Sneeuwpretbederf
Nieuws, Samenleving, België, Overlast, Kinderrechten, Kinderrechtencommissaris, Angst, Bruno Vanobbergen, Watmet, Watmet?, GAS-boetes, Samenleven, Recht op spelen, Sneeuwballen, Schoolreglementen, Veiligheidsdenken, Ruimte om te spelen, Peter Gray, Stuart Brown -

Sneeuwpretbederf

Een ogenschijnlijk onschuldig tijdverdrijf als sneeuwballen gooien, kan in Vlaanderen tegenwoordig minder prettige gevolgen met zich meebrengen.

donderdag 17 januari 2013 17:10

Wie donderdagochtend De Morgen opensloeg, kwam enigszins verbijsterd te weten dat er in heel wat scholen en gemeenten een streng beleid wordt gevoerd tegen sneeuwballen, ijsbanen en zelfs onschuldige sneeuwmannen.

Bij De Morgen deden ze de moeite om er een aantal schoolreglementen op na te slaan. De verrassende vaststelling bleek dat her en der op Vlaamse scholen het gooien van sneeuwballen flink bestraft wordt. Sneeuwbal gooien naar je klasgenoot? 8 bladzijden straf is de prijs die je daarvoor betaalt.

Buiten de schoolmuren dollen dan maar? Helaas. Ook heel wat Vlaamse gemeenten trekken ten strijde tegen het gooien van sneeuwballen. Het politiereglement van o.a. Lichtervelde, Malle en St-Pieters-Leeuw verbiedt het gooien van sneeuwballen.

In Hasselt mag je dan weer geen ijsbaan maken. In Dendermonde riskeer je zelfs een GAS-boete van 120 euro als je dat laatste verbod aan je sneeuwlaars lapt. Gelukkig denkt men er lang niet overal zo over, maar de tendens is wel duidelijk.

Recht op spelen

Nochtans is het recht op spelen verankerd in het internationale Kinderrechtenverdrag, artikel 31[1]. Dat verdrag roept alle lidstaten op om elk kind kansen te bieden voor culturele, artistieke en recreatieve bezigheden en vrijetijdsbesteding. En wat is sneeuwballen gooien anders dan spel? De meeste pedagogen en psychologen zijn het er trouwens roerend over eens: hoe meer kinderen buiten spelen, hoe beter ze gedijen en zich ontwikkelen.

Intussen lijkt het wel alsof onze samenleving steeds minder kan hebben van kinderen, alsof we elke actie en interactie van, met en door kinderen alleen nog als overlast kunnen zien en daarom steeds strikter en onzinniger willen reguleren en begrenzen. 

Kinderen brengen ook steeds minder tijd door zonder toezicht van school, ouders of oppassers. De afgelopen 20 jaar is de tijd die kinderen zonder toezicht doorbrengen met maar liefst 90 procent afgenomen. (Onderzoekscentrum Kind & Samenleving.)

Peter Gray, vooraanstaand psycholoog en auteur van essays en boeken over het belang van spel en spelend leren, omschrijft het als volgt: “Wanneer volwassenen altijd in de buurt zijn om kinderen te beschernen tegen gevaar en al hun conflicten willen oplossen, dan ontnemen ze kinderen de kans om te leren hoe ze zichzelf kunnen beschermen, om hun eigen conflicten op te lossen en hun eigen emoties te reguleren en te beheersen”.

In ‘The Value of Play’ beschrijft hij spel als volgt: “Spel dient vele doeleinden. Het is een manier waarop kinderen hun fysieke, intellectuele, emotionele, sociale en morele vaardigheden ontwikkelen. Het is een manier om vriendschappen en relaties te creëren en te onderhouden. Het biedt ook een ingesteldheid die zowel volwassenen als kinderen helpt te redeneren, probleemoplossend en creatief te denken”.

