Mubarak opstapte. Maar dit is ook een slechte zaak, aangezien er nu niemand is om de beweging te leiden en een programma op te stellen voor de toekomst van Egypte.”

“Wij hebben het leger niet geroepen om de controle over Egypte over te nemen. We werden gedwongen om met deze situatie om te gaan, omdat het leger de enige stabiele instelling in het oude regime was die overbleef. Niet omdat het revolutionaire helden zijn. Nu moeten we, ironisch genoeg, onderhandelen met het leger, terwijl het leger juist een onderdeel is van het regime.”

“Een revolutie waarbij je je rechten moet onderhandelen is geen echte revolutie”

“Egypte staat nu voor de keuze: ofwel gaan we door met de strijd tot het bittere einde, ofwel hervormen we dit en dat detail. In elk geval keren we niet terug naar de situatie voor 25 januari. We hebben een parlement nodig dat het presidentschap controleert en een president met minder machten dan Mubarak.”

“Het leger schept angst in de harten van de Egyptenaren in de vorm van de Moslimbroeders en de Salafisten, waardoor het volk stabiliteit en veiligheid eist. De mensen begrijpen wel wat er gaande is, maar ze zijn verzwakt en gefrustreerd. Ze hebben een heleboel energie in de revolutie gestoken Maar wanneer het volk een terugkeer naar de praktijken van het oude regime ziet, zal het opnieuw exploderen.”

Mustafa Bassiouni, leider in de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Op dit moment is de revolutie nog steeds bezig. Na de val van Mubarak beseften de Revolutionaire Socialisten dat de revolutie allesbehalve voltooid was: de politiestaat en de kapitalistische klasse bestaan nog steeds. De revolutie heeft niet aan de machtsbasis van de kapitalisten geraakt.”

“De regering bediscussieert zelfs niet eens kleine hervormingen, zoals het minimumloon en rechtvaardige belastingen. De volkse beweging in de straten zal niet ophouden tot zij een werkelijke, sociale verandering heeft doorgevoerd. Het volk stelt ook sociale eisen en hierdoor wordt de revolutie ‘permanent’.”

“Dit opent de deur voor een nieuwe golf, een sociale revolutie die misschien in een socialistische revolutie kan uitmonden. De lokale revolutionaire comités en de onafhankelijke vakbonden zijn uitdrukkingen van deze sociale revolutie.”

Hisham Fouad, leider in het Sons of Land Center for Human Rights:

“De media concentreren zich op de rol van politieke organisaties en jongerenbewegingen en geven de indruk dat zij de revolutie geleid hebben en dat hun eisen de basiseisen van de revolutie zijn. Dit zijn liberale en democratische eisen, maar niet de sociale eisen van arbeiders en boeren.”

“Dit maakt onderdeel uit van de staatspropaganda die een scheiding wil aanbrengen in twee soorten eisen en de groepen die enkel politieke eisen stellen wil uitspelen tegen zij die sociale eisen verdedigen. Het regime vreest dat de democratische revolutie in een sociale revolutie zal ontaarden.”

“Het belangrijkste vandaag is de zelforganisatie van het volk”

“Om de contrarevolutie tegen te houden moeten we mensen organiseren in wijk- en fabriekscomités en onafhankelijke vakbonden. Alleen als de linkerzijde erin slaagt om mensen in dergelijke comités te organiseren, zal de revolutie slagen. Zowel de staat als de revolutionaire massa proberen zich vandaag te organiseren. Het is een voortdurend gevecht.”

Gihan “Gigi” Ibrahim, leider in de de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“De zakenlui, de elites en de hogere middenklassen stellen dat de stakingen de ‘stabiliteit’ in gevaar brengen. Alsof gedurende de voorbije dertig jaar, toen arbeiders zo’n twee dollar per dag verdienden, we een stabiel leven kenden. Dat was geen stabiliteit (lacht). Was de situatie van een familie die moest overleven met 300EGP (€37,50), 200EGP (€25), of zelfs 99EGP (€12,50) per maand stabiel?”

