De onzichtbare gezichten van de Syrische burgeroorlog
Vluchtelingen, Jordanie, Oorlog in Syrië -

De onzichtbare gezichten van de Syrische burgeroorlog

zaterdag 31 augustus 2013 18:21

Sinds het uitbreken van de Syrische revolutie 2,5 jaar geleden heeft zich een massale exodus voltrokken van Syrische vluchtelingen naar de buurlanden Turkije, Libanon, Irak, Egypte en Jordanië. In Jordanië gaat het grootste deel van de aandacht naar de situatie van vluchtelingen in het Za’atari vluchtelingenkamp, vlakbij de Jordaans-Syrische grens. Za’atari is in nauwelijks een jaar tijd uitgegroeid tot het tweede grootste vluchtelingenkamp ter wereld, en de vierde grootste ‘stad’ van Jordanië. Minder aandacht wordt echter besteed aan de toestand van zogenaamde ‘stedelijke vluchtelingen’ in Jordanië: een onzichtbare Syrische ‘colonne’ in en rond de Jordaanse steden die het aantal vluchtelingen in Za’atari sterk overstijgt, en in vaak mensonterende omstandigheden moet overleven.

Zarqa, een industriële provinciestad ten noordoosten van Amman, 10 uur ’s ochtends. Onder een brandende ochtendzon staan enkele tientallen mensen aan te schuiven voor een bureau van een lokale hulporganisatie, dat voor de gelegenheid is omgetoverd tot helpdesk van de UNHCR, het Vluchtelingenagentschap van de Verenigde Naties. Mensen wachten geduldig hun beurt af om hun vragen te kunnen stellen of behandeld te worden door een lokale dokter. Het zijn Syrische ‘stedelijke vluchtelingen’ die zich willen laten registreren (of hun halfjaarlijkse registratie laten vernieuwen) om zo in aanmerking te komen voor bijstand door de UNHCR.

Ahmmad[1], 45 jaar, is één van hen. Hij heeft één jaar geleden al zijn bezittingen achtergelaten in zijn huis in Homs, om via het vluchtelingenkamp in Za’atari en de noordelijke stad Irbid uiteindelijk in Zarqa terecht te komen met zijn tweede echtgenote en hun twee kinderen. Het leven in Zarqa is allesbehalve een pretje, vertelt hij: “In het begin had ik even werk, maar zes maanden geleden verbood de Jordaanse overheid mijn werkgever me nog verder tewerk te stellen. Ik heb geen inkomen, en de prijzen zijn hier enorm duur in vergelijking met Syrië. Bovendien kamp ik met ernstige rugklachten, en kosten de medicijnen voor mijn moeder me handenvol geld”. Ahmmad krijgt naar eigen zeggen 100 dinar per maand van de UNHCR, en ontvangt een kleine som geld van zijn broers die zich in Za’atari bevinden. Hij moet echter leningen aangaan bij vrienden om al zijn kosten te dekken, en heeft zo de afgelopen maanden een schuld van 1300 dinar opgebouwd. De toekomst oogt bovendien somber: “Wanneer de winter aanbreekt zal de elektriciteitsfactuur enorm stijgen. Nu ik mijn drie kinderen uit mijn eerste huwelijk ook heb laten overkomen naar Jordanië, dreigt mijn verhuurder me ook uit ons appartement te zetten omdat het niet geschikt zou zijn voor zoveel mensen. Ik weet niet hoe het nu verder moet”.

Stedelijke vluchtelingen in Jordanië: een onzichtbare colonne?

Zoals Ahmmad zijn er talloze vluchtelingen in Jordanië. Het zijn de zogenaamde ‘stedelijke vluchtelingen’ die zich in en rond de Jordaanse steden hebben gevestigd, en het merendeel van de vluchtelingenpopulatie uitmaken. De UNHCR registreerde eind augustus 389 631 stedelijke vluchtelingen in Jordanië, ruim twee-derde van de in totaal 515 842 Syrische vluchtelingen in het land. Hoewel ze de vluchtelingen in de kampen ruimschoots overtreffen, krijgen ze veel minder aandacht dan de ‘kampvluchtelingen’. Ze vormen zo het onzichtbare gezicht van de Syrische vluchtelingenpopulatie.

