about
Toon menu

De krekels en de mieren

Vers van de pers komt “De veertigjarige crisis”. In dat boek verklaart econoom Henri Houben de financiële en economische impasse door veertig jaar terug in de tijd te gaan, naar 1973. Hij toont aan dat de oplossingen van gisteren om uit de opeenvolgende recessies te komen de voorwaarden van de wereldwijde crisis van vandaag creëerden. Bestaan er binnen het kapitalisme nog uitwegen? Het boek begint met een fabel, die hier volgt.
woensdag 25 februari 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

In het licht van de opkomst van het kapitalisme en het verval van de parasitaire aristocratie herschreef Jean de La Fontaine in de zeventiende eeuw de beroemde fabel van Aisopos De krekel en de mier: ‘De krekel tjirpte dag en nacht, zolang het zomer was… Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op. Geen larfje of geen sprietje meer…’

In de zeventiende-eeuwse fabel is de industriële kapitalist de mier die werkt en spaart om in de toekomst zijn rijkdom te vergroten. En wordt de aristocratie, begiftigd met de meest extravagante titels, beschouwd als verantwoordelijk voor de omvangrijkste en minst productieve uitgaven. Deze nietsnutten waren de krekels die de hele zomer door zongen.

Maar is de zeventiende-eeuwse betekenis van deze metafoor nog wel actueel? De talrijke pogingen om de huidige ondernemer af te schilderen als de nazaat van de zeventiende-eeuwse kapitalist willen ons dat doen geloven. De gigantische geaccumuleerde kapitalen door enkelen – 42.700 miljard dollar zuiver financieel patrimonium in 2010 (dus buiten het vastgoed en andere reële activa) in handen van 11 miljoen families in de wereld[1] – en de wereldwijde ontwikkeling van belastingsparadijzen doen iets anders vermoeden.

Zijn de investeerders die aandelen en financiële producten kopen en verkopen op steeds meer speculatieve markten niet de krekels van vandaag? Is de manier van zingen van die gevleugelde insecten in de zomer en de snelheid waarmee sommigen gigantische sommen verbrassen in grote financiële operaties – of ze nu frauduleus zijn of perfect legaal – niet vergelijkbaar?

De personen die in zo’n transacties verwikkeld zijn, geloven ongetwijfeld dat zij hard werken en dus ver staan van het gedrag van de onbezorgde aristocraten uit de zeventiende eeuw. Maar wat denken deze personen over de reële rijkdommen, andere dan het fictieve of hypothetische kapitaal? Wat is hun bijdrage tot de vooruitgang van de mensheid? Waarnaar streven zij, buiten de groei van hun persoonlijk fortuin, in weerwil van de sociale en milieurealiteiten van de wereld? Wat moeten we denken van Stephen Schwarzman, de baas van Blackstone, deze nieuwe geldreus van wie het persoonlijke patrimonium geschat wordt op 5,9 miljard dollar?[2] Ter illustratie. Schwarzman nodigde zo’n 1500 met zorg uitgekozen personen uit op zijn zestigste verjaardag en vierde dat met een optreden van een uur door zanger Rod Stewart voor de prijs van een miljoen dollar.[3] Waar is het verschil met de onbezonnen uitgaven van het hof van Versailles of met de vele andere aristocratische bijeenkomsten in de zeventiende en de achttiende eeuw?

Hebben de mieren van vandaag nog dezelfde kenmerken als de industriële en werkzame kapitalisten uit het begin van de moderne tijden? Kapitalisten die konden rekenen op hun eigen spaarcenten, zelfs op hun werk, om geleidelijk aan rijker te worden. Of lijken de hedendaagse mieren veeleer op de miljoenen loontrekkenden die dagelijks werken in de enorme industriële en commerciële bijenkorven?

De fabel moet dus worden herbekeken. In tegenstelling tot de voorstelling van Jean de La Fontaine is de werkende mier niet onafhankelijk van de krekel. In feite werken de huidige mieren voor de krekels van vandaag (zoals vroeger de boeren voor hun heren). Het is het werk van de enen die de anderen toelaat om de hele zomer te zingen. Vandaag zou de fabel moeten heten De krekels en de mieren.