“De vraag is: voor wie is de situatie stabiel? Voor de elite, of voor de gemiddelde Egyptenaar, wiens leven reeds instabiel is? Dit is nu de strijd. Het is een klassenkwestie. We leven in een kapitalistische maatschappij: de hele neoliberale agenda die in de jaren ’70 en dan in de jaren ’90 met de structurele aanpassingsprogramma’s en zeker de voorbije tien jaar door onze strot werd geramd, die iedereen in de samenleving beïnvloedde, zelfs de elite, en zeker de arme die het dagelijks moest voelen.”

“Dat was een van de belangrijkste oorzaken van de revolutie. De stakingen op 9 februari en de roep naar een algemene staking, dat was de druppel die Mubarak deed vallen. Echt waar. Omdat de revolutie de elites begon te bedreigen werd er druk op Mubarak uitgeoefend om te vertrekken.”

“Naast de klassenstrijd was er de overduidelijke repressie en corruptie die iedereen trof, ongeacht zijn of haar klasse, leeftijd, sekse, of achtergrond. Iedereen voelde de corruptie van het Mubarakregime.”

Menal Khalid, leider in de Cinema Workers Union:

“Toen Mubarak ontslag nam, mochten we eigenlijk het Plein niet verlaten hebben, omdat het regime zelf nog intact was”

Linkse partijen en bewegingen

Khaled al-Balshy, hoofdredacteur van de linkse al-Badil krant:

“We hebben geen echte partijen. Er is natuurlijk de Moslimbroederschap. Andere bewegingen ontwikkelen zich in kleine gevechten. Maar ze kunnen niet eens die kleine gevechten winnen. De oude partijen van het Mubaraktijdperk zullen nooit effectief zijn. Misschien enkele individuele figuren.”

“De partijen proberen voor zichzelf een rol uit te tekenen, maar ze zijn verzwakt door interne twisten. Ze moeten zich opnieuw naar hun oorspronkelijke sociale basis richten, bijvoorbeeld de werkende klasse. Op die manier zullen ze opnieuw sterk worden.”

“De traditionele linkerzijde zal de politieke strijd verliezen, zij is teveel bezig met zichzelf te bekampen en begint deze nieuwe periode met splits, zichzelf in nieuwe partijen opdelend. Indien de linkerzijde wil verder bestaan, moet zij de meest radicale kracht vormen.”

“Maar een sectie binnen de linkerzijde verdedigt zelfs al-Baradei, zonder enige kritiek. De toekomst van de linkerzijde in Egypte wordt gevormd door de jongerenbewegingen en de onafhankelijke vakbonden.”

Mustafa Bassiouni, leider in de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Op dit moment hebben de Revolutionaire Socialisten twee prioriteiten: het steunen van de oprichting van een nieuwe arbeiderspartij en het verdedigen van de onafhankelijke vakbonden. We willen de werkende klasse helpen om hun eigen eisen te ontwikkelen, die niet per se dezelfde zijn als de eisen van de Revolutionaire Socialisten.”

“Ook proberen we zoveel mogelijk linkse krachten te verenigen. Maar alle linkse tendensen verzamelen zal niet dezelfde impact hebben als een krachtdadige linkse partij uit de grond te stampen.”

“Het is enkel wanneer de linkerzijde in de straat actief is dat een nieuw links leiderschap kan ontstaan.”
 

Hisham Fouad, leider in het Sons of Land Center for Human Rights:

“Veel linkse leiders proberen de linkerzijde te verenigen, maar ik denk niet dat ze hierin zullen slagen. Overal proberen linkse activisten activiteit te organiseren: in Tagammu, in de Egyptische Communistische Partij, in de Socialistische Hernieuwingsbeweging, in de Socialistische Volksalliantiepartij.”

“Sommige linkse activisten willen eerst en vooral een gemeenschappelijk front tegen het regime, de islamisten en de liberalen. Andere groepen proberen een arbeiderspartij op te richten door de leiders van de bewegingen in de fabrieken te groeperen.”

“Dit laatste is ook mijn opinie: we moeten banden smeden met de werkende klasse en de arbeiders helpen om hun partij uit te bouwen. Ondertussen moeten we natuurlijk ook participeren in projecten zoals de Socialistische Volksalliantiepartij – zonder hierin illusies te koesteren.”

Haisam Hassan, journalist en activist in de sociaaldemocratische Tagammu partij:

“In de revolutie waren de Moslimbroeders erg georganiseerd, waardoor ze de vruchten van het hele proces tot op vandaag plukken. Interne problemen en hun dubieuze relatie met het regime zorgde ervoor dat de oppositiepartijen weinig effectief waren gedurende de revolutie. Participeren in de volkscomités is de enige manier om een partij op te bouwen en je ideeën in de straat te verspreiden.”

