Nieuws, Europa, Cultuur, België, EU, Cultuurbeleid van de EU -

Het EU-cultuurbeleid doorprikt

Creative Europe, het cultuurbeleid van de Europese commissie 2014-2020, is sinds enkele dagen officieel gestart. Hierbij een korte handleiding die helpt de goednieuwsshow te doorprikken.

maandag 6 januari 2014 14:14

Cijfers

Er wordt wat afgegoocheld met cijfers in de perscommunicatie. De EU heeft de budgetten van Media en Cultuur samengevoegd en een gezamenlijk budget begroot van 1,46 miljard euro waarvan minimum 31 procent en maximum 34 procent naar ‘cultuur’ kan gaan. Dat zou voor zowel Media als Cultuur gemiddeld een budgetverhoging zijn van 9 procent vergeleken met de vorige ronde (2007-2013).

Er wordt niet bijverteld dat het nu over meer landen gaat (ook bevriende niet-EU landen of steden komen in aanmerking) en ook over veel meer sectoren. De EU heeft het vanaf nu immers niet langer over ‘kunst’ of ‘cultuur’ maar over ‘cultural and creative industries’ en die verzameling is dermate rekbaar dat het moeilijk wordt een bedrijfstak te vinden die hier niet direct of indirect voor in aanmerking komt.

Door het samenvoegen van het cultuurbeleid van Media en Cultuur moet de kunstensector zich tevens aanpassen aan managementmodellen die in de marktgerichte mediabusiness standaard zijn. Dit groot nadeel laat zich natuurlijk moeilijk in cijfers uitdrukken. Dat cultuur uiteindelijk maar 0,05 procent van het totale budget krijgt, wordt om evidente redenen ook liever verzwegen.

Creative Europe zou in fondsen voorzien “voor minstens 250.000 kunstenaars en culturele professionelen, 2.000 cinema’s, 800 films en 4.500 boekvertalingen”. Hoe men aan die cijfers komt nu de eerste aanvraag nog moet worden ingediend, is een raadsel. Vooral als we merken dat de subsidievoorwaarden van die aard zijn dat individuele kunstenaars vrijwel niet in aanmerking komen.

Voorwaarden

Uit de aanvraagprocedures Cultuur blijkt dat de EU enkel geïnteresseerd is in grote projecten die de transnationale of internationale competentie van de ‘culturele of creatieve sectoren’ versterken (zoals de oprichting van samenwerkingsverbanden, netwerken of platforms).

“Het gaat bijgevolg niet om een cultuurbeleid dat inzet op de ondersteuning van de artistieke vrijheid van de kunstenaar maar op een martkconform beleid gericht op vrijhandel, public relations management, schaal en omzet.”

Individuele kunstenaars komen dus alleen aan bod voor zover zij een rol kunnen spelen in de subsidieaanvraag van bedrijven of grote instellingen. Meestal blijft het meeste geld ook daar plakken. Kunstenaars die niet-marktvriendelijk zijn (die zich niet willen laten commercialiseren of die te kritisch zijn) hebben pech. Net zij hebben nochtans steun nodig.

Opmerkelijk: de EU overweegt ook enkel kandidaturen van instellingen uit landen wiens nationale overheid als wetgever het EU-cultuurbeleid definitief aanneemt. De stok achter de deur: kritische politici die de autonomie van het eigen cultuurbeleid willen vrijwaren ‘straffen’ zo indirect een aantal van hun landgenoten.

Nog opmerkelijker is de censuur: de EU ondersteunt alleen projecten die nadrukkelijk de doelstellingen van Europe 2020 ondersteunen. U denkt er de saneringspolitiek van Merkel maar zelf even bij.

Kortom: een tentoonstelling met kritische kanttekeningen bij neoliberale beleidsmantra’s genre ‘besparen is noodzakelijk in het belang van innovatie en groei’ kan in principe niet. Een theaterstuk over het democratisch failliet en de sociale afbraak van de ‘PIGS’ (Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje) evenmin. Exit maatschappelijk geëngageerde kunst.

Ideologie

Creative Europe staat vanzelfsprekend volledig in het teken van het hoofddoel van het Europabeleid: de internationale concurrentie. Zowel de VS als Europa verloren de laatste jaren snel en veel terrein ten aanzien van de opkomende BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika). Bovendien werd de crisis die in 2007 in de VS begon flink afgewenteld op Europa.

Barosso gaf publiekelijk toe dat de EU een stille revolutie doorvoerde op de natiestaten en nu alles in het werk zet voor de concurrentiekracht. Lees: om de winst te vrijwaren, worden lonen, werkomstandigheden, sociale zekerheid en openbare diensten afgebouwd om bedrijven meer ‘zuurstof’ te geven (voor het uitbetalen van hoge dividenden). Wie opkomt voor een sociaal Europa is er aan voor de moeite: de strijd met landen als Bangladesh valt evenwel niet te winnen zonder Europa terug te katapulteren naar de middeleeuwen.

In deze optiek heeft de EU nu ook de kunsten ontdekt. Niet-artistieke doelstellingen staan daarbij helaas centraal en dat knijpt de verbeelding domweg dood.

  • Kunst moet een motor van marktgerichte innovatie worden, in functie van ‘creatieve industrieën’, citymarketing, cultuurindustrie, etc. Niet alleen moet kunst commerciëler worden, ze moet in al haar dimensies ook ten dienste staan van de markt.
  • Kunstenaars moeten onze economische regio een creatief imago geven. Zo wordt de ‘creatieveling’ een ideologische lokeend voor investeerders. Kunstenaars worden steeds meer afhankelijk van commerciële samenwerking waardoor ze -onvermijdelijk – door een breed publiek als ‘commerçant’ worden versleten.
  • De publieke cultuursector dient als pasmunt voor de ‘Grote Uitverkoop’. De sector wordt ‘seed-money’ voor de markt: de cultuurhuizen moeten ‘investeerders’ lokken waarna overheden zich uit de cultuursector kunnen terugtrekken. ‘Zelfbestuur’ (lees: ‘creatief’ management via allerhande commerciële deals) wordt de norm.

“Kortom, Europa dringt onder het mom van een steunbeleid een neoliberale cultuurpolitiek op die samen te vatten is in twee werkwoorden: privatiseren en vermarkten.”

Kunstenaars die voor subsidies in aanmerking willen komen, zullen in hun creatieproces steeds meer rekening moeten houden met de trends en het conformisme van de markt, in de hoop een breed publiek te kunnen aanspreken en zo eventueel kans te maken op ondersteuning.

Doorgaans tevergeefs: in Nederland zagen we bijvoorbeeld al dat beloofde subsidies voor wat ‘creatieve industrie’ heet, niet bij kunstenaars, vormgevers of grafisch ontwerpers terecht komt maar bij multinationals als Philips… . (cf. ‘Innovatiesteun vooral naar tien slokoppen.’ De Standaard, 5 maart 2013).

Beleidsmakers repliceren dan soms met de dooddoener: “wat is er mis met commerciële kunst?”  Het punt is uiteraard dat daar cultuursubsidies naartoe moeten gaan terwijl niet-marktgerichte kunst sowieso al in de verdrukking zit.

Toch ziet het er naar uit dat heel wat van onze cultuurambtenaren of kunsteninstellingen dit EU-beleid enthousiast zullen omarmen en zo eigenhandig het voortbestaan van onze publieke cultuursector op de helling zetten, ondermeer omdat het via de overheid en haar steunpunten allemaal zo sympathiek wordt voorgesteld.

Robrecht Vanderbeeken is filosoof

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!