Jordanië kreunt onder de toevloed van Syrische vluchtelingen. De eerste golf van vluchtelingen concentreerde zich in de Noordelijke governorates Mafraq en Ramtha, waarna steeds meer vluchtelingen ook naar Balqa en Zarqa, de hoofdstad Amman en de zuidelijke governorates Kerak en Ma’an trokken. Eind juli 2012 werd het vluchtelingenkamp van Za’atari gecreërd, dat vandaag de dag meer dan 120000 vluchtelingen herbergt. Jordanië huisvest reeds twee miljoen Palestijnse vluchtelingen en tienduizenden Irakese vluchtelingen. Het land, dat geconfronteerd wordt met ernstige economische problemen en sociale protesten, ligt aan het infuus van internationale hulp en leningen. Ee nieuwe vluchtelingengolf kan het missen als kiespijn. De nakende militaire interventie in Syrië dreigt bovendien een nieuwe stroom van vluchtelingen op gang te trekken.

De Syrische stedelijke vluchtelingen zetten een zware druk op lokale gemeenschappen. Huurprijzen swingen de pan uit, terwijl de concurrentie van onderbetaalde Syriërs een neerwaartse druk zet op de lonen en gewone Jordaniërs uit de (informele) arbeidsmarkt verdringt. Het openstellen van de talloze subsidies voor electriciteit, brandstof en brood voor de Syriërs zet de Jordaanse overheidsfinanciën bovendien stevig onder druk. Laura Shean, Senior Communications Officer bij CARE International, benadrukte daarnaast aan de BBC de cruciale rol van de concurrentie voor de toegang tot de reeds schaarse watervoorraden. De perceptie van ‘waterverspillende Syriërs’ bij vele Jordaniërs dreigt dit enkel te verergeren. Het leidt tot toenemende (lokale) spanningen en frustraties. Een peiling uitgevoerd door het Center for Strategic Studies van de Universiteit van Jordanië in april 2013 gaf aan dat 71 percent van de Jordaniërs een einde wil zien aan de instroom van vluchtelingen.

Desondanks is er voorlopig nog steeds sprake solidariteit met de Arabische ‘broeders’. De vraag is echter hoelang dit nog zal duren. Jordanië worstelt met een enorme economische crisis, waardoor de gratis gezondheidszorg en onderwijs die de Syrische vluchtelingen genieten steeds meer Jordaniërs een doorn in het oog is. Indien de crisis verergert, of de regionale stabiliteit verder ondermijnd wordt door de toestand in Syrië, Egypte en Irak, kan de houding tegenover de Syriërs snel verzuren. Op sommige plekken is reeds sprake van toenemende spanningen. Het dreigt de precaire situatie waarin vele Syrische vluchtelingen zich bevinden nog verder te bemoeilijken.

Syrische vluchtelingen hebben echter niet enkel een negatieve impact op de Jordaanse economie. Een recent rapport van Yusuf Mansur, een bekende Jordaanse econoom, stelt dat er in 2012 sprake was van 161 miljoen dollar aan Syrische investeringen in Jordanië, terwijl er voor de eerste helft van 2013 sprake is van 49 miljoen dollar. Mansur wijst dan ook op het belang van de integratie van de Syrische vluchtelingen, en waarschuwt voor de demonisering van een hele bevolkingsgroep: “Het is een mythe dat de Syriërs verantwoordelijk zijn voor onze energietekorten – we hebben altijd al problemen gehad met onze watervoorzieningen. Het demoniseren van deze mensen is ronduit vulgair”.

Een acute humanitaire situatie

De humanitaire toestand van de Syrische vluchtelingen is vandaag alleszins ronduit dramatisch. Een rapport van CARE International van april 2013, gebaseerd op 240 interviews bij vluchtelingenhuishoudens in Irbid, Madaba, Mafraq en Zarqa, schetst een verontrustend beeld: 60 % van de schoolplichtige kinderen volgt geen onderwijs, respectievelijk 33 en 31 % van de huishoudens heeft slechte tot zeer slechte toegang tot verwarming en een dak boven het hoofd en 57 % heeft geen toegang tot drinkbaar water en is genoodzaakt gezuiverd water te kopen. 34 % van de huishoudens heeft geen inkomen, terwijl de gemiddelde kloof tussen maandelijkse inkomsten en uitgaven 185 Jordaanse dinar is. Dit is een stijging van 95 Jordaanse dinar tegenover een soortgelijk onderzoek uitgevoerd in oktober 2012.