Gihan “Gigi” Ibrahim, leider in de de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Ik denk dat we momenteel weinig vruchten geplukt hebben van de revolutie behalve het feit dat Mubarak weg is en het parlement ontbonden. Wat we vandaag doen is ons politiek werk uitbreiden en eigenlijk voortzetten waar we voor de opstand reeds mee begonnen waren: aanwezig zijn in de arme buurten en nauwe banden smeden met de arbeidersbeweging.”

“We zijn niet met zoveel als bijvoorbeeld de 6 april-beweging, maar we hebben een grotere impact in steden zoals Mahalla, Suez, Alexandrië en Helwan. Dankzij onze connecties en netwerken zijn we in staat om verschillende bewegingen tot een eengemaakte arbeiderskracht om te vormen, die in onze ogen noodzakelijk is om de revolutie te verdedigen.”

“Onze gevechten zijn niet in het parlement, maar in de fabrieken en in de vakbonden.”

“Onze voornaamste taak is het opzetten van een arbeiderspartij en stakingen en de macht van de werkende klasse in een politieke kracht om te zetten. Dat zou vandaag de focus van alle socialisten moeten zijn.”

Muhammad Zaki Murat, linkse acteur en producer:

“We hebben nood aan een echte linkse partij die zich met arbeiderskwesties bezighoudt en die kunstenaars met de werkende klasse in contact brengt om zo een progressieve cultuur te scheppen. Vandaag kennen we de ideale omstandigheden om een werkelijk linkse partij in Egypte op te richten, maar het is de linkerzijde zelf die dit tegenwerkt (lacht).”

Saud Omar, arbeidersleider in Suez:

“Veel linkse activisten stellen dat we een nieuwe communistische partij nodig hebben. Ik ben daar niet tegen, maar ik denk dat we in de eerste plaats een partij op klassenbasis moeten uitbouwen, die veel effectiever en krachtdadiger zal zijn.”

“Een brede arbeiderspartij zonder expliciet communistische of socialistische ideologie, zal een grotere invloed uitoefenen dan een communistische arbeiderspartij. Het zal de ‘bebaarde mannen’, vrouwen, Christenen, armen, enzovoort, aanmoedigen om aan te sluiten en zich te engageren.”

Religie en democratie

Muhammad Abbas, jongerenleider van de Moslimbroeders. Verliet uiteindelijk de organisatie om de progressievere Egyptische Stromingpartij op te richten:

“Ik denk dat de Moslimbroederschap groter is dan een enkele partij. De Moslimbroeders drukken hun ideologie uit in verschillende partijen. De Moslimbroeders zijn steeds voorstander geweest van een civiele partij met een islamitisch referentiekader. Dit is dan ook een fundament van de islam: dat ons land door civiele regels geregeerd wordt.”

“Volgens de grondwet is de sharia de voornaamste bron van de wetgeving. Dit wil zeggen dat, als we geen civiele wet vinden om een probleem of conflict op te lossen, we ons op de sharia baseren. Maar we hebben al civiele wetten die feiten zoals moord enzovoort reguleren.”

“Pas als deze wetten ontoereikend zijn, vallen we terug op de sharia. Sommige mensen zeggen dat islamisten het afkappen van handen van dieven goedkeuren (lacht). Mochten we dit toepassen, dan zouden mensen zich nooit vragen stellen waarom iemand steelt, ze zouden enkel een gruwelijke straf zien, maar niet de redenen waarom iemand een dief wordt.”

Mustafa Bassiouni, leider in de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Na de val van Mubarak onderhielden de Ikhwan een goede relatie met het regime. Hun steun voor de constitutionele amendementen, hun aanvallen op de stakingen en hun oproep om de politie terug op straat te sturen vormen hiervan het bewijs. In de toekomst zal deze band steeds duidelijker worden.”

