Gelukkige slaven
Nieuws, Cultuur, België, Recensie, Tom Lanoye, Boekrecensie, Gelukkige slaven -

‘Gelukkige slaven’ van Tom Lanoye: rad van onfortuin

"Als hij had moeten kiezen tussen heimwee of kanker? Hij koos voor kanker. Maar er viel niet te kiezen, besefte hij, rillend, zeeziek deinend in zijn stoel. Je kreeg ze vanzelf. Allebei." 'Gelukkige slaven', de nieuwe roman van Tom Lanoye, raast door een verziekte wereld. Je kan reizen zoveel je wilt, ontkomen doe je niet.

donderdag 26 september 2013 10:30

Hoewel recente dubbelinterviews van Tom Lanoye met econoom Paul de Grauwe (in Knack) en VOKA-bestuurder Jo Libeer (in De Tijd) anders suggereren, is ‘Gelukkige slaven‘ niet in de eerste plaats een gefictionaliseerde analyse van de financiële wereld.

Lanoye richt zich vooral op de mate waarin kosmopolitisme, dat wereldwijd vertakte burgerschap, zich verhoudt tot de persoonlijke en lokale tragiek. Identiteitsvorming in “de moderne middeleeuwen, die van de globalisering”. Vandaar ook de spiegel- en dubbelgangermotieven die elkaar in razende vaart opvolgen.

De misbruiken door een “multicultureel, internationaal huurlingenleger van een haute finance” (in Joos op Radio 1) vormen één symptoom van deze geglobaliseerde werkelijkheid. Andere ziekteverschijnselen zijn de onteringen die gepaard gaan met massatoerisme en het kapen van maatschappelijke hervormingen voor eigen gewin.

Verraad en geweld zetten steeds de rolverdeling tussen daders en slachtoffers op hun kop. De wereld is een dolgedraaid rad van onfortuin.

Voor de Poen

Dertig jaar geleden debuteerde Tom Lanoye als prozaschrijver met de bundeling polemische kritieken ‘Rozegeur en maneschijn’. Daarin veegde hij de vloer aan met de toenmalige Vlaamse literaire wereld. Als opdracht koos de jonge auteur de provocatieve kreet ‘Voor de Poen’. Enkele jaren later volgden de verhalenbundel ‘Een slagerszoon met een brilletje‘ (1985) en zijn eerste roman ‘Alles moet weg‘ (1988).

Titels die niet toevallig de Vlaamse commercie incarneren. Hoofdpersonage van ‘Alles moet weg‘, later verfilmd door Jan Verheyen, is de rechtenstudent Tony Hanssen, die besluit zijn studie op te geven en de baan op te gaan als handelaar.

Het leven van een deur-aan-deurverkoper blijkt geen sinecure, al is de handelaar in gebakken lucht overtuigd van zijn commerciële talent: “Niets van wat ik verkoop, heb ik bij me. Ik werk alleen met folders, monsters, stalen en demonstratieflacons. Anders gezegd: met mooi verpakte lucht. Maar daar werk ik het liefst mee. Dan kan ik drijven op de kracht van mijn woord. Hoe meer ik praat, hoe meer de mensen achter mijn koopwaar aan zullen lopen zoals een ezel achter een wortel.”

Zijn overmoedige verkoopspraatjes ten spijt loopt de droom van de kleine zelfstandige ondernemer spaak. Een bankoverval als wraak voor de schulden van een vriend draait verkeerd uit en Tony ontvlucht het land.

“Ik moest weg uit België. Om meer dan één reden, maar vooral omdat ik het er kotsbeu ben. Er valt niets te beginnen. Het klinkt misschien raar, maar het is er te klein voor mij. Te benepen. Te weinig zuurstof. Ik zit nu in de haven van Rotterdam. Ik wil hier aanmonsteren. De lange vaart. Het Midden-Oosten en verder.”

Gelukkige slaven’ voert Tony weer op. Of althans een oudere versie van hem. In tweevoud. De lange vaart weg van het kleine België loopt uit op een roetsjbaan langs Latijns-Amerika en Zuid-Afrika naar China.

Tony in het kwadraat

De twee hoofdpersonages van Lanoyes nieuwste roman heten allebei Tony Hanssen. De ene Tony, een loser in het diepst van zijn gedachten, heeft jaren geleden zijn ‘mamaatje en papaatje’ en zijn universiteitsstudie achtergelaten.

De advocatenpraktijk van zijn vader en de provincialistische bourgeoisie konden hem gestolen worden. Twintig jaar lang reisde hij de hele wereld rond op vracht- en cruiseschepen. Tijdens pleziervaarten praatte hij de meestal bejaarde genotzoekers moeiteloos naar de mond. Hard labeur of betaalde flikflooierij, onafhankelijkheid had hij hoog in het vaandel.

“Hij had leren leven als nomade, als dwangmatige zwerver, verstekeling zonder doel, en dat lot had hem prima bevallen.” Tot hij er genoeg van had en een bezoek aan ’s werelds grootste gokpaleis in Macau hem opzadelde met een torenhoge schuld bij de Chinese zakelijke mogol Bo Xiang.

De andere Tony is een computerexpert die België ontvlucht is nadat de bank waar hij werkte, is gecrasht. Hij is een zelfzeker alfamannetje dat met zijn kennis van algoritmes en zwendelpraktijken gulzige beleggers stroop om de mond smeerde ten bate van de nog gulziger bankelite.

Hij wil de rol van zondebok niet op zich nemen en beraamt – met memorysticks vol bedrijfsgeheimen als levensverzekering – een plan om zich volledig te kunnen rehabiliteren. Spijt heeft hij niet, het enige dat hij wil, is met zijn vrouw en kind herenigd worden.

Voor beide Tony’s is de grote afwezige het Westen, vooral het oude Europa met Vlaanderen als centrum, die “onwelriekende navel van een versleten continent”. Vlaanderen is zo expliciet afwezig of verdrongen dat er een drukkende aanwezigheid uit groeit.

Het voortdurend als klein omschreven vlakke land aan de Noordzee raakt hen via de familiale wortels, die ze nooit ondubbelzinnig kunnen verbreken dan wel herstellen.

Het kleine Vlaanderen is een vertrouwde steen des aanstoots voor Lanoye. Als motief raakte het verweven met het Vlaamse ondernemerschap, in ‘Alles moet weg‘ en ook in zijn Monstertrilogie over een familiaal zakenimperium in West-Vlaanderen.

In ‘Gelukkige slaven‘ verplaatst Lanoye zijn tragikomische figuren naar een mondiaal speelveld, maar het bekrompen Vlaanderen blijft een weerkerende referentie, die bovendien een retorische weerklank heeft.

De wereldreiziger Tony, die zijn mamaatje achterliet zonder ooit van haar los te komen, vindt de Vlaamse taal op zich al een pietluttige uitdrukking van kleingeestigheid: “Geen taal ter wereld was zo aangetast door de schimmel van het verkleinwoord als de Vlaamse variant van het Nederlands. […] En met altijd, altijd: die blijvende, stompzinnige onmondigheid, zelfs al kwekten ze inmiddels nog zo vlot. […] Een biefstukske met een glazeke wijn erbij. Een toerke rond den hof. Gazetje, sigaretje, bakske koffie: alles op ’t gemakske.”

Zwart humanisme

Hoe ver zijn personages ook reizen, Lanoye bevindt zich steeds op bekend terrein. In zijn barokke, beeldende stijl beschrijft hij twee Vlamingen die het minuscule Vlaanderen hebben ontvlucht. Ze willen afstand nemen van de Vlaamse kleinburgerlijke bekrompenheid, maar ervaren ‘burgerlijke heimwee’ of zijn chronisch ‘blind en onbeholpen’.

Zoals eerder, in onder meer de Monstertrilogie, wijzen falende seksuele daden op een bredere malaise. De herhaalde frase “Maar klaarkomen deed hij niet” knipoogt naar het bekende gedicht ‘Het huwelijk’ van zakenman-schrijver Willem Elsschot (“Maar doodgaan deed hij niet”).

Het zijn niet alleen wetten en praktische bezwaren die Lanoyes personages dwarszitten. De mens stort zich steeds weer in zijn eigen onheil. Gokken en verliezen schijnen wel ingebakken, net als de voortdurende noodzaak om de ander een rad voor de ogen te draaien, ook al blijft elkeen onwetend over de eigen incompetentie.

Meegesleurd op een mondiale rollercoaster lijkt het er aanvankelijk op dat de culturele gemeenplaatsen over Argentinië, China en andere oorden deel uitmaken van de wereldvisie van de twee Tony’s. Dit discours blijft echter de boventoon voeren.

Pas wanneer de zwarte Zuid-Afrikaan Khumalo aan het woord komt, snijdt ‘Gelukkige slaven‘ echt dieper. In een indrukwekkende monoloog, niet toevallig het scharnierpunt van de roman, beschrijft de man – die pijn als beste vriend heeft – zijn levensverhaal.

Het apartheidsregime, de Struggle die voor bevrijding moest zorgen en de daaropvolgende ANC-jaren verminkten zijn bestaan. De zucht om vrijheid werd gekaapt door geweld en corruptie (eerder al ‘epidemisch gesjoemel’ genoemd).

Het verraad van zijn strijdmakkers is pijnlijk, maar niet helemaal onbegrijpelijk: “Onderdrukking is een wiel. Wie erdoor geplet wordt, rolt het ’s anderendaags met des te meer koppigheid over een ander heen. De gevaarlijkste dader is een slachtoffer.”

Khumalo is beide, dader en slachtoffer. Het meest intrigerende personage van ‘Gelukkige slaven‘ functioneert als een zwarte deus ex machina. Of toch deels. Zijn ingreep is plots en krachtig, maar lost de persoonsverwarring niet op, integendeel.

Khumalo duwt de carrousel in een nog hogere versnelling. In zijn tussenkomst combineert hij ‘ubuntu’ (Afrikaans humanisme) met welbegrepen eigenbelang. Via het geld dat hij eist, wil hij een onschuldig slachtoffer vergoeden en vervolgens zelf van het toneel verdwijnen. “Ik wil alleen nog boeken kunnen kopen. Over de mensheid. Ik wil ze kunnen lezen in mijn eentje. Kauwend op mijn teleurstelling.”

Khumalo is zich bewust van de spanning tussen herkomst en geschiedenis enerzijds en een vrije toekomst anderzijds. De Tony’s demonstreren minder inzicht.

Lanoye sluit de razende roulette af in een laatste deel met de cynische titel ‘Hoop’. ‘Gelukkige slaven’ blijkt een rad van fortuin waarbij ook onder de hoogste bonussen een bankroet woekert. Wie we ook zijn, het spel houdt nooit op.

‘Gelukkige slaven’ is hier te bestellen in onze shop.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!