De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

De laatste Tigertank, de laatste auto op fossiele brandstof, het laatste vliegtuig…

zaterdag 23 januari 2021 17:24
Spread the love

(Update over de werking van het geheugen en terreinwagens: 23 jan., 10 u. Update over kol. Peiper en over Greenpeace-actie omtrent vliegtuigen: 230121, 23u).

Het is winter, januari, ook al vriest het nauwelijks, misschien zit de klimaatopwarming er voor iets tussen. Ik neem nog eens de pen ter hand, het klavier, om een stukje te schrijven. Naast mij staat een kop koffie, met de handmolen gemalen, en door mijn haast is er rond de kop op het ondertasje een plasje bruin vocht ontstaan. Mijn vader, Heinz Solfrian, die op eigen verzoek in ongewapende dienst als fotograaf van de Luftwaffe heeft gestreden aan het Oostfront, had daar een naam voor: “Kaffee mit Fuβbad”. Hij was een knappe, grote, milde man, die nooit om een grap of woordspeling verlegen zat.  Een positieve houding die hij zich ongetwijfeld ook juist had eigen gemaakt, omdat hij zijn eigen vader nooit had gekend, door moeder en grootmoeder werd opgevoed, en als reactie op zijn harde ervaringen aan de frontlinie. Hij vertelde mij toen ik drie of vier was, met glimlachend begrip maar ook niet zonder lichte verontwaardiging, dat de Duitse soldaten het bij Stalingrad in de Russische winter zo danig kwaad kregen en zo weinig te eten hadden, dat zij bij de boeren hoogtechnologisch materiaal als “laarzen die werden verwarmd met batterijen” gingen inwisselen voor een mandje eieren… Zoals bekend waren mensen noch materieel voldoende  voorzien op de heersende Siberische toestanden. Toen de Sovjet-Russische troepen het tegenoffensief inzetten, hadden zij strategisch voordeel. Omdat zij de (echte) winter kenden. Zo beschikten bijvoorbeeld de beroemde T-34 tanks over extra brede rupsbanden. De Amerikaanse en Duitse tanks hadden in 1944-1945 allebei onvoldoende grip op de bevroren grond en sneeuw. Zulke toestanden beleven en graag mogen overleven, het laat de filosofisch ingestelde mens de dagelijkse realiteit in vredestijd te relativeren. De vader van mijn vader was volgens de familietraditie zelf omgekomen tijdens een zeeslag, waarschijnlijk in 1917 of 1918, als officier op een fregat van de Duitse marine. Na de tweede wereldoorlog werd vader van de weeromstuit een overtuigd pacifist. Toen ik van moeder in 1966 als speelgoed een 20 cm grote soldaat kreeg  in aardebruine kunststof, was op een dag het strijdbaar opgestoken schietwapen er van af gesneden…

Vandaag grijp ik graag even terug naar een van mijn meest gelezen teksten van vorig jaar, de beschouwende column waarvan de titel luidt: “De laatste Tiger-tank of het overmatige geloof in de auto” (DWM 16 juli 2020). De tekst lijkt mij de moeite waard in deze winterse dagen opnieuw te lezen. Ik geef dit verhaal hieronder opnieuw weer, na het eerst te kaderen met een nieuwe inleiding en enkele foto’s die ik persoonlijk heb gemaakt tijdens ons bezoek vorige zomer aan het boeiende private militaire museum “Ardennes 1944” in La Gleize. Dat is een van de dorpjes waar het grote Ardennenoffensief van Hitler, genaamd “Operatie Herbstnebel” is gestrand.

Op die plaats op de kaart werd de Kampfgruppe van commandant Peiper het 1. SS-Panzerregiment tegengehouden. (In het Duits leest “1.”, als “Erste”). De aan het Oostfront geharde Joachim Peiper, nauwelijks halfweg de twintig, was de snelste spits van het geriskeerde offensief gebleken.  Zijn aanval met tanks en kanonnen, ondersteund door infanterie van ‘Volksgrenadiers’, werd na vijf dagen felle strijd tenslotte afgeslagen door ijlings op bevel van generaal Eisenhower aangevoerde Amerikaanse soldatengroepen. Die troepen, van genie tot tankbestuurders en hospikken, hebben dapper, creatief en soms ook met de moed der wanhoop gevochten. De echo’s van deze heldhaftige en dramatische strijd in de oorlog werkt door tot op vandaag. Ik zie een link met de hedendaagse liefde voor tanks en andere tuigen. Ook al hoor je geregeld zeggen: “De  enige les die uit de geschiedenis te trekken valt, is dat de mens geen lessen leert uit de geschiedenis”.

