Jeugd die niet voorbijgaat
Nieuws, Europa, Cultuur, Boek, Recensie, Boekrecensie, Filosoof, Ronald Commers, Jeugd die niet voorbijgaat -

Spiegel van heden en toekomst: ‘Jeugd die niet voorbijgaat’

"Ronald Commers is een brede denker", zo opent antropoloog Rik Pinxten (1947) zijn inleiding bij 'Jeugd die niet voorbijgaat - Denkweg in terugblik'. Deze dooddoener van jewelste valt moeilijk te ontkrachten in de achthonderd pagina’s die volgen.

dinsdag 12 juni 2012 10:05

Ethicus Ronald Commers (1946) heeft een punt gezet achter zijn academische loopbaan (o.m. aan de Gentse universiteit en het Centrum voor Ethiek en Waardenonderzoek daar). Bij deze gelegenheid selecteert hij een kloeke bundeling uit ongeveer veertig jaar denk- en schrijfwerk.

Zijn terugblik ordent hij rond negen thema’s: socialisme, kritiek van het totaliteitsdenken, humanisme, vrijmetselarij, moraalfilosofie, inter- en multiculturaliteit, moderniteit, onderwijs en tot slot kunst en kunsten.

Commers snijdt niet alleen uiteenlopende onderwerpen aan – van Le Corbusier tot Werner Herzog, van hoofddoek tot maçonniek manifest – de geselecteerde teksten spelen ook in diverse registers. Jeugd die niet voorbijgaat bevat gepubliceerde en afgewezen tijdschriftbijdragen, lezingen, ‘doorwrochte’ theoretische beschouwingen, een rouwrede, geëngageerde pleidooien, persoonlijke briefwisseling, …

‘Doorwrocht’ kan daarbij afwisselend gelezen worden als een eufemisme voor gortdroge analyses die moedwillig onfrivool zijn (alweer een eufemisme) en als een stevig onderbouwde, prikkelende tekstkritiek. Waar Commers’ inspirerende tekst- en historische kritiek de bovenhand haalt, biedt hij gevonden voedsel voor de kritisch (mee)denker.

Dissident en scherp criticus

Jeugd die niet voorbijgaat vormt een huldeboek aan de onderwerpen die Commers na aan het hart liggen. Een liber amicorum aan het eigen denken. Het houdt geen chronologische volgorde aan, wat minder de nadruk legt op een persoonlijk wordingsverhaal.

Het is alsof Commers een ‘historistische’ aanpak wilde vermijden. Geschiedenis is geen deterministische ontwikkeling in de tijd, geen wedloop van A naar B. “De denkweg van mensen is geen rechtlijnige autostrade” (p. 56). Tijd is wel een van de rode draden in het boek. Commers koestert niet toevallig belangstelling voor het werk van Jorge Luis Borges.

De volgorde van de thema’s en de datering van de bijdragen zijn niet betekenisloos. Het is veelzeggend dat Commers zijn terugblik opent met de rubriek ‘Over socialisme’. Dit deel heeft meer expliciet dan de andere (en in verschillende teksten) een autobiografische inslag.

In een persoonlijke kroniek over het militante socialisme vanaf het midden van de jaren zestig omschrijft Commers zichzelf als “een linkse militant, uiteindelijk fellow-traveler van de trotskistische beweging, maar ook eerste dissident en scherp criticus” (p.90).

Kortzichtige horden

De ideeën die een heenkomen vinden onder de paraplu ‘socialisme’, wat hier duidt op een vorm van filosofisch marxisme, vormen het referentiekader voor vele van de bijdragen die volgen. Daar liggen zijn roots.

Commers wil kritisch blijven ten opzichte van ‘de ideologie van de toekomstverwachting’. Die gaat ervan uit dat de maatschappelijke realiteit een wezenlijke essentie bevat en dat inzicht in die kernwaarheid leidt tot een noodzakelijk verloop naar een onafwendbaar einddoel.