Vandaag is de moraal van deze parabel trouwens ronduit schandalig, de fabel is een parodie op de rechtvaardigheid. De krekels die de hele zomer zingen, moeten dat normaal ontgelden in de winter. Anders gezegd, met de komst van de economische en financiële crisis. Maar omdat de mieren werken voor deze flierefluiters, kunnen de krekels gerust stellen: ‘O, wij zijn behoeftig! Dus jullie zullen tweemaal zo hard moeten werken en we moeten sommige mieren aan de deur zetten.’ Hopelijk geven de mieren een ander einde aan dit verhaal. Kunnen zij de krekels niet overstijgen? Per slot van rekening is het aan de mieren om te dansen en niet aan de krekels!

Een zuiver financiële crisis of een systeemcrisis?

Maar wie zijn dan die hedendaagse krekels? Uitsluitend bankiers en financiers? Of ook zij die de grote ondernemingen van deze wereld leiden of controleren? Wie zijn zij die de wereldbevolking in de penarie brachten?

Dit is in feite het thema van dit werk. Is de recessie begonnen met het toekennen van zware kredieten, hypothecaire leningen aan gezinnen die blijkbaar niet de middelen hadden om ze terug te betalen of zelfs maar de intresten te betalen? Is de recessie van zuiver financiële aard of past zij in een veel breder kader, dat van het kapitalistisch systeem in zijn geheel? Dit is een zeer politieke bevraging, want van het antwoord op deze vraag hangen de oplossingen af. Een eenvoudige regulering van de financiële markten, een gedragscode voor de speculanten, een verhoogd toezicht op de banken? Of een radicale uitweg uit het systeem?

De verantwoordelijken van de grote instellingen ontwijken handig deze vraag door te blijven herhalen dat de markteconomie en het kapitalisme geen schuld treffen. De fout wordt gelegd bij afwijkende vormen van niet-gecontroleerde financiering of, breder gezien, bij het neoliberalisme dat beperkt werd tot de besluiten van het begin van de jaren 1980, besluiten die vooral bestonden uit deregulering en liberalisering van de financiële markten. De eindtekst van de top van de G20[4] gehouden in Londen op 2 april 2009 laat geen twijfel over deze interpretatie: ‘De fundamentele oorzaken van de crisis zijn de grote gebreken in de financiële sector en in de financiële regulering en controle. Het vertrouwen zal niet terugkomen zolang wij het vertrouwen in ons financieel systeem niet hersteld hebben.’[5] De Franse president Nicolas Sarkozy voegde eraan toe: ‘Het is nu duidelijk dat de tekortkoming van de regulering de oorsprong is van de financiële crisis, die dan weer de oorzaak is van de economische crisis.’[6]

Het is dus duidelijk. De recessie is essentieel financieel, uitgelokt door bedrijven die profiteerden van enkele achterdeurtjes in de regulering om ambitieuze projecten te lanceren die achteraf verwoestend bleken. De ‘reële’ of productieve economie werd in de val gelokt. Maar de productieve economie is fundamenteel gezond, volgens deze interpretatie die het discours van de verantwoordelijken van de westerse staten en de media domineert. Deze mensen willen niet dat het kapitalisme in vraag gesteld wordt, het kapitalisme is onovertrefbaar.