 

Mijn persoonlijke werkhypothese is dat een populatie wel degelijk over een werkzaam collectief geheugen beschikt. Dat onze overmatige liefde voor voertuigen als de auto en het vliegtuig, tot vandaag redelijk stand houdt omwille van intense en diepgaand-emotionele, historische redenen. In Oorlogstijd zijn leven en lichaam niet veilig. Instinctief neemt het geheugen dan alle levensnoodzakelijke en levenreddende feiten op in zijn kern. (Van neurowetenschappers kan je leren dat data die in momenten van trauma worden opgedaan, precies in het midden in onze hersens worden vastgelegd. De reden? Op die manier kan later bij gevaar, wanneer elke milliseconde van belang is om te overleven, de informatie het snelst beschikbaar komen! – Ik houd omwille van dit soort mechanismen nogal van de term “Moeder Natuur”.) Later horen kinderen en kleinkinderen aan de toon en de inhoud van de getuigenissen, hoe betekenisvol, hoe immens belangrijk bepaalde zaken geweest zijn. Zaken die daarom ook in het eigen leven van de nakomelingen respect verdienen. Zaken als zware, krachtige alle-terreinwagens en vliegtuigen.

 

 

De Panther Mark VI oftewel Tigertank was met bijzonder dik, hard  staal hard gepantserd en uitgerust met een kanon dat extreem krachtig en doordringend was. Het tuig was echter relatief traag, er waren er niet veel van, en deze militaire voertuigen slurpten ongelofelijke hoeveelheden brandstof. Bovendien werden de legers die er mee waren uitgerust verslagen doordat… in de woorden van Hendrik Camerlinckx, onze getalenteerde en toegewijde leraar geschiedenis in het humaniora aan het Sint-Pieterscollege in Leuven in de jaren zeventig), “omdat de industriële productie-eenheden van de Verenigde Staten de Sherman-tanks sneller wisten te maken dan de Duitsers ze konden stuk schieten”.

Als een mens wat ouder wordt, neemt de rol van reflectie vaak toe. Persoonlijk heb ik ook wat meer vrijheid en vrije tijd gekregen, en ik heb die de laatste dagen besteed aan het bestuderen van het Ardennenoffensief, de grootste veldslag van de tweede wereldoorlog aan het front in Europa, die precies 76 jaar geleden werd uitgevochten. Tijden vreselijk koude en mistige dagen. Een eerste boek dat mij heeft toegelaten die tijd te herbeleven is “De slag om de Ardennen” van Robin Cross. Dat was een indrukwekkende leeservaring; de stijl is zakelijk, de foto’s zijn goed gekozen, overvloedig aanwezig en groot bemeten. Vervolgens heb ik er als stripkenner de “Integrale nr. 3 – Airborne 44″ van de Belgische, Ardense scenarioschrijver en tekenaar Philippe Jarbinet bij genomen. Deze lectuur betekende eveneens een stomp in de maag maar ook een massage voor de ziel. Een derde studie die ik in huis haalde is de monografie “Band of Brothers” van Stephen Ambrose. Die geschiedenis is algemeen bekend door de tv-serie en behandelt de lotgevallen van de beroemdste luchtlandingsdivisie ooit, de 101th, en daarin het 506th Regiment en de Easy Compagnie. Ik las in dit boek de inleidende hoofdstukken, met de story over de onmenselijk harde training die de groep ontving van luitenant Sobel, waarna ik overstapte naar de belevenissen van de groep in de slag van de Ardennen tijdens de omsingeling van Bastogne. Het is een bijzondere ervaring, het lezenvan geschiedschrijving over alom bekende grote feiten die je gebracht wordt op basis van documenten als dagboeken, interviews met overlevenden en archiefmateriaal van het leger. Het verhaal wint ook aan kracht omdat het slechts rondom enkele authentieke personages is opgebouwd. Je kunt je dan inbeelden de dingen zelf mee te maken.

Sinds een dag of vijf ben ik bij het neusje van de zalm beland: “Het Ardennenoffensief” door collega historicus en begenadigd schrijver Anthony Beevor. Het oorspronkelijke boek heet “Ardennes 1944. Hitler’s last gamble” en het is uitstekend vertaald door een team van drie vertalers. (Ambo/Anthos, 2015). Van dag tot dag loopt het verhaal, 415 pagina’s lang. Begin deze week begon ik te lezen over het offensief dat zoals bekend startte op 16 december zesenzeventig jaar geleden. De verlichte schrijver en onderzoeker biedt verder van elke dag van de strijd een hoofdstuk. Merkwaardig genoeg kloppen de dagen van de afgelopen week met deze in 1944. Op woensdag 20 januari 2021 las ik “woensdag 20 december 1944”, enzovoort. De geschiedenis liep die winter inderdaad dermate intens over de vliegwielen, dat elke dag een hoofdstuk lezenswaardige militaire en politieke geschiedenis wordt.

