Foto Filip Naudts

! Fotograaf steeds vermelden ivm copyright

Opinie, Nieuws, Economie, Samenleving, België, Arbeidsmarkt, Opinie, Fons Leroy, VDAB, Hoger onderwijs, Duurzame ontwikkeling, Bernard Mazijn, Studiekeuze, Engineering Education in Sustainable Development - Bernard Mazijn

Utilitair onderwijs. De VDAB kiest voor de korte termijn

Gelezen in 'De Morgen' van dinsdag 13 maart. De topman van de VDAB, Fons Leroy, declameert: “Te veel jongeren studeren af zonder echt toekomstperspectief. … De maatschappij tolereert niet langer dat ze moet betalen voor iemand die een studiekeuze maakt waarvoor er op de arbeidsmarkt geen vraag is. …”. Bernard Mazijn reageert.

maandag 19 maart 2012 16:00

De dag erop bestempelde de topvrouw van het gemeenschapsonderwijs (GO!), Raymonda Verdyck, in dezelfde krant de uitspraken als een pleidooi voor utilitair onderwijs en argumenteerde waarom ze het niet eens was met deze stellingname. Bij deze wil ik haar standpunt ondersteunen en opentrekken naar het hoger onderwijs. Daarenboven wil ik vanuit eigen expertise en ervaring – met een andere invalshoek – het debat verdiepen.

Het was eind jaren negentig. In voorbereiding van het feestjaar – het 160-jarig bestaan van de TU Delft in Nederland – besloot de rector om een doorlichting uit te voeren van de opleidingen en cursussen op – jawel! – het gehalte aan ‘duurzame ontwikkeling’. De resultaten zouden voorgesteld worden op een internationale conferentie. Ik werd door een Nederlandse collega gevraagd om hiertoe bij te dragen als lid van het wetenschappelijk comité.

De conferentie ‘Engineering Education in Sustainable Development’ vond plaats in 2002, het feestjaar. (Let op de bedoelde woordspeling: enerzijds het opleiden van ingenieurs in een context van het streven naar duurzame ontwikkeling en anderzijds het vorm geven aan ‘educatie in duurzame ontwikkeling’.) Het zou een begin worden van een reeks gelijkaardige oefeningen en dito conferenties aan de universiteiten van Barcelona, Lyon, Graz …

Netwerk van en met geëngageerde collega’s

Hierdoor ontstond een netwerk van en met geëngageerde collega’s in Europa en daarbuiten. Parallel aan de werkzaamheden van de wetenschappelijk comités voor de respectievelijke conferenties, werd nagedacht over hoe ‘duurzame ontwikkeling’ nu in het hoger onderwijs daadwerkelijk moest worden geïntegreerd. Inmiddels zijn we zover dat er bij deskundigen hierover een consensus bestaat:
1) een basiscursus voor elke student in elk curriculum,
2) doorlichting en aanpassing van bestaande cursussen in de verschillende curricula, én
3) voor die studenten die zich verder willen specialiseren, een specifieke master.

Sommige hogeronderwijsinstellingen in Europa hebben dit ook daadwerkelijk geïmplementeerd. Nochtans kunnen we spreken van een ‘time lag dilemma’.

De meerderheid in de samenleving erkent enerzijds de urgentie om de uitdagingen van niet-duurzame ontwikkeling aan te gaan (klimaatverandering, armoedebestrijding, verlies aan biodiversiteit, vergrijzing, enz.), maar anderzijds volgt de hervorming van curricula (lees: de integratie van duurzame ontwikkeling in het hoger onderwijs) veel te traag.

Het resultaat is dat afgestudeerden nog steeds niet of onvoldoende over de nodige kennis en vaardigheden beschikken om zich mee in te zetten voor die noodzakelijke verandering. Er wordt met ander woorden nodeloos veel tijd verloren met als mogelijk gevolg dat we deze wedren kunnen verliezen.