Gihan “Gigi” Ibrahim, leider in de de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“De Moslimbroeders vormen net zo goed een deel van het oude regime als de andere krachten”

“Ze zijn voortdurend door het oude regime gebruikt en gecoöpteerd geworden. Toen ik tijdens de revolutie in Mahalla met Said al-Husayni, een lokaal Moslimbroederparlementslid, sprak, zei ik hem dat dit zijn moment was, dat hij met zijn grote aanhang een staking in Mahalla moest uitroepen enzovoort.”

“En hij vertelde mij: ‘doe jij het’. Ik was verbijsterd: wat bedoel je, hierop heb je jaren gewacht. Dit is het moment dat je effectief de massa’s kan leiden tegen het regime. Je hebt zo’n massale aanhang, mobiliseer hen dan. Dat is typisch de Moslimbroeders.”

“Ze namen niet officieel deel aan de protesten op 25 januari. Ze kwamen enkel op het einde van de revolutie, toen duidelijk werd dat Mubarak zou vallen. En dat komt niet echt als een verrassing. Als je naar de top van de Broederschap kijkt, dan zijn het elites, zakenmannen, wiens economische belangen nauw verbonden zijn met die van het oude regime.”

“Ze proberen nu religie te mobiliseren om deze belangen te beschermen, maar eigenlijk vormen ze een neoliberale, conservatieve kracht. De Moslimbroeders zijn gewoon een ander gelaat van het oude regime. We willen hen niet aan de macht.”

Menal Khalid, leider in de Cinema Workers’ Union:

“Mochten we nu verkiezingen houden, dan wonnen de groepen die als enige georganiseerd zijn: de Moslimbroeders en de Salafisten. De Moslimbroeders en de politieke islam gebruiken elk middel om een voorsprong op de andere politieke krachten te halen. Nu onderhandelen ze met het oude regime om de bovenhand te hebben.”

Muhammad Zaki Murat, linkse acteur en producer:

“De voornaamste eisen van het Plein waren: vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Dit zijn linkse eisen. Het volk zag deze eisen slechts een keer en herhaalde hen vervolgens keer op keer. Maar omdat de Moslimbroederschap goed georganiseerd is in de straten en sluw is, kunnen ze deze eisen kapen voor hun eigen doeleinden. Ze adapteerden ze in Vrijheid en Rechtvaardigheid – zonder het belangrijke adjectief ‘Sociaal’!”

De arbeidersbeweging

Kamal Abbas, leider van het Center for Trade Union and Worker Services:

“De omstandigheden na de revolutie zijn vruchtbaar om onafhankelijke vakbonden op te richten, we proberen op vergaderingen zoveel mogelijk activisten bijeen te brengen om zoveel mogelijk onafhankelijke vakbonden op te richten. Het is echter een proces van lange adem, dus we beginnen best met het oprichten van vakbondscomités op het niveau van het bedrijf zelf.”

“Bijvoorbeeld in de cementsector hebben ze eerst lokale groepen in verscheidene fabrieken georganiseerd, vooraleer ze een sectoriële vakbond opgericht hebben. De linkse politieke krachten spelen in het algemeen een goede rol omdat ze de arbeiders stimuleren om onafhankelijke vakbonden op te richten.”

“Het probleem is dat de linkerzijde klein en verdeeld is. In de toekomst kan er misschien een arbeiderspartij ontstaan, maar op dit ogenblik ligt onze prioriteit bij het opbouwen van vakbonden en een vakbondsfederatie – en daar kruipt veel energie in.”

“Als we een nieuw Egypte willen, met democratie en sociale rechtvaardigheid, moeten we een krachtdadige vakbondsfederatie hebben en een sterke sociaal-democratische partij”

Kamal Abu al-Eita. Leider van de Real Estate Tax Authority Union (RETAU) en in de bredere onafhankelijke vakbondsbeweging:

“De Egyptische revolutie was voor ons een veilige haven tegen de repressie van het Mubarakregime en de staatsvakbond… Sinds de val van Mubarak zijn er stakingen in alle sectoren van de samenleving. Arbeiders organiseren zichzelf spontaan buiten de staatsvakbond om.”

“Deze arbeidersrevolutie wint en verliest soms terrein. Het oude regime hoopt dat deze beweging ongeorganiseerd zal blijven.  Voor de revolutie werden we reeds gesteund door politieke activisten en krachten, voornamelijk ter linkerzijde. Niet alleen financieel, maar ook met solidariteit.”