 

De tekst die volgt is dus mijn originele column die ongewijzigd is gelaten. Ik ben immers wel graag actief als schrijver en denker, maar ik heb tevens een onstilbare behoefte aan wandelen en mensen zien, ont-moeten; na dit werkje wil ik de deur uit. Sinds ik het stukje schreef, heb ik wel enkele zaken bijgeleerd. Zo leerde ik bij Beevor nieuwe feiten over de aanvoerder van Kampfgruppe Peiper. Die formatie is berucht geworden door het vermoorden van een tweehonderdtal krijgsgevangen soldaten; een tachtigtal tegelijk in Baugnez, feiten die bekend staan als het bloedbad van Malmédy. Bovendien werden niet minder dan 130 burgers, meest vrouwen en kinderen doodgeschoten. Dit is zelfs in oorlogsomstandigheden naar alle normen onaanvaardbare gedrag; met name het Verdrag over oorlogshandelingen, de Conventie van Genève, is flagrant met de voeten getreden. De eerlijkheid gebied ons erbij te vertellen dat het aantal moorden dat door Amerikaanse troepen in die slag is uitgevoerd, zowat even hoog ligt. Krijgsgevangenen, die veel tijd zorg en energie eisen, werden bijvoorbeeld door het 30ste Regiment bijna niet gemaakt, wat uiteraard ook als wraakoefening te begrijpen valt. Het opperbevel had erop toegezien dat het nieuws van de moordpartij bij Malmédy snel aan alle eenheden en aan de pers werd bezorgd.

 

Zelfs de Duitse legergeneraals die in Londen gevangen zaten (en systematisch werden afgeluisterd), spraken hun afkeuring uit toen het nieuws hen bereikte. Een van hen zei “Wat een volslagen Idioterie om weerloze mannen af te schieten”. Een andere zei: “Het betekent alleen maar dat de Amerikanen represaille maatregelen tegen onze jongens [gaan] nemen”. Een ander zegde nog: “De SS en de paratroepers zijn gewoon gek, ze zijn niet voor rede vatbaar” (O.c, p 155). Dit onmenselijk gedrag ging zoals bekend in de limiet terug op aanbevelingen van Hitler zelf, die niet alleen een wrede afkeer had van Joden, maar ook van de Slavische volkeren. De beruchte Einzatsgruppen waren speciaal gestuurd om in Rusland te moorden.  Ik leer bij Beevor dat Peiper wel is ontsnapt aan de uitvoering van het doodvonnis dat over hem werd uitgesproken, maar dat hij het toch niet lang meer heeft uitgezongen. Peiper, die volgens andere bronnen nog functies opnam in dienst van hogere officieren die na de oorlog een nieuw leven begonnen in Latijns-Amerika, werd in werkelijkheid door het Franse verzet gedood.

 

Hoe de tank en “de vlieger” ons denken en onze smaak voor voertuigen hebben bepaald

Een Leidmotiv is dus dat wij, meestal zonder het bewust te weten, vaak schatplichtig zijn in onze waarden en houdingen aan belevenissen en affirmaties van de generaties die ons zijn voorgegaan. Hoe verklaar je immers afdoende dat het vliegtuig tot op vandaag exempt is gebleven van taksen, ook al is het gebruik van dit tuig danig ontwrichtend voor klimaat, voor de lucht, voor mens en natuur? Idem voor de immense populariteit van de automobiel in onze lage landen. Ik kan mij moeilijk van de gedachte ontdoen dat deze voorkeur ook kind is van het gevoel van verlossing dat het verslaan van de vijand en zijn hatelijke regime heeft teweeg gebracht in 1944-1945. Kan de schoonheid van een hedendaagse auto en het comfort dat hij biedt in elk seizoen, gekoppeld aan het nuttige transportvermogen ervan écht verklaren dat wij van deze dingen zowat zes tot zeven miljoen exemplaren onder onze vleugels houden? Is er een andere grondige reden te bedenken voor de hoge prijs die wij voor dit zwak voor de auto betalen in geld, in mensenlevens en gezondheid?