Basiscursus ‘duurzame ontwikkeling’                                                         

Mijn eigen bijdrage om te proberen deze kloof te overbruggen, bestaat er o.a. in binnen de Master na Master ‘Conflict en Ontwikkeling’ (en daarvoor de opleiding ‘GAS Ontwikkelingssamenwerking’) aan de Universiteit Gent de cursus ‘duurzame ontwikkeling’ te geven (sedert 1998). De instroom uit verschillende hogeronderwijsinstellingen is zeer divers: ingenieurs, sociale en politieke wetenschappers, biologen, geografen, vergelijkende cultuurwetenschappers, juristen, economen, moraalwetenschappers, enz.

En in feite zit ik met het probleem dat zowel de basiscursus ‘duurzame ontwikkeling’ niet wordt gegeven en dat slechts aan een zeer beperkt aantal instellingen van het hoger onderwijs een doorlichtingsoefening van opleidingen/cursussen heeft plaatsgevonden.

Ik moet dus een deel van de cursus gebruiken om de studenten ‘up to speed’ te brengen over alle facetten en de daarmee gepaarde complexiteit van duurzame ontwikkeling. Pas dan kan ik een aantal stappen zetten om problemen uit te diepen.

Na tien jaar het doceren van deze cursus heb ik voor een van de hoger genoemde conferenties (Graz, 2008) een paper geschreven met mijn ervaringen: ‘Ten years of experience in teaching ‘sustainable development’ as part of a Subsequent Master degree in a multidisciplinary environment.’

Ik besloot toen (in 2008) onder andere het volgende (vertaald uit het Engels): “Tot op vandaag, laten veel universiteiten en hogeronderwijsinstellingen het na om studenten te confronteren in gelijkaardige cursussen met vragen zoals ‘Hoe wordt een constructie van de realiteit gemaakt?’, ‘Wat zijn de systeemgrenzen van een onderzoeksobject?’, ‘Wie is betrokken bij het maken van (inter)subjectieve keuzes?’, enz. Dit soort vragen niet opnemen, beïnvloedt de attitudes van de afgestudeerde studenten in hun professioneel leven.”

De paper besloot verder dat het opnemen van de uitdagingen in de 21ste eeuw een inzet zal vergen van veel verschillende disciplines die met elkaar in interactie kunnen treden. De cursus ‘duurzame ontwikkeling’ biedt hiervoor een leertraject aan via hoorcollege, microteaching en werkcollege. Nadien volgt een examen waarin vooral naar inzicht wordt gepeild.

En wat kan worden opgemerkt op basis van de statistieken van die eerste tien jaar waar 233 studenten de cursus volgden? In tegenstelling tot wat misschien verwacht wordt, zijn de verschillen in gemiddeld examenresultaat miniem te noemen als studenten op basis van hun initieel diploma (merk op: het betreft een Master na Master) met elkaar worden vergeleken. Een gedetailleerde waarneming zegt wellicht nog meer dan deze gemiddelden.

Het zijn vooral studenten die in hun basisopleiding geleerd hebben om verbanden te leggen die (iets) hoger scoren: vergelijkende cultuurwetenschappers, pedagogen en psychologen, moraalwetenschappers … Als ik de topman van de VDAB goed begrijp, dan zijn het net deze afstudeerrichtingen waarvoor de maatschappij niet meer wil betalen omdat “…er op de arbeidsmarkt geen vraag is.”

Welke toekomstperspectief we de jongeren willen bieden?

Even verder gaan op het verband met het pleidooi voor ‘utilitair onderwijs’. Meer en meer wordt de volgende stellingname naar voren geschoven: het behoud van het ‘leefmilieu’ is een voorwaarde om – via het middel van de ‘economie’ – de bescherming van de ‘samenleving’ tot doel te stellen. In tijd en ruimte. Zoniet ondergraven we onze (millennium) ontwikkelingsdoelen. Deze overwegingen plaatsen ‘concurrentievermogen’ en ‘competitiviteit’ – bij uitstek criteria die de performantie van het middel ‘economie’ op korte termijn evalueren – in een ander perspectief, niet ?

Vanuit deze invalshoek is het bijgevolg de vraag welk toekomstperspectief we de jongeren willen bieden? Gezien het een studiekeuze betreft, gaat dit over een perspectief binnen enkele jaren: de periode 2015 tot 2020. Laat dit nu net ook jaartallen zijn die veel genoemd worden om doelstellingen inzake ‘duurzame ontwikkeling’ te halen.