Stellen dat deze stedelijke vluchtelingen zich in een kwetsbare toestand bevinden, is een understatement van formaat. Velen onder hen hebben alles achtergelaten in Syrië. Vrouwen hebben hun sieraden verkocht om de financiele schok te baas te kunnen, terwijl minderjarige kinderen vaak 12 tot 16 uur per dag werken voor een schamel loon van 2 dinar. De slechte kwaliteit van de behuizing heeft een sterke impact op de gezondheidstoestand van de vluchtelingen, terwijl noodzakelijke medicatie onbetaalbaar wordt. De gebrekkige kwaliteit en toegang tot publieke gezondheidszorg doet vele huishoudens hun toevlucht zoeken tot private gezondheidszorg. De rekening hiervan loopt in sommige gevallen op tot over de 1000 dinar, terwijl een doornsee gezinsinkomen rond de 200 dinar schommelt. De schrijnende humanitaire toestand heeft een diepe impact op het psychosociale welzijn van de vluchtelingen: velen getuigen over gevoelens van isolatie, depressie en negativiteit, die gepaard gaan met een verhoogde graad van huiselijk geweld. Het gebrek aan een legale status en de voortdurende onzekerheid over de toekomst leidt tot psychologische stress bij volwassen, terwijl kinderen steeds vaker angstsymptonen vertonen. Plassen in bed, spullen kapotslaan, slapeloosheid, tieren en huilen, enzovoort. Dergelijke zaken, in combinatie met het gebrek aan onderwijs, dreigen een verloren en gefrustreerde generatie van Syrische vluchtelingen te doen opgroeien in en rond de Jordaanse steden. De verwoestende psychosicale effecten van de Syrische vluchtelingencrisis werden in februari reeds benadrukt door de Jordan Health Aid Society (JHAS), een plaatselijke NGO. In een rapport verwijst de organisatie naar de verschillende psychologische problemen waarmee Syrische vluchtelingen geconfronteerd worden. De angst voor de toekomst, het lot van familielieden in Syrië en de financiële situatie waar ze zich in bevinden, de bezorgdheid over de verergende situatie in Syrië, en het verdriet over de dood van familieleden en de situatie waar men zich in bevindt oefenen vernietigende effecten uit op hun mentale welzijn.

Desondanks blijft de grootste aandacht gevestigd op de vluchtelingenkampen in Za’atari en Afraq. Nick Seeley, een Amerikaanse freelancejournalist die sinds 2004 in Amman woont, benadrukt dat de kampen belangrijk zijn, maar stelt zich ernstige vragen bij de quasi-exclusieve nadruk die er wordt op gelegd. In een artikel voor Foreign Policy heeft hij volgende waarschuwing in petto: “Kampen zijn nuttig in het nachtmerriescenario van een grootschalige, plotselinge verplaatsing. Echter, in de context van een situatie die grotendeels gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van stedelijke vluchtelingen, dreigen ze uit te groeien tot grote witte olifanten die de aandacht afleiden van de ‘real issue’: de steden”.

Hoe acuut de situatie is, blijkt bij een bezoek aan Balqa, een governorate in het Noordwesten van het land.  Samen met Geoffrey Carliez, een Nederlandse medewerker van de UNHCR en zijn team, bezoek ik een town hall meeting met een tweehonderdtal Syrische vluchtelingen. Ze kunnen er terecht met al hun vragen en bekommernissen. Balqa is sinds de vestiging van het Palestijnse  vluchtelingenkamp al- Ba’qa in 1968 een Palestijns bastion, dat de afgelopen 2 jaar echter overspoeld werd met Syrische vluchtelingen. Sinds het uitbreken van de Syrische revolutie hebben er zich een vijfduizendtal Syrische families gevestigd, voornamelijk afkomstig uit Homs en Daraa. Hoewel deze een enorme druk zetten op de arbeidsmarkt en de schaarse voorzieningen, is er vooralsnog geen sprake van spanningen tegenover de Syrische nieuwkomers: “De mensen in Balqa sympathiseren met de Syriërs. Wij Palestijnen hebben ervaring met oorlog, we begrijpen hen, we voelen hun leed”, aldus een lokale vertegenwoordiger. Eén van de lokale medewerkers van UNHCR waarschuwt echter: “De Syrische vluchtelingen in Jordanië genieten van een voorkeursbehandeling inzake onderwijs en gezondheidszorg. Terwijl gewone Jordaniërs hier algauw 30 dinar voor moeten neertellen, zijn deze voorzieningen voor de Syriêrs gratis. Op langere termijn is dit zowel op financieel als sociaal vlak onhoudbaar. Ook de toenemende concurrentie voor jobs en toegang tot het schaarse water is een toekomstige bron van conflict”.