Dr. Stuart Brown, psychiater op rust en oprichter van het ‘Institute Of Play’ in Californië, is ervan overtuigd dat te weinig spelen nefast is voor de ontwikkeling. Wat hij ‘spelonthouding’ noemt, kan volgens hem leiden tot depressie, vijandigheid en het verlies van net die zaken die ons mens maken.

Hoe kan het dan dat de ruimte die kinderen krijgen om te spelen steeds meer wordt ingeperkt? Vanwaar die vrees voor wat er zou kunnen misgaan, die drang om elk risico uit te sluiten? Hoe kunnen kinderen zelf de weg vinden, zelf hun eigen en elkaars grenzen ontdekken, als ze daar niet de oefenruimte voor krijgen?

Als sneeuwballen als potentieel gevaarlijk worden gezien, hoe lang dan nog vooraleer onze kinderen niet meer mogen voetballen? Er zal maar iemand een voetbal op z’n neus krijgen.

Wat denkt de kinderrechtencommissaris?

We vroegen ook kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen om zijn bedenkingen: “We zijn het intermenselijk verkeer momenteel dermate aan het reguleren dat we enkel nog kunnen stilstaan. Alles wordt zo strikt geregeld, elke afwijking meteen gesanctioneerd.”

“Dit kan niet de manier zijn om met elkaar om te gaan. De Nederlandse Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling heeft het in een zeer goed onderbouwd dossier over hangjongeren over ‘publieke familiariteit’, een term waarmee bedoeld wordt dat we met elkaar vertrouwd moeten leren zijn. Vertrouwen is een basisvoorwaarde voor goed intermenselijk verkeer.”

“Communicatie en relaties zouden centraal moeten staan. Dat staat haaks op wat we vandaag zien gebeuren. Heel veel van ons handelen is gestoeld op wantrouwen. Dat wantrouwen immobiliseert. Je kan dit soort houding niet bevrijdend noemen. Scholen moeten plekken zijn waar kinderen leren hoe een samenleving werkt, waar ze hun plaats kunnen zoeken.”

“Reglementen bieden grenzen, maar net het aftasten van die grenzen maakt deel uit van het leerproces. Maar nu geven reglementen zoveel grenzen aan dat er nauwelijks nog leer- of bewegingsruimte is. Hoe leren we omgaan met elkaar? Hoe leren we aanvoelen waar de grenzen van de ander liggen? Hoe geven we zelf onze grenzen aan?”

“Een school moet ook een plek zijn waar kinderen intermenselijke relaties leren afbakenen. Als kinderen enkel nog mogen stilzitten, zwijgen en niemand storen, dan is er nauwelijks nog sprake van leerruimte. Hoe kijken we eigenlijk naar kinderen in onze huidige maatschappij? Kinderen worden steeds meer als ‘een probleem’ gezien.”

“Er wordt steeds vaker en steeds vroeger gefocust op problemen en symptomen. Elk risico moet worden vermeden. En zo leidt een ongelukkig voorval zoals een kapotte bril of een buil tot een algemene maatregel. Het risico wordt niet afgewogen aan het principiële recht op spelen dat kinderen zouden moeten hebben. Dat is een algemene tendens.”

“Speelpleinen die moeten sluiten of verhuizen omdat het lawaai van spelende kinderen als overlast wordt ervaren, GAS-boetes voor het zomaar wat dollen op straat, … Onze houding tegenover elkaar en dus ook tegenover kinderen wordt ingegeven door angst. We zitten zo vast in een veiligheidsdenken, dat een aantal fundamentele mensenrechten, zoals het recht op spelen, ondergeschikt zijn geworden”, aldus Bruno Vanobbergen.

Angst regeert

We hebben het beter dan wie ook ter wereld, maar zijn overal bang voor: voor de rare buurman, voor groepjes jongeren die zich openlijk vervelen, voor moslims, voor traagrijdende wagens, voor wie er een andere mening op nahoudt … en sinds kort dus ook voor spelende kinderen. Angst als raadgever … doorgaans een heel slecht idee.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!