 

Volgens mij speelt de herinnering aan de sfeer van uitzinnig geluk toen de vege huid werd gered, dit sentiment dat samenging met de ‘bevrijding’ door de geallieerde troepen. Bevrijding  die in de perceptie grotendeels te danken was aan de nieuwe, betrouwbare “helpers” van de troepen: de jeep, de tank en de vliegtuigen. Alleen al de destijds als een mirakel bestempelde operatie waarbij zowat duizend C-47 Dakota transporttoestellen de omsingelde strijders van de 101st Airborne Division en de 82ste Infanterie Divisie te Bastogne hebben gered met behulp van droppings van voeding, medische hulpmiddelen en munitie op 23 december 1944, met kerstmis voor de deur, na tien dagen van onverbiddelijke bewolking en mist, kan voor deze  hypothese als positieve evidentie dienen. (Generaal Patton was uitzinnig van vreugde met de opklaringen. Hij riep uit: “De aalmoezenier heeft heel goed gebeden! Roep hem naar  hier, hij krijgt een medaille!”.  En zo geschiedde.

Onlangs, op 16 of 17 januari deelde Katrien Van der Heyden, de moeder van de klimaatactiviste Anuna De Wever (die zoals bekend werd geïnspireerd door de zitstaking van Greta Thunberg en met haar eigen initiatief de jeugd wereldwijd deed opstaan en marcheren, zodat eindelijk luid klimaatmaatregelen werden geëist van de beleidsmensen), op haar Facebook profiel een indringend bericht van Greenpeace. De titel: “Geen belastingen of klimaatplan voor de luchtvaart: die vlieger gaat niet op!” Bij deze gelegenheid schreef ik voor leken inzake de geschiedenis van de vervoermiddelen volgende contextualiserende beschouwing op dat sociale medium.

“Hier is inderdaad echt actie nodig. We hebben behoefte aan een ingrijpende Mentaliteitswijziging. Een eeuw geleden was het ontzag en de sympathie voor het vliegtuig immens. De ultieme droom van de mens leek werkelijkheid te worden: zich verheffen van de aarde en vliegen als de vogels. Later zijn daarbij de stalen vogels als grote redders en bevrijders gezien; onder andere 76 jaar geleden, toen de C-47 toestellen de uitgehongerde troepen in het omsingelde Bastogne tijdens de Slag om de Ardennen voeding, comfort en munitie brachten, en op die manier de geallieerden toelieten de laatste machtsconcentratie van het Derde Rijk te overwinnen. – Intussen echter, is de context totaal veranderd. Wij hebben als mensheid zoveel machines op het toneel gebracht, dat onze omgeving bedreigd is: de lucht die wij ademen, zij wordt een broeikas die het weer en het klimaat dreigt overhoop te halen en de atmosfeer fataal op te warmen. Met volgens sommige modellen trouwens ook meer voorkomen van winterstormen, bovendien. Misschien geen toeval dat het nu min 12 is in Madrid waar bijna anderhalf miljard schade is, de zwaarste winter sinds… 1971. Het is tijd om het Vliegmachien niet meer te verafgoden. Het fabuleuze tuig van zijn sokkel te halen, de gebruikers en aanbieders van vluchten te ontmoedigen en hen belasting te laten betalen. Het is u bekend: tot op heden zijn twee zware vervuilers wereldwijd in de betreffende akkoorden uit de wind gezet, zowel de luchtvaart als de scheepvaart. Dit is vandaag niet meer te verantwoorden.

Niets nieuws onder de zon. Geschiedenis speelt op de achtergrond haar rol. Zij trekt er zich daarbij niet veel van aan dat sommige mensen haar niet kennen.

 

___________________________________________________________________

 

De laatste Tiger Tank. Of het overmatige geloof in de auto.

 

Vanmorgen had ik wat langer geslapen in een volkomen verduisterde slaapkamer. Gisterenavond had ik een alarmsignaal opgevangen van mijn binnen-universum: schrijnende, schurende pijn, hoe klein ook, die recht vanuit de kern van mijn brein leek te komen. Dat soort ervaring heb ik nog maar enkele keren gehad in mijn bijna zestig leefjaren. Het is dan ook kort na de middag, vermoed ik, want niet op de klok kijken past bij mij in een offensief van welbevinden door ontheemding, wanneer ik de eerste keer huis en tuin verlaat met Fellow aan mijn voet. Ik heb de gummi laarzen aangetrokken. “[Goemmi]” zei papa, op zijn Duits; hij en moeder spraken bij mijn ontstaan zowel Engels als Duits als Nederlands. In de rubberlaarzen voel ik mij pas echt gelukkig, als ik buiten mag kiezen. Dat komt zeker ook zo omdat ik enkele duizenden van mijn beste uren heb doorgebracht met leeftijdgenootjes als vrijwillige arbeiders in natuurreservaten vanaf 1977 en op ‘jacht’ naar bijna tweehonderd soorten vogels, in eigen streek en in het buitenland. Ook tijdens mijn wildbeheer opdracht in de bossen bij Malmédy heb ik de venen en wouden betreden met groene of bruine waterdichte laarzen aan de voeten en de kuiten. Als man van enige leeftijd spelen de dubbele lagen Betekenis alsmaar een groter rol in het ervaren van de rijkdom en het genoegen van het leven. Geheugensporen kleuren niet alleen de keuze van ons interieur, waar souvenirs om plaats vechten, de nobele emotie van de toetsing van het bereikte heden aan jeugddromen en de nostalgie worden belangrijker met de dag.

