‘Kroatië, mon amour’, column door Jasmina Tesanovic
Nieuws, Wereld, Column -

‘Kroatië, mon amour’, column door Jasmina Tesanovic

De Servische schrijfster Jasmina Tesanovic is met vakantie in Kroatië.

woensdag 18 augustus 2010 11:39

Ik ben een loser, en daar ben ik blij om. Ik ben blij dat ik uit een land kom, Servië geheten, dat in de jaren negentig al zijn oorlogen verloren heeft. Iedere dag verheug ik me erover dat er steeds minder nationalistische feestdagen zijn ter nagedachtenis van heldhaftige nederlagen en valse oorlogsoverwinningen. Het historische verlies aan democratie die zulke gebeurtenissen met zich meebrengen, is namelijk evenmin een reden tot feesten.

Ook ben ik blij dat ik deze zomer in Kroatië heb doorgebracht, aan de Adriatische kust, de kust van mijn jeugd, waar ik leerde zwemmen, kussen en drinken; de kust ook waar mijn inmiddels overleden vader opgroeide en studeerde, en waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen fascisten en nazi’s vocht. Ik hoopte al lang me ooit aan die kust terug te kunnen trekken, om er in alle rust, eerlijkheid en rechtvaardigheid te kunnen leven, en om er, misschien, ook wat te schrijven.

De geschiedenis heeft Kroatië veranderd. Op vijf augustus, de nationale herdenkingsdag van de Kroatische bevrijding, was ik in een streek waar het wapengekletter lelijk huisgehouden had, een streek waar het Kroatische leger aan het einde van een oorlog op korte tijd honderdduizenden Servische burgers uit Kroatië heeft verjaagd.

Vijftien jaar terug was ik in de buurt van die frontlijn. Ik ontmoette er vluchtelingen, etnische Serviërs, vluchtende soldaten in vrachtwagens en auto’s, burgers te voet, vrouwen in nachthemd met baby’s op de arm. Mensen zonder thuis, geld, voedsel of water, en met bittere, wanhopige gezichten. Die Kroatische Serviërs waren door de oorlogsvoerders opgeofferd. Eerst waren ze door hun eigen Servische nationalistische regering uitgebuit om in een guerrilla-oorlog de kastanjes uit het vuur te halen. Vervolgens waren ze door een herbewapend Kroatisch staatsleger onder de voet gelopen en op de vlucht gejaagd. Uiteindelijk legaliseerde het in 1995 getekende verdrag van Dayton de in de Balkan gehouden etnische zuiveringen. Hun vroegere huizen en velden zagen ze niet meer terug.

Nu, vijftien jaar later, was ik dus op vakantie in Kroatië, aan de Adriatische kust, een broeihaard voor Kroatisch nationalisme. Daar had ik geen last van, op die ene keer na, toen ik op het podium werd gehekeld omdat ik een gedicht in het ‘Servisch’, en niet in het ‘Kroatisch’ voorlas.

Ik luisterde er ook naar het stichtende verhaal van een nieuwe vriend, een Kroatische veteraan die net terug was uit Afghanistan, waar hij aan de zijde van de Amerikanen gevochten had. Nu pronkte hij met een Amerikaanse boonie hat met digitale camouflage-opdruk, een geschenk van een Amerikaanse kameraad die, zo hoopte hij, nog steeds in leven was.

Op de vijftiende verjaardag van een oorlog waarin hij als gewapende Kroatische tiener had meegevochten, had hij zo zijn vragen bij wat er was gebeurd. Hij vertelde me hoe hij in 1995 het leven gered had van een oude Servische vrouw die door haar familie was achtergelaten. Het nieuws van het naderende leger had zich verspreid, en de hele Servische bevolking was op de vlucht geslagen. De oude vrouw vroeg de soldaten haar te doden, want ze verwachtte niets anders. Mijn vriends strijdmakker was van plan dat te doen, maar hij weigerde. De oude vrouw bleef leven.

Nadien ging hij de oude vrouw nog vaak bezoeken – hij had haar in leven gelaten. Hij loog haar voor dat zijn naam ‘Hrvoje’ was, wat ‘Kroaat’ betekent, maar zij had de politieke draagwijdte van die naam al snel door. Ze verwelkomde hem altijd erg opgetogen in haar nieuwe Kroatische huis, en gaf hem te drinken en te eten. Zelfs als hij haar gedood zou hebben, zou dat geen ‘oorlogsmisdaad’ geweest zijn, zo beweerde hij, maar eerder de schuld van het leger of de terugtrekkende Servische rebellen.

Ik vraag me af wat haar versie van de feiten is. Ik twijfel er niet aan dat ze deze stoutmoedige achttienjarige soldaad die haar leven redde, genegen is, maar ik ben er ook zeker van, dat ze van het leven dat hij redde, niet zoveel meer houdt.

Net zomin zijn mijn buitenlandse vakanties in Kroatië nog dezelfde als mijn eigen vakanties in Kroatië. De mooiste kust ter wereld, de blauwe zeeën die op de ogen van wijlen mijn moeder lijken… Nu behoren ze een andere geschiedenis toe, een geschiedenis waarin taal een gebruiksvoorwerp van de staat is, niet van de mensen die haar spreken.

Aangezien ik een Servische verraadster ben, en ik het Servische nationalistische beleid altijd bekritiseerd heb, vind ik het wat vreemd van mezelf dat ik mijn land zonet nog prees, al was het omdat het zijn oorlogen verloren heeft. Maar: ik wil voor mijn land leven, er niet voor sterven, zoals de Zwitserse schrijver Max Frisch placht te zeggen. Met het verstrijken van de tijd ben ik tot de conclusie gekomen dat ik zelfs wil leven voor een land dat niet langer het mijne is. Hier, aan de Kroatische kust, val ik ten prooi aan een bot historisch opportunisme, en de Zuid-Servische wortels van de Europese beschaving worden verborgen onder het ruisende bladerdak van de globalisering. Mocht ik de keuze krijgen, dan gaf ik zonder aarzelen alle Servische oorlogsmonumenten in Kosovo voor een duik in de Adriatische Zee.

De Balkanbewoners van morgen verdienen multiculturele speeltuinen, geen omgewoelde graven.

Jasmina Tesanovic

(Vertaling uit het Engels: Steven Haerens)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!