“Van de Moslimbroeders kregen we nooit steun. In mijn vakbond van 50,000 leden zit er misschien één Moslimbroeder. De Moslimbroeders bezitten zelf veel fabrieken waar er stakingen plaatsvinden. Zelfs al noemen ze het een ‘islamitische economie’, het blijft kapitalisme. Vroeger gebruikte het regime de Moslimbroeders om de arbeiders schrik aan te jagen.”

Mustafa Bassiouni, leider in de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Veel commentatoren hebben erop gewezen dat de stakingen een van de belangrijkste redenen vormden voor Mubarak zijn val. Na 11 februari vermeerderde het aantal stakingen, maar het huidige regime probeert deze tegen te houden en stelt hen voor als een gevaar voor de revolutie.”

“Ook de media beweren dat de stakingen door aanhangers van het oude regime georganiseerd worden. Desalniettemin duren de stakingen voort tot vandaag: arbeiders vechten tegen corruptie en eisen sociale hervormingen. Deze stakingsgolf is slechts het begin van massieve stakingsgolven.”

Gihan “Gigi” Ibrahim, leider in de de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“In deze revolutie werden zowel politieke als sociaal-economische eisen geformuleerd. Wanneer je met arbeiders praat, merk je dat ze vaak sterk gepolitiseerd zijn, dat ze niet enkel voor een hoger loon staken, maar dat ze eisen dat de corrupte leidinggevenden in een staatsinstelling, vakbond, of fabriek uit hun functies worden gezet.”

“Dat is een erg politieke eis, want wie zetten deze figuur aan de top? Mubarak en zijn dievenbende. Het probleem is dat veel mensen nog steeds de arbeiderseisen als puur sociaal-economische eisen en niet als politieke eisen beschouwen.”

“We moeten zeggen: neen het zijn ook politieke eisen; of liever: we moeten deze eisen met behulp van een arbeiderspartij naar een volgend niveau tillen en een politieke kracht scheppen uit deze zogenaamde sociale eisen. De revolutie stimuleerde dit: arbeiders organiseerden zich spontaan, zonder dat wij met hen in contact stonden in Mahalla en Suez, zonder onze coördinatie. Nu is het onze taak om al deze bewegingen met elkaar te verbinden en hun werking te faciliteren.”

Fatma Ramadan, arbeidersleider:

“Ik analyseer de revolutie niet vanaf 25 januari, maar vanaf de jaren 2000, vanaf de anti-imperialistische en sociale bewegingen en stakingen die toen reeds plaatsgrepen. Alle stakingen en vooral de voortdurende stakingen sinds 2006 anticipeerden de revolutie. Toen de revolutie begon, protesteerden arbeiders als individuen, niet als een georganiseerde werkende klasse.”

“Miljoenen betoogden in Suze, Mahalla en Alexandrië, maar ze waren niet als een klasse georganiseerd. Pas wanneer de arbeiders terug naar hun bedrijven keerden, begonnen ze te staken.”

“De voortdurende stakingen zijn tot op heden de kracht die de revolutie naar meer sociale eisen drijft”

“De voornaamste eisen zijn het ontslag van de corrupte en incapabele managers, het minimumloon, een rechtvaardige aanstelling van tijdelijke arbeiders, de hernationalisering van geprivatiseerde bedrijven, het opnieuw in dienst stellen van ontslagen stakers en gelijke sectoriële lonen. Daarbij komen nog secundaire eisen per tak of bedrijf.”

Leven op het Plein

Ahmed al-Gourd, 6 april-jongerenactivist:

“We waren opgelucht toen de politie in de straten was verslagen. Geloof me, we misten hen niet! We richtten buurtcomités op om onze huizen en gezinnen te beschermen. Veel mensen genoten hiervan: je leeft in een huis en je kent je buren niet en plots ken je iedereen in de straat.”

“Je ontmoet de andere mensen die in je flatgebouw en straat wonen en je leert hen kennen, enzovoort. Het was een ontzagwekkend beeld van hoe mensen erg zelfbewust en verantwoordelijk kunnen zijn – er was bijvoorbeeld geen vandalisme, geen plundering door de bewoners zelf. In Alexandrië beschermden de mensen spontaan de bibliotheek, in Cairo het Egyptisch museum.”