Als ik mij na het ontbijt met gekookte eitjes, ook al zo een mooie reis naar het verre persoonlijke verleden bieden die, en  na drie keer terug horizontaal koestering te zoeken, mij kleed, kies ik de zwarte lederen regenjas van Lax, gemaakt in Kokkola, Finland. Hij geeft me het gevoel dat ik toch een klein beetje in de voetsporen van mijn moeder kan stappen, die enkele winters gewerkt heeft in Finland en de twee grote buurlanden van Scandinavië voor zij moeder werd. Ik kocht de jas, die te kort is om te lijken op de bekende Duitse jassen uit de laatste grote oorlog, voor een prikje, een appel en een ei zegden de mensen toen ik in Heverlee opgroeide, in de vintage shop bij het station. Ik koos een geblokt groen hemd in flanel, want de zon is weg en ik ben in bos-stemming na het bezoek aan Meerdaalwoud gisteren, waar ik ben gaan mediteren, picknicken en aan recreatie doen zonder de hond, moederziel alleen een eenzaam. Tot mijn eigen verrassing kies ik voor toevoeging van een das onder het wollen gilet. Inderdaad, na de dagtaak van gisteren ben ik in waardige stemming. Meer dan een halve dag heb ik gewijd aan het opsommen en uitschrijven van wat ik verwezenlijkt heb. Een dossiertje dat naar het paleis gaat.

Mijn lezers kennen al een paar van die realisaties. Zoals het opbaren van dode mensen m/v in het mortuarium van het regionale  ziekenhuis dat door vier of vijf broers, de geneesheren Mulier is gesticht. “Rouwkamer” hadden de mensen van de palliatieve zorg eenheid De Brug het huisje in witte baksteen smaakvol gedoopt. De ongeveer drieduizend gesprekken die ik voerde met mensen met acute problemen aan de telefonische  hulplijn Tele-Onthaal. Waar mijn diepe vastigheid en onbewogenheid van pas kwam wanneer mannen (vooral) met acute zelfmoordplannen belden, van bij  een tankstation dat zij dreigden in brand te steken als laatste heldenfeit voor de zelfgekozen dood. Een innerlijke vrede die ergens diep onder mijn gewone onrust huist, onrust die mij tot een gedreven opiniemaker heeft geboetseerd. Mijn voortrekkersrol in de kleine gemeenschap van Bezinningsbegeleiders. Die de goede traditie van katholieke scholen trachten in stand te houden om de jongeren rond hun achttiende eens drie dagen stil te laten staan en te laten reflecteren en vooruit kijken in een abdij. Mijn reis naar Egypte, nog voor volken die de Islam aanhangen, verdacht en gevaarlijk leken na de aanslag van nine eleven, in de lente van 1988, een paar maand voor ik mijn dikke licentiethesis afwerkte en mijn graad ontving. Toen ik aan de oevers van de Nijl op een avond schrok toen jongere mannen dan ikzelf, in lederen jekker en goed in het vlees, mij tot de aankoop van een wollen, handgeweven tapijt trachtten te verleiden door een lucifer aan te strijken en die op het weefsel te leggen: “Look, sir, this is real wool: it does not take fire!”. Die gedenkwaardige reis in dat legendarische land, toen in de late avond na aankomst in het zuiden, in Aswan was het denk ik, met de trein uit Caïro, ons het nieuws bereikte dat de trein die na ons deze rit van een paar honderd kilometer had gemaakt, was ontspoord, met dodelijke slachtoffers.

Gisteren schreef ik verder over de reizen die ik maakte in dienst van Avuc, de jongerenvereniging die de werking van de UNESCO  ondersteunt in ons land. Waarbij ik in Novgorod kennis maakte met een vijftiger, mijn leeftijd tegenwoordig, met een krachtige kin en blauwe ogen in een strak grijