(foto: Ed Kashi)
Boekrecensie -

De klimaatstrijd is een sociale strijd

De tweede recensie die DeWereldMorgen inruimt voor "No Time", het nieuwe boek van Naomi Klein, wordt verzorgd door Dirk Holemans. Hij ziet in de Amerikaanse situatie die zij schetst dan wel verschillen met de Europa, maar herkent vooral overeenkomsten. En noodzaken, bijvoorbeeld om natuur- en milieubewegingen te repolitiseren. Hoewel Holemans zeker kritiek heeft op "No Time", voelt hij zich geïnspireerd en zelfs hoopvol gestemd door het boek.

dinsdag 25 november 2014 14:41

Met
No Time. Verander
nu, voor het klimaat alles verandert

heeft Naomi Klein opnieuw een belangrijk boek geschreven. Ze toont
hoe onze honger naar fossiele brandstoffen de aarde onleefbaar maakt,
plaatst de onmacht op vlak van klimaatpolitiek in een
politiek-historisch kader en roept op tot radicaal verzet. Het boek
formuleert ook een denkoefening, want de situatie in West-Europa waar
amper grondstoffen worden ontgonnen en geen inheemse volkeren wonen,
is helemaal anders dan op een plek waar ze naar olie boren in je
voortuin en waar grote gebieden nog in handen zijn van natives.

Maar de belangrijkste boodschap van No Time is dat we de
klimaatopwarming enkel kunnen aanpakken als we haar kaderen in een
bredere sociale strijd voor rechtvaardigheid en autonomie – en dat een
sociale massabeweging nodig is om die trendbreuk te
bewerkstelligen.

De
uitdaging geschetst

Zoals
Klein schrijft, blijft onze cultuur – geconfronteerd met een crisis die
het overleven van onze soort bedreigt  doorgaan met wat de crisis
veroorzaakt. Het aanstichter is volgens Klein het dominante
economisch systeem: het gedereguleerd kapitalisme, de heersende
neoliberale ideologie. Dit kapitalisme draait in essentie niet zozeer
om wereldhandel, die is er altijd al geweest, als wel om een mondiaal
beleidsplan, ontwikkeld in rechtse denktanks. Het streeft naar
maximale vrijheid voor multinationals om hun goederen zo goedkoop
mogelijk te verkopen, terwijl ze zo weinig mogelijk belasting betalen.

Klein
stelt de klimaatverandering onomwonden voor als een strijd tussen het
kapitalisme en de planeet. En op dit moment wint het kapitalisme op
zijn sloffen. Dat zal enkel veranderen als we radicaal anders gaan
denken, een wereldbeeld uitbouwen waar we de natuur, andere naties en
eigen buren niet als concurrenten zien, maar als partners in een
groots project waarbij we elkaar wederzijds opnieuw uitvinden. In die
zin volgt Klein het denken van het ecologisme: niet alleen moeten we het
kapitalisme bekampen zoals het zich vandaag voordoet, het gaat eveneens om
een kritiek op “de
bouwstenen van het materialisme dat voorafging aan het moderne
kapitalisme, een mentaliteit die ook wel ‘extractivisme’ wordt
genoemd”. De
gelijkenis is treffend met wat Harald Welzer schrijft in Zelf
Denken
.

Rechtse
conservatieven begrijpen het

Het
boek begint ijzersterk. Het maakt duidelijk waarom rechtse
conservatieven veel beter begrepen hebben wat er op het spel staat.
En waarom ze klimaatopwarming op georganiseerde wijze ontkennen en er
veel geld tegenaan smijten. Als ze dat niet doen, moeten ze al hun
privileges opgeven, gebouwd op het leegroven van de aarde en ongelijke
machtsrelaties. En zal er vanuit ecologische
rechtvaardigheid werk worden gemaakt van grotere gelijkheid.

Kortom:
dit zou het einde van het kapitalisme betekenen zoals zij dat kennen
en gewoon zijn om er de vruchten van te plukken. Als conservatieven
toegeven dat de klimaatverandering een realiteit is, verliezen ze de
belangrijkste ideologische strijd van onze tijd.

Waarom
vrijhandelsakkoorden destructief zijn

Klein
legt een belangrijk verband tussen het succes van
vrijhandelsakkoorden en het debacle van klimaatconferenties en -beleid. Dat verklaart ze ook historisch: met de val van de Muur in
Berlijn kwam een einde aan een periode waarin overheden zelfzeker een
stevig milieubeleid uitbouwden, waarin het concept duurzame
ontwikkeling tot wereldwijde samenwerking leidde en vooral democratie
nog iets betekende.

Met
de val kregen de neoliberale krachten vrij spel: rechtse denktanks
hadden snel door dat je een doortastend klimaatbeleid kan ondergraven
als het primaat van wereldwijde vrijhandel belangrijker wordt dan al
het andere, inclusief het overleven van de planeet. Hiervoor
ontwikkelden ze krachtige instrumenten als de
Wereldhandelsorganisatie en zijn er Vrijhandelsakkoorden gekomen. En met
succes: we hebben nu multinationals die landen aanklagen omdat ze
een sterk milieubeleid willen voeren (zoals toen Duitsland besliste
haar kerncentrales te sluiten). Zoals Klein schrijft: “Bijna
tien jaar geleden beweerde een functionaris van de
Wereldhandelsorganisatie dat de organisatie de mogelijkheid biedt om
‘vrijwel elke maatregel om de emissie van broeikasgassen te
verminderen’ aan te vechten’.”