Volgens de traditionele visie werkt het mechanisme van de crisis zoals een raderwerk. Het tandwiel dat zorgde voor de ontwikkeling van de financiële wereld die de groei de laatste jaren stuwde, haperde en keerde de voordelen in evenveel nadelen om, almaar cumulatiever. Een lawine van gebeurtenissen die de ‘grote’ economisten natuurlijk niet zagen aankomen. Zo schrijft Marc Touati, conjuncturist en algemeen directeur van Global Equities, een firma voor internationale financiële diensten: ‘Zoals een nucleair ongeluk dat maar kan gebeuren door een keten van verschillende omstandigheden en/of door vervelende fouten, is de crisis – zogezegd veroorzaakt door de subprimes die tot en met de werking zelf van het globaal kapitalistisch systeem in gevaar brachten – het product van een opeenvolging van menselijke fouten en een samenloop van catastrofale omstandigheden.’[7]

Het systeem zelf mag niet in vraag gesteld worden. Zoals de politieke of economische leiders graag zeggen: ‘Kapitalisme is het ergste systeem, maar ik ken geen beter.’[8]

Met deze voorstelling van de feiten blijven we op onze honger zitten. Eerst en vooral, wat zijn argumenten waard die uitgaan van epifenomenen op wetenschappelijk of methodologisch vlak? Je kunt het koken van water niet uitleggen door de toevallige en versnelde omloop van zuurstof- en waterstofatomen die door een samenloop van omstandigheden worden omgevormd tot gas. Zo’n opvatting slingert ons 200 jaar terug in het begrijpen van de natuurlijke realiteit. Waarom zouden we dergelijke argumenten op economisch vlak aannemen?

Hoe kan je uitleggen dat zo’n beperkt financieel product als de subprimes de werking van de financiële markten en de ‘reële’ economie heeft kunnen verzieken? En dat die subprimes zelfs de grootste crash sinds 1929 konden ontketenen? De subprime-leningen worden volgens auteurs en onderzoekscentra geëvalueerd op een bedrag tussen 1.000 en 2.000 miljard dollar. Wat overeenkomt met ongeveer 10% van het totaal van de hypothecaire schulden in de Verenigde Staten, of met 2 tot 3% van het bbp van de wereld, tussen 0,2 en 0,4 % van het geheel van de financiële activa (effecten, bankrekeningen, schuldvorderingen…).

Het is moeilijk om juiste en volledige cijfers te geven over de staatsuitgaven om de huidige aderlating te stoppen omdat de cijfers voortdurend veranderen en omdat verschillende acties werden ondernomen. Maar we kunnen toch het cijfer van 3.500 miljard dollar vooropstellen. 3.500 miljard steun om de financiële instellingen te stabiliseren (invorderbaar krediet als de toestand verbetert). Plus ruim 2.000 miljard dollar in de vorm van herstelplannen (dikwijls niet invorderbare uitgaven omdat het geld rechtstreeks in de economie werd gepompt). Zonder enige zekerheid op succes. Dit geld uitkeren aan de slachtoffers van de subprimes zou toch eens zo efficiënt en wenselijk geweest zijn?

Maar daarover werd met geen woord gerept. Lobbying en ideologische bevliegingen worden aangehaald om de ongehoorde staatsinmenging te verklaren. Eigenaardig, de ultraliberale machthebbers zweren bij een zelfregulerende markt en toch kwamen uitgerekend zij massaal tussenbeide om de verliesmakende banksector te hulp te snellen. Ze zochten zelfs hun toevlucht tot een gedeeltelijke nationalisatie van de activa. Als de geldwereld in nood is en de ‘reële’ economie gezond, waarom dan niet de banden met de rotte sectoren doorsnijden? Waarom geen nieuwe financiële sector opstarten, eventueel een openbare, die de nodige kredieten kan verschaffen aan de industriële en commerciële ondernemingen?

We menen dat je rekening moet houden met andere factoren om de omvang van de huidige recessie uit te leggen. En dat je moet zoeken naar meer structurele en diepere oorzaken. De vorige crisissen sinds 1945 waren ook het product van uitzonderlijke en ongelukkige omstandigheden, waarom mondt deze crisis uit in een crash van formaat?

De thesis die we in dit boek ontwikkelen is dat de huidige crisis bredere en scherpere problemen onthult dan traditioneel werd voorgesteld. Als de financiële markten slecht functioneren, als er onbetwistbare speculatieve afwijkingen zijn, dan kan de toegebrachte schade niet worden uitgelegd door een degradatie van de productieve economie. In werkelijkheid zijn deze factoren onlosmakelijk verbonden met het ‘reële’ kapitalisme en daarom is de huidige recessie zo verwoestend.