De ontmoeting begint in een rumoerige atmosfeer. Al snel wordt duidelijk dat de problemen waarmee de Syrische vluchtelingen geconfronteerd worden enorm zijn. Een centrale bekommernis blijkt de toegang tot het lager onderwijs. Aangezien de Jordaanse overheid in Balqa enkel voorziet in een aantal middelbare scholen, zijn de Syriërs aangewezen op de lagere scholen van UNRWA, het VN-agentschap voor Palestijnse vluchtelingen. Deze weigeren echter inschrijvingen van Syrische kinderen. Een vaststelling waar ook Geoffrey raar van opkijkt. Onderwijs is echter niet de enige kopzorg: de (kunstmatig) hoge huurprijzen en de scherpe concurrentie op de arbeidsmarkt zijn een dagelijkse zorg voor de vele vluchtelingen die vaak al hun bezittingen hebben moeten achterlaten in Syrië. Dit wordt pijnlijk duidelijk in een gesprek met Ibrahim en Taleb, die respectievelijk afkomstig zijn uit Damascus en een klein dorpje in Daraa.

Op de vlucht gejaagd door de bombardementen en raketaanvallen van het Syrische leger, hebben ze alles achtergelaten om na een odyssee van respectievelijk 2 en 6 maanden doorheen Syrie in het vluchtelingenkamp van Za’atari, vlakbij de Syrisch-Jordaanse grens, terecht te komen. Ibrahim kocht zich ‘vrij’ (de zogenaamde ‘bail-out’), terwijl Taleb wegliep uit het kamp. Het leven in Balqa is echter hard: het gemiddelde inkomen ligt rond de 250 dinar per maand, terwijl de huur van een appartement alleen al snel 120 tot 160 dinar bedraagt. Beiden schatten hun gemiddelde maandelijkse uitgaven op 400 dinar. Ze zijn genoodzaakt slechtbetaalde en tijdelijke jobs aan te nemen, waardoor ze in constante onzekerheid leven over wat de toekomst brengt voor hen en hun kinderen.

Ondertussen heeft er zich een groep mannen rondom ons verzamelt. Ze hebben allen eerst enkele maanden door Syrië gezworven vooraleer de Jordaanse grens over te steken. Verschillende onder hen getuigen over de dagelijkse vernederingen die ze ondergingen aan de Syrische checkpoints en de aftuigingen en slachtpartijen door de Shabiha, de ‘spookmilities’ van Assad die een spoor van dood en vernieling door Syrië trekken. De gruwel van het Syrische conflict wordt even later een tastbare werkelijkheid in een gesprek met Basma, een vrouw van rond de vijftig. Ze vertelt over hoe zij en haar familie uit hun huis in Homs verjaagd werden door een groep alawieten, de relgieuze minderheidsgroep waartoe ook President Assad behoort. Na een zwerftocht van verschillende maanden naar 4 verschillende plekken in Syrië besloot ze naar Jordanië te trekken, aangezien er in Syrië niet langer voorzieningen waren voor één van haar gehandicapte kinderen. Ze benadrukt daarnaast de aanwezigheid van een “algemene cultuur van geweld”. Gevraagd of ze dergelijk geweld zelf van dichtbij heeft meegemaakt, vertelt ze hoe haar zoon voor haar eigen ogen doodgeschoten werd. Ze zegt het haast onbewogen, zonder verpinken, maar een blik van intense tristesse heeft zich van haar meester gemaakt. Voor mij staat een vrouw van vijftig die het gewicht van 2,5 jaar oorlogsgeweld en menselijk leed met zich meedraagt, maar desondanks enorm waardig blijft en weigert het hoofd te laten hangen. Dit ondanks de alledaagse problemen die het tienkoppige gezin ondergaat. De huurprijzen en levenskost in en om de Jordaanse steden liggen enorm hoog, terwijl twee van haar zonen een mentale stoornis en diabetes hebben en haar echtgenoot kampt met ernstige rugklachten. “Godzijdank kan ik terugvallen op mijn buren, die erg behulpzaam zijn. Ze zijn als familie”, aldus Basma.

Een strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’?

De Syrische burgeroorlog wordt vaak voorgesteld als een strijd tussen ‘slecht’ en ‘slechter’, tussen een moordlustig en meedogenloos regime aan de ene kant en (internationale) fundamentalistische en ‘kannibalistische’ rebellen aan de andere. Het overgrote deel van de Syrische bevolking heeft hier echter weinig mee te maken. De meer dan honderdduizend doden en twee miljoen vluchtelingen zijn het eerste slachtoffer van een meedogenloze oorlog die niet enkel in Syrië zelf wordt uitgevochten, maar evengoed in Moskou, Peking, Washington, New York, Ankara, Londen, Doha en Ryaad. Onverschilligheid kan dan ook geen optie zijn.

Willem Staes, 31 augustus 2013, Amman. 

[1] Alle namen in dit artikel zijn wegens veiligheidsredenen aangepast. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!