Klein
stelt pertinente vragen zoals: “wat is het effect van de
gigantisch toegenomen afstanden die basisgoederen nu afleggen op de
CO2-emissies die men met behulp van de klimaatonderhandelingen wil
terugdringen?” Deze vragen stellen regeringsleiders nooit op een
klimaattop. Die gaan uiteraard niet over het (vrij)handelsbeleid.

Groene
organisaties graven hun eigen graf

In
de roman Vrijheid
vertelt Jonathan Franzen het verhaal van een natuurbeschermer die
gaat samenwerken met een oliemagnaat om een totaal maf project te
realiseren: het redden van een natuurgebied met geld van de
magnaat, op voorwaarde dat een deel ervan totaal vernietigd mag
worden door bergtopmijnbouw. Ik vond het een straf maar
ongeloofwaardig verhaal.

Klein toont dat de waarheid straffer
is dan fictie. In de Verenigde Staten zijn er niet alleen natuur- en
milieuorganisaties die samenwerken met bedrijven die het niet zo nauw
nemen met het milieu (zoals Natuurpunt bij ons zich liet
sponsoren door Electrabel), maar gewoonweg leven op basis van de
opbrengsten uit oliewinning in het natuurgebied dat ze zogenaamd
beschermen! Daarom begrijp je ook waarom de nieuwe radicale
klimaatbeweging zo wantrouwig staat tegenover gevestigde
milieubewegingen (Voor alle duidelijkheid: niet iedereen ging mee
overstag: bijvoorbeeld Greenpeace en Friends of the Earth hebben hier
nooit aan meegedaan). Maar depolitisering van natuur- en
milieubewegingen is wel een serieus thema, ook bij ons.

Het
publieke domein heropbouwen

Aan
de hand van het voorbeeld van Hamburg, waar op basis van een
referendum in 2013 de stad het stroomnet terugkocht na eerdere
privatisering, pleit Klein voor de heropbouw van het publieke domein.
Daarbij gaat het niet om een hernationalisering, want zoals Klein
schrijft “ligt de
oplossing uitdrukkelijk niet in het volgens de bestaande modellen
nationaliseren van bijvoorbeeld energiebedrijven”.
Grote staatsoliemaatschappijen hebben meestal dezelfde honger naar
koolstofvoorraden als hun tegenhangers in de private sector.

De
oplossing ligt enerzijds in decentralisatie, zodat burgers hun
autonomie terug kunnen opnemen, in een nieuwe vorm van samenwerking
tussen lokale overheden en burgers. En burgerinitiatieven – denk
aan energiecoöperaties  spelen een cruciale rol. Anderzijds hebben
de nationale overheden de taak om de uitbouw van deze lokale,
decentrale netwerken te ondersteunen (zoals Duitsland doet op vlak
van hernieuwbare energie). Tevens moet deze hogere overheid terug
tanden krijgen, zodat ze de maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om
het tij te keren (om bijvoorbeeld het geld bij elkaar te krijgen om
de transitie te financieren, zoals een stevige CO2-taks).

Maar zoals
we zelf elke dag ondervinden, zullen regeringen deze daadkracht niet
uit zichzelf ontwikkelen. Hiervoor is er nood aan sociale strijd:
“Als we collectief
de enorme opdracht van deze crisis willen vervullen, zal er een
krachtige sociale beweging politiek leiderschap moeten eisen (en
creëren), dat zich er niet alleen aan verbindt om de vervuilers te
laten betalen voor een klimaat dat klaar is voor het publieke domein,
maar dat ook twee verloren gegane vaardigheden laat herleven:
openbare planning op de lange termijn en nee zeggen tegen machtige
bedrijven.”

Het
antwoord op de verslaving

In
Noord-Amerika is de verslaving aan fossiele brandstoffen zichtbaar en
voelbaar: in de uitgestrekte bovengrondse teerzandmijnen, maar ook door duizenden ‘kleine’ fracking-installaties in evenveel gemeenten en
steden. Het is dan ook logisch dat hier de kiemen zijn ontstaan voor
een nieuwe, radicale klimaatbeweging die terug ‘nee’ heeft leren
zeggen: ‘nee, oliebedrijf, je hebt niet het recht om mijn
leefomgeving te vernietigen. Al heb je de steun van de regering’.
Het is deze radicale positionering die ons zeker kan inspireren in
West-Europa, waarbij we al te vaak tevreden zijn met halfzachte
maatregelen, hoewel we eigenlijk beseffen dat ze schromelijk tekortschieten.