Gihan “Gigi” Ibrahim. Leider in de de Organisatie van Revolutionaire Socialisten:

“Mensen veranderden door de ervaring van Tahrir of door deel te nemen aan de revolutie. Tijdens de 18 dagen die ik op Tahrir spendeerde werd ik als vrouw nooit lastig gevallen. Ik was een vreemdeling tussen mensen die ik nog nooit gezien, van alle bevolkingslagen: arm, rijk, elites, middenklassen, hogere klassen, verschillende religies, alle leeftijden – het maakte niet uit.”

“Ik heb me nooit veiliger gevoeld en ik werd niet lastig gevallen. Anders werd ik dagelijks lastig gevallen, gewoon wanneer ik de straat opging. Elke vrouw in Egypte moet dit doorstaan. Het was doorheen deze ervaring dat mensen de manieren waarop ze denken begonnen te veranderen.”

“Het was dankzij de collectieve strijd en deze ervaring van gezamenlijk strijden op het Tahrir Plein dat deze stereotypen en dogma’s waarin we denken werden afgeworpen”

Fatma Ramadan, arbeidersleider:

“Vrouwen speelden een even grote rol als mannen in de revolutie. Een blik op het Plein bewijst het. Vrouwen van alle politieke strekkingen, links, gepolitiseerd, niet-gepolitiseerd, zelfs Moslimbroeder- of Salafivrouwen, waren aanwezig. Dit had niet enkel een impact op het bewustzijn van vrouwen, maar ook van mannen.”

“Gedurende de dagen van de revolutie waren ze dicht bij elkaar op het Plein en niemand werd lastiggevallen. Een van de Salafi leiders kwam op het podium en zei: ‘Ik verontschuldig mij voor de niet-gesluierde vrouwen’, omdat hij dacht dat het slechte vrouwen waren. Maar nadat hij met hen had gepraat en gediscussieerd, verontschuldigde hij zich omdat hij merkte dat ze een hoog politiek bewustzijn bezaten. Dat was fantastisch.”

Wael Tawfiq, linkse activist:

“Iedereen op het Plein was georganiseerd. Ook meisjes, vrouwen – zelfs vrouwen met een niqaab. Allen waren verenigd zonder stil te staan bij ideologische of religieuze verschillen. Iedereen deed wat hij naargelang zijn mogelijkheden kon doen.”

Kunst en cultuur

Khaled al-Balshy, hoofdredacteur van de linkse al-Badil krant:

“Veel journalisten waren vanaf de eerste dag, 25 januari, aanwezig in de revolutie. Maar er waren twee soorten journalisten: degenen die de revolutie ondersteunden en degenen die haar tegenwerkten. Kranten en websites zoals al-Dostour en al-Badil speelden een belangrijke rol, niet alleen door nieuws te brengen, maar omdat ze de revolutie mee hielpen organiseren, bijvoorbeeld door ontmoetingsplaatsen te regelen.”

“Uiteindelijk veranderden de regimekranten ook hun toon onder druk van de straat. Al-Badil had ook al voor 25 januari een oproep tot protest op de website geplaatst. We schreven veel artikels om mensen aan te moedigen deel te nemen aan de protesten.”

“Nadat het regime de internettoegang geblokkeerd had, konden journalisten niet langer over de revolutie berichten. Al onze journalisten gingen naar het Plein, waar we journalisten van andere oppositiekranten ontmoeten.”

“Door ons te arresteren transformeerde het regime journalisten in activisten”

“Op de eerste dag al werden vijf journalisten van al-Badil gearresteerd. We waren niet alleen Egyptische burgers die de revolutie steunden, maar ook journalisten die hun collega’s hielpen. Ook viel het regime de gebouwen van kranten aan.”

“Zelfs de journalisten van al-Ahram, een regimekrant, begonnen te staken: ze bezetten het kantoor van hun hoofdredacteur en het beleid van de krant veranderde na de Vrijdag van Woede. Het oude regime heeft kranten in de rol van politieke partijen geduwd.”

Salah Abd al-Azim, tekenaar:

“Tijdens de revolutie kwam ik naar Caïro en ik overlegde met mijn vrienden, ook kunstenaars, om tekeningen te maken en deze op Tahrir te verdelen, om tegen de mediacampagne van de staat in te gaan. Mijn tekeningen werden aan de ingangen van het Plein uitgestald, zodat ze zichtbaar waren voor iedereen die naar het Plein kwam.”

“Nadat we de straten rond Qasr al-Ayni en het Parlement hadden ingenomen, maakten we ook een tekening tegen de deuren van het parlement. Toen iedereen aan het discussiëren was of Mubarak zou blijven of opstappen, maakte ik een tekening van Mubarak die op zijn troon zat, waarop een heleboel spinnetjes kropen.”

“Dit was een symbool dat uitdrukte: blijf in je paleis, beweeg je niet, we komen je wel halen. Ik tekende een heleboel exemplaren, kleine en grote. Na de speech van Mubarak, toen hij stelde dat hij zou blijven, marcheerden een heleboel mensen naar het presidentieel paleis met mijn tekeningen in de hand.”

“Er was zelfs een exemplaar van drie tot vier meter dat op een wagen werd rondgedragen. Mensen schreven erop: ga niet weg, we komen je halen!”

“Voor de revolutie konden kunstenaars moeilijk een band smeden met het volk. De meeste Egyptenaren hadden geen contact met kunst of kunstenaars. De revolutie was voor vele Egyptenaren de eerste keer dat ze kunstenaars in actie zagen en voor kunstenaars was het vaak de eerste keer dat ze een massapubliek en volkse feedback kregen.”

“Gedurende dertig jaar hadden de Egyptenaren een emotioneel beeld van Moebarak als de vader des volks. Na het zien van de tekeningen en symbolen op Tahrir breken de mensen de afgodsbeelden in zichzelf af. De mensen kunnen niet terug naar het verleden.”

“Ze hebben de afgodsbeelden van de dictatuur afgebroken en ze zullen geen nieuwe dictatuur aanvaarden”

Menal Khalid, leider in de Cinema Workers Union:

“Voor de revolutie waren enkel politici in politiek geïnteresseerd, kunstenaars deden hun ding en slechts een minderheid van hen nam deel aan oppositiebewegingen. Na de revolutie begonnen alle Egyptenaren over politiek te discussiëren en cinemawerkers engageerden zich in politieke projecten.”

“Nu is op het Plein staan louter een symbolische daad geworden. Je moet naar de wijken gaan. Bewuste acteurs en kunstenaars moeten naar de wijken gaan, vooral de armere wijken, om met hun werk het politieke bewustzijn te stimuleren.”

Muhammad Zaki Murat, linkse acteur en producer:

“Iedereen speelde een belangrijke rol tijdens de revolutie: activisten, artiesten,.. De revolutie bleef gedurende 17 dagen op het Plein, de dag van Vertrek niet meegerekend. Zeventien dagen met een voortdurende protestaanwezigheid noodzaakte ons om ons leven op het Plein te organiseren.”

“Om elkaar te verstaan te midden van miljoenen mensen moesten we een geluidsinstallatie opbouwen, dus hadden we dergelijke specialisten nodig. We gebruikten elektriciteit zonder toestemming van de staat, dus hadden we een elektriciteitsingenieur nodig om deze af te tappen.”

“Wanneer de schurken het volk op het Plein aanvielen, versleepten we wagens naar de grenzen van het Plein en daarvoor hadden we monteurs nodig. Wij als artiesten probeerden de sfeer en de moed bij de demonstranten erin te houden met liederen en gedichten.”

“Tekenaars stimuleerden het politieke bewustzijn”

“Kunstenaars en gewone mensen schreven eisen en symbolen in de grond, op de straten, in de stenen en op de muren om de media en mensen buiten Tahrir op de hoogte te houden van wat er gaande was.”

“Kunstenaars en acteurs richtten een groot podium op, het Revolutiepodium, dat de ideëen van de revolutie moest uitdrukken. Iedereen die wilde kon een speech geven of deelnemen op het podium.”

“Kunst is het meest effectieve middel in de hele wereld, omdat het het eenvoudigste en snelste instrument is om de gevoelens van het volk te bepalen en hen in de goede richting te duwen. Deze rol die kunst vandaag speelt, zal pas ten einde zijn wanneer de revolutie voltooid is en het hele regime gevallen is.”

Brecht De Smet

Brecht De Smet is als onderzoeker verbonden aan MENARG, Middle East and North Africa Research Group, van de Universiteit van Gent.

Voetnoten

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!