In feite zijn de actuele turbulenties de uitwassen van een overproductiecrisis die het licht zag in de jaren 1970, in de meest klassieke stijl zoals Marx het in zijn tijd beschreef. Deze crisis kende wel periodes van tijdelijk herstel te wijten aan een politiek van krediet- en financiarisering[9] van de economie, hoofdzakelijk gevoerd door de Amerikaanse dominerende klasse. Vandaag blijkt dat er een einde gekomen is aan de mogelijkheden van dergelijke hersteloperaties. Daarom is het karakter van de actuele recessie zo onrustwekkend. We spreken over een crisis van veertig jaar die net zo verwoestend kan zijn of zulke dramatische gevolgen kan hebben als de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Een oorlog met tussen 5 en 11 miljoen doden, of 15 tot 30% van de bevolking van de Duitse staten waar het conflict plaatsvond.[10] De essentiële vraag is: wie zal er uiteindelijk dansen gedurende deze lange barre winter, de mieren of de krekels? 

Henri Houben, De veertigjarige crisis. Het einde van het kapitalisme? EPO, Berchem, 2015, ISBN 9789491297946.



[1] Capgemini en Merrill Lynch, World Wealth Report 2011, p.4, http://www.ml.com/media/114235.pdf.

[2] ‘The World’s Billionaires 2011’, in Forbes, maart 2011, http://www.forbes.com/wealth/billionaires/list. Schwarzman bezit het 169ste grootste fortuin van de planeet.

[3] Hakim Ben Hammouda, Hédi Bchir en Mustapha Sadni Jallab, De crisis. Oorsprong en perspectieven, Ellipses Marketing, Parijs, 2009, p.30.

[4] De G20 is een informele groep van twintig landen die als de machtigste van de planeet beschouwd worden. Zij komt sinds 1999 bijeen naar aanleiding van grote internationale crisissen. Het betreft een uitbreiding van de G8 (die bijeenkomt sinds 1975). De G20 bestaat uit de leden van de G8: Duitsland, Canada, de Verenigde Staten, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Japan en Rusland. De andere uitgenodigde staten zijn: Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië, Argentinië, Australië, Brazilië, China, Zuid-Korea, India, Indonesië, Mexico en Turkije. De Europese Unie, vertegenwoordigd door de voorzitter van de Raad en die van de Europese Centrale Bank, vormt het twintigste lid.

[5] G20, The Global Plan for Recovery and Reform, 2 april 2009, p.3, punt 13, http://www.g20.org/Document/g20_communique_020409.pdf.

[6] L’Echo, 2 april 2009.

[7] Marc Touati, Krach, Boom… et demain? Pour enfin comprendre la crise et l’économie mondiale, Dunod, Parijs, 2009, p.42-43.

[8] Winston Churchill gebruikte de term ‘kapitalisme’ niet, hij sprak over de democratie, wat niet exact hetzelfde is. Verwijzen naar Churchill kan misschien indruk maken op hen die de geschiedenis niet kennen, maar dat is de man niet kennen. Churchill was de Britse eerste minister gedurende de Tweede Wereldoorlog en voorzitter van de Conservatieve Partij van 1940 tot 1955 (dezelfde partij als die van Margaret Thatcher). Hij was een vurig medestander van de rijkste klassen en voorstander van het kolonialisme.

[9] De financiarisering van de economie komt overeen met de groeiende plaats voor de markten en de financiële operators in de economie.

[10] Selected Death Tolls for Wars, Massacres and Atrocities Before the 20th Century, http://necrometrics.com/pre1700a.htm#30YrW.

reacties

Eén reactie

  • door Robrecht Vanderbeeken op donderdag 26 februari 2015

    Cruciaal boek, zou standaardwerk in elk departement economie moeten zijn! Het toont dat verzet tegen TINA de enigste optie is, because there is no alternative.

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties