Nieuws, Wereld, Economie, Milieu -

Lokalisatie en de globale kenniscultuur: twee basisingrediënten voor een duurzame economie

De Belgische cyberfilosoof Michel Bauwens staat op plaats 82 op The (En)Rich List, een lijst van inspirerende persoonlijkheden die bijdragen tot een duurzame toekomst met een duurzaam economisch model. Bauwens ziet een grote rol weggelegd voor sociale media en burgerparticipatie. Hij ontwikkelt een model met aandacht voor het lokale, zonder de globale verbondenheid te verloochenen.

zondag 25 maart 2012 11:58

Op zondag 6 mei doet Michel Bauwens zijn sociaalecologische ideeën uit de doeken op de tweede editie van Het Groene Boek. Bij wijze van voorsmaakje, interviewde De Wereld Morgen Michel Bauwens.

U reikt een alternatief economisch model aan dat rekening houdt met de ecologische problemen waar we vandaag mee geconfronteerd worden. Wat moeten we daaronder verstaan?

“Om hierop te antwoorden is een duidelijk begrip nodig van ‘the economies of scale’ en ‘the economies of scope’. In een periode van energetische overvloed spreekt men van ‘the economies of scale’. Als je meer kan produceren van een bepaald goed, daalt de prijs en bezit je de potentie andere spelers uit de markt te verdrijven. Dit geschiedde bijvoorbeeld ten tijde van het Romeinse Rijk waarbij men grondstoffen en energie uit de buurlanden ging halen. In een toestand van energetische neergang daarentegen, zoals bij de huidige oliepiek of de klimaatsverandering, dan heb je iets anders nodig. Dit noemen ze ‘the economies of scope’. Hierbij gaat de gemeenschappelijke kost om iets te maken naar beneden.”

Kan je een voorbeeld geven van deze ‘economies of scope’?

“Als je bijvoorbeeld over heel de wereld een bepaald design van een auto kan aanwenden, dan is je productiekost veel lager. Men schakelt over naar een nieuw model, namelijk dat van ‘making on demand’. Men vervaardigt de auto enkel als hij wordt besteld. De auto wordt dus slechts gemaakt in lokale fabrieken wanneer er vraag naar is. Dit model is niet meer afhankelijk van het alsmaar meer produceren. De gemeenschap kan de auto op een zodanige manier vervaardigen dat hij ecologisch verantwoord is. Het is immers geen bedrijf meer die de auto maakt, maar een groep mensen. Dit economische model is ideaal voor een periode van energetische neergang en is van vitaal belang voor de ecologische uitdaging waar we vandaag de dag voor staan.”

Lokalisatie kan dus verbonden worden met een globale kenniscultuur.

“Dat is inderdaad het model dat ik voorstel. Je hebt een lokalisatie van de productie, maar een internationalisatie van de innovatie. Mensen gaan globaal samenwerken om de lokale productie te verbeteren. Louter teruggaan naar het lokale kan niet meer. Men zou niet over voldoende kennis beschikken om lokaal te werk te gaan. Je hebt ook een kennisstructuur nodig en de combinatie van de twee is cruciaal. Deze kennisstructuur wordt mede mogelijk gemaakt dankzij nieuwe technologieën zoals sociale media.”

Volgens jou tonen sociale media een belangrijke fout in ons kapitalistisch systeem. Waarom is dat zo?

“Omdat de individuen die zich associëren via sociale media samen niets maken of produceren. Zij beschikken niet over een collectief object, waardoor de relaties niet sterk genoeg zijn. Youtube produceert zelf geen video’s, Facebook communiceert niet, Google maakt zelf geen documenten aan. Eigenlijk stellen deze media onze gebruikswaarde aan onszelf voor. Wij produceren de waarde en hun platform faciliteert dat proces. Het probleem bestaat erin dat organisaties als Facebook geld verdienen op de kapitalistische markt door het verkopen van onze aandacht aan de adverteerders, maar die waarde stroomt niet terug. Er is meer en meer productie van gebruikswaarde door mensen die hun diensten gratis leveren. Dit is een onevenwichtige situatie voor zowel de gebruikers als voor het kapitaal. Als je geld verdient maar de mensen niet betaalt, dan heb je een probleem van accumulatie. Op termijn heeft niemand voldoende koopkracht. Dat is een tendens binnen wat ik noem het cognitieve kapitalisme die waarde maakt via kennis. De eerste vorm daarvan is ontstaan tijdens het neoliberalisme. Men liet toe de productie te verplaatsen naar de derde wereld met zijn goedkope arbeidskrachten en geld te verdienen via intellectuele rente. Dat systeem valt in elkaar. Het nieuwe model noem ik het ‘netarchisch kapitaal’ dat wel functioneert voor Facebook en Google, maar niet voor de economie en de mensen als geheel.”

Het kapitalisme is dus niet de beste methode om met die nieuwe soort waarde om te gaan. Hoe denk je dat het kapitalisme op deze trend gaat reageren?

“Als je naar het verleden kijkt, dan zie je dat het feodalisme niet kon ontstaan zonder een bepaalde evolutie binnen het Romeinse Rijk. Of neem het voorbeeld van de feodale heer in de zestiende eeuw. Als men begint te investeren in land als een kapitalist, zoals de ‘enclosures’ in Engeland, dan ga je uiteindelijk meer geld verdienen in vergelijking met een landeigenaar die dat niet doet. Op die manier ondermijnt het systeem zichzelf. Volgens mij heb je vandaag hetzelfde fenomeen. Het kapitaal heeft deze nieuwe vormen nodig, maar zo creëert het systeem zelf zijn alternatief.”

Facebook is dus een kapitalistische onderneming.

“Ja, maar uiteindelijk gaan de Egyptenaren Facebook gebruiken om hun regering omver te werpen. Daarin schuilt de paradox.”

De Occupy Wall Street beweging schuift u naar voor als een model voor een nieuw economisch paradigma. Kan u dat nader toelichten?

“Ja, ik zal dit staven aan de hand van een voorbeeld. In Zuccotti park moest de Occupy-beweging aan voedsel geraken. De organische landbouwers van Vermont deelden gratis voedsel uit aan de mensen in het park. Dit had echter een negatieve bijwerking. De straatventers op het plein kregen hun voedsel niet verkocht. Om de straatventers een handje toe te steken, richtte de Occupy-beweging de commissie ‘The occupy wall street vendor project’ op. Deze commissie verzamelde geld om voedsel te kunnen kopen van die straatventers. Hier kunnen we veel uit leren. Op vlak van instituties heb je de gemeenschap die werkgroepen opricht om bepaalde problemen op te lossen en er ontstaat een eigen machtsvorm. Dit is geen kapitalisme dat eindeloos accumuleert zonder rekening te houden met sociale of nationale problemen. Dit is de ‘ethische economie’.”

We zouden niet enkel op economisch vlak iets kunnen leren van het Occupy model, voor politieke vraagstukken biedt het ook een antwoord. U bespreekt de ‘partnerstaat’.

“In de open source economie zien we dat gemeenschappen ‘verenigingen’ oprichten, ik noem ze ‘for-benefit associations’, die de collectieve infrastructuur moeten beschermen, zonder dat zij de mensen vertellen wat ze moeten doen. Zo’n verenigingen die het algemeen belang van de commons beschermen, hebben we ook op territoriaal niveau nodig, en dat is wat ik noem, de ‘partnerstaat’.

In Brest wordt deze staatsvorm in een embryonale vorm reeds toegepast. In deze Franse stad poogt men het sociale leven te verbeteren gebruikmakend van virtuele technieken. De gemeente richtte bijvoorbeeld lokale versies van Facebook, Youtube en Flickr op. Dit gaf mensen de mogelijkheid zelf waarde te produceren en lokale verenigingen online te ontwikkelen. De burgers staan dus niet gebogen onder het beleid en de functie van de gemeente bestaat erin om de autonome waardecreatie van het sociale veld te promoten. Het verschil tussen vroeger en nu is dat die lokale structuren in het verleden gebonden waren aan een territorium en dat we vandaag ‘stammen’ kunnen oprichten rond projecten dankzij onze virtuele verbondenheid.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!