Klein
is dus duidelijk. Dit is niet langer de tijd van halfzachte
compromissen met diegenen die klimaatopwarming geen groot probleem
vinden. Integendeel, vanaf nu eisen we dat het merendeel van de olie
en gas in de grond blijft, vanuit een duidelijk wereldbeeld gestoeld
op waarden als sociale gelijkheid en ecologische rechtvaardigheid.
De bestaansreden van sociale bewegingen ligt in het bekampen van de
dominante neoliberale waarden en het tonen van andere manieren van
leven. De strijd gaat dus ook tussen culturele
wereldopvattingen.

Links
extractivisme

Ik
schreef al dat Klein het moderne wereldbeeld fundamenteel
bevraagt. Zo schrijft ze helder: “De
Westerse cultuur van na de Verlichting biedt ons geen routekaart naar
een manier van leven die niet gebaseerd is op een extractivistische,
niet-wederkerige relatie met de natuur”.
Daarbij blijft links niet buiten schot. Zo stelt Klein aan de kaak
dat de linkse partij Syriza, de partij van de hoop in Griekenland, er
niet op tegen was dat de regeringscoalitie nieuwe olie- en gasvelden
wilde exploiteren. Daarmee wilde Syriza de pensioenen betalen in
plaats van de schuldeisers. Zoals Klein deze positie analyseert: “Ze
boden geen alternatief voor de grondstofwinning, ze hadden alleen
betere ideeën voor het verdelen van de buit”.

Vanuit
deze optiek besteedt Klein een belangrijk deel van haar boek aan het
verzet van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen tegen
extractie. Uit die strijd kunnen we veel leren: de vastberadenheid,
soms gepaard met grote wanhoop, om met ongelijke wapens te vechten
tegen de multinationals. Klein verwijst hierbij ook expliciet naar
het wereldbeeld van deze gemeenschappen, die zich nog verbonden
voelen met de aarde. Voor hen is de aarde geen ‘natuurlijke
hulpbron’, maar de bron zelf van alle leven. Klein pleit er dan ook
voor om te erkennen dat wij niet de baas zijn, maar onderdeel van een
gigantisch levend systeem waarvan wij tegelijk afhankelijk zijn.

Dit
is uiteraard een gekende traditie binnen het ecologisch denken (Klein
verwijst naar Carolyn Merchant). Het boek toont dat ook vandaag, op vele plekken op de wereld, dat gevecht tegen extractivisme
wordt gevoerd vanuit andere wereldbeelden. Zo kunnen sommige stammen
in Noord-Amerika zich daadwerkelijk beroepen op juridische
instrumenten: oude verdragen die werden afgesloten bij de
kolonisering van hun leefomgeving, worden nu soms succesvol ingezet
om olie- en gaswinning tegen te houden.

Wat
ontbreekt: het spiegelperspectief

De
grote aandacht voor de strijd van inheemse volkeren is voor mij toch
ook het zwakke punt van het boek. Nadat het Westen de voorbije eeuwen
inheemse volkeren over heel de wereld gekoloniseerd heeft en hun van
hun rijkdommen heeft beroofd, geeft het een vreemd gevoel om nu een
belangrijk deel van de verantwoordelijkheid bij hen te leggen om te komen tot een
daadkrachtig klimaatbeleid. We kunnen zeker leren
uit hun mens- en wereldbeeld (zonder het te idealiseren), en we
moeten op zoek naar een autonomiebegrip voorbij dat van de
Moderniteit (waarbij controle en overheersing, ook van de natuur,
centraal staat), maar we moeten in de eerste plaats naar ons zelf
kijken: de hyperconsumerende middenklasse. En dat doet Klein veel te
weinig.

Ze richt haar strijd vooral tegen de aanbieders
van fossiele brandstoffen: de grote olie- en gasconcerns. En laat de
vele vragers
van deze goedkope energie, wij zelf dus, buiten schot. Want wat
als morgen de CEO’s van de olie- en gasconcerns het licht zouden
zien, en meteen de bevoorrading aan fossiele brandstoffen op korte tijd
zouden afbouwen…?

Conclusie

Ook met deze laatste kritiek
blijft het nieuwe boek van Klein een enorme verwezenlijking, een
mustread
om ons te laten inspireren. Vooral met het verbinden van de vele
strijden over de wereld (tegen extractivisme) met de strijd voor een
wereldbeeld gestoeld op sociale gelijkheid en ecologische
rechtvaardigheid, geeft ze een sterke aanzet tot een routemap naar
een nieuwe toekomst. Daarom wil ik ook eindigen met een boodschap van
hoop uit No Time:

“Uit
het verzet tegen risicovolle en extreme extractie-activiteiten
ontwikkelde zich een brede volksbeweging met netwerken over heel de
wereld, die haar weerga binnen de milieubeweging nauwelijks kent. En
we zouden het misschien zelfs helemaal geen milieubeweging moeten
noemen, aangezien ze in de eerste plaats voortkomt uit de wens tot
een andere vorm van democratie; een democratie die gemeenschappen
werkelijk zeggenschap geeft over de hulpbronnen die het essentieelst
zijn voor ons collectief overleven – gezond water, gezonde lucht en
een gezonde bodem.”

Dirk
Holemans is coördinator van Oikos, denktank voor sociaalecologische verandering

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!