Ik mag dus hopen dat de jongeren klaargestoomd worden om hieraan mee te werken. De vraag is dus wat de maatschappij niet meer moet tolereren? Het pleidooi voor de integratie van duurzame ontwikkeling in het (hoger) onderwijs en het afleveren van afgestudeerden die met multi-, inter- en transdisciplinariteit kunnen omgaan ? Of een beleid gericht op de waan van de dag, in deze de vraag van de korte termijn op de (arbeids-)markt?

Merk trouwens op. Als we het hebben over de lange termijn – de periode 2030-2050 – dan zijn de gestelde doelstellingen nog scherper. En laat dat nu net de periode zijn waarop onze jongeren in het midden van hun beroepsloopbaan zullen staan. Hopelijk hebben ze dan nog iets aan hun opleiding, afgestemd op de huidige marktvraag (cf. het pleidooi van de topman van de VDAB). Het zal nodig zijn … willen we de wedren niet verliezen.

Projectvoorstel ‘EDU to DO’

Tot slot. Alles nog even illustreren aan de hand van een voorbeeld hoe wereldvreemd het kan zijn zich te laten leiden door de korte termijn (‘de actuele vraag van de arbeidsmarkt’). In 2010 hebben we geprobeerd vanuit het Regionaal Expertisecentrum ‘Educatie voor Duurzame Ontwikkeling’ in de regio van de zuidelijke Noordzee (Zeeland, Vlaanderen, Nord-Pas-de-Calais, Zuid-England) een project op poten te zetten met als doel het aanpassen, ontwikkelen en vertalen van didactisch materiaal zodat er kan worden gefocust op het dichten van de kloof tussen de vraag en het aanbod van vaardigheden voor duurzame ontwikkeling op de arbeidsmarkt.

De titel van het projectvoorstel ‘EDU to DO’ stamde af van het Nederlandse, Engelse en Franse ‘educatie/education/éducation’ en het Engelse werkwoord ‘to do’. DO is natuurlijk ook een afkorting in het Nederlands voor ‘duurzame ontwikkeling’. Het was de bedoeling zich te richten op specifieke economische sectoren (bouw, toerisme en landbouw) en zowel onderwijsinstellingen en opleidingsverstrekkers, als publieke autoriteiten en de privésector uit de regio van de zuidelijke Noordzee te betrekken. Ondanks de inhoudelijke steun van de partners, is het om vele administratieve, bureaucratische en financiële redenen niet kunnen doorgaan.

Bij mijn rondgang om steun te zoeken bij de zogenoemde stakeholders, kom ik op een bepaald moment bij werkgever- en werknemersorganisaties uit de bouwsector in West-Vlaanderen terecht. Ik doe mijn verhaal over opleiding/onderwijs én duurzaam bouwen, sommigen spreken zich aarzelend, voorzichtig positief uit, maar de luidste stemmen waar diegenen die toch opriepen om de klassieke bouwsector (lees: niet bezig met ‘duurzaam bouwen’) niet te bruuskeren.

Op mijn vraag op wie en wat wordt gedoeld, wordt verwezen naar een grote werkgever in de streek die ‘sleutel op de deur’-woningen bouwt … onder de naam Bostoen. Laat het nu wel net diezelfde firma zijn die enkele maanden later (tot op vandaag) zich profileert als dé aannemer van betaalbare passiefhuizen. Waren/zijn onze opleidingen/onderwijsinstellingen voldoende voorbereid om afgestudeerden aan te leveren die meteen aan de slag kunnen bij die firma? Dat is een vraag die de topman van de VDAB zich ook zou moeten stellen.

Korte termijn versus (middel-)lange termijn. Conservatief gericht op het huidige marktgebeuren, progressief met visie voor de toekomst. Defensief, anticiperend, enz. Het is een verpletterende verantwoordelijkheid om daar geen oog voor te hebben. De vraag is aan welke kant toplui van bevoegde administraties, instellingen en organisaties zich zullen scharen?

Bernard Mazijn

Prof. ir. Bernard Mazijn is docent ‘duurzame ontwikkeling’ aan de Universiteit Gent en heeft  enkele maanden geleden in Brugge mede het Instituut voor Duurzame Ontwikkeling vzw opgericht dat zich richt op onderzoek en educatie.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!