Vlaams-nationalistische ‘imaginaires’ moeten het bijna als vanzelfsprekend ontgelden. Meer uitgebreid richt hij zijn pijlen op uiteenlopende linkse denksporen zoals het deterministische marxisme of ‘naïeve linkse kringen’. Deze laatste veegt hij – in de rubriek ‘Over inter- en multiculturaliteit’ – de mantel uit omdat die in hun afkeer van de (kapitalistische) decadentie van de westerse wereld al te lankmoedig staan tegenover het islamisme. Pas suffisamment étonné de se trouver ensemble …

Commers bouwt daarbij voort op het werk van de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955) en plaatst een ‘politiek-theologisch gerechtvaardigd islamisme’ in het rijtje van fascisme, nazisme en stalinisme.

Ortega y Gasset vertolkte in zijn bekendste werk La rebelión de las masas (1930) – in het Nederlands vertaald als De opstand der horden – zijn bezorgdheid over de positie van het individu in de moderne massacultuur. In plaats van te kiezen voor de persoonlijke vrijheid zou het massa-individu zich onderwerpen aan een absoluut extern gezag.

Die onderwerping aan iets ongrijpbaar hoogs ziet Commers ook tegenover het islamisme. Een getuige à charge vindt hij in de Zwitserse academicus Tariq Ramadan (1962), die vaak omschreven wordt als een van de belangrijkste denkers van de moderne islam. Commers trekt Ramadans academische integriteit stevig in twijfel en haalt in een kritische tekstanalyse flink uit naar diens “demagogisch bedoelde myopie” (p. 580).

Nu te koop: een feodale pamper

Daarmee is niet het laatste woord gezegd over de verhouding tussen massa en individu. Al in de eerste rubriek ‘Over socialisme’ spreekt Commers – in een bijdrage uit 1980 – vernietigend over “een nieuwe sociale laag van kleine burgers die zich fantaseren als bohémiens […], uitzinnig brallend op megafeesten als Woodstock en dergelijke”.

“In een soort feestroes proclameren die lieden de nieuwe levensstijl, bloemetjes op de hoed, een jointje in de hand, dromen ze hardop van een nieuwe samenleving (posttechnisch en met een transutilitair karakter) gepreoccupeerd door de cultus van hun egogerichte levenskunst” (p. 76).

Deze vrij plotse uithaal naar het hedonistische individu krijgt meer gefundeerde aandacht in het luik ‘Over moderniteit’. Nadat Commers de onderwerping aan een hogere instantie aanklaagde in zijn kritiek op het islamisme, laakt hij in deze rubriek de slaafsheid van de moderne mens tegenover zijn verlangens.

Mensen verworden tot ‘verlangende machines’, die zich willoos laten inpakken door ‘de kapitalistische wereldeconomie’ en haar volgzame dienstmaagden, de media …

Niet elke (provocatief bedoelde) veralgemening vindt overigens een theoretisch onderbouwde nuancering elders in het boek. Maar het is wel boeiend om enkele ideeën die her en der slechts een goedbedoeld knikje krijgen of op de achtergrond meespelen, verder uitgewerkt te zien in andere teksten.

Een voorbeeld daarvan is het interessante concept ‘ongelijktijdigheid’, ontleend aan de Duits-Joodse filosoof Ernst Bloch (1885-1977). Dat is weer een fijne vezel die vervlecht met de rode draad ‘tijd’ die door Jeugd die niet voorbijgaat loopt. Ongelijktijdigheid wijst op “een terugslag van het archaïsche verleden in het heden” (p. 560) of een “bizarre en ontwrichtende samenvoeging van ultramoderne technieken en achterlijke denkbeelden en voorstellingen over mens en wereld” (p. 589).

Die ongelijktijdigheid ziet Commers bij het nazisme, bij het islamisme van Tariq Ramadan, bij de sjeiks van de Golfstaten, bij de Tea Party in de VS … maar ook bij de moderne mens en zijn massaconsumptiecultuur, waarin een (schijnbare) keuzevrijheid gedijt naast een feodaal aandoende betutteling.

Het moderne individu is zo opnieuw speelbal van externe autoriteiten, gepamperd door regulerende instanties. Dat een blind en verblindend gezag ook een belangrijke rol opeist in opeenvolgende onderwijshervormingen, ligt Commers zwaar op de maag. Onderwijs – in Commers’ optiek dan vooral het gemeenschapsonderwijs – is immers cruciaal bij het ontwikkelen van kritisch denken.

En daar is het hem uiteindelijk om te doen: voor alles bepleit Commers een verantwoord en geïnformeerd burgerschap.

Dit boek is verkrijgbaar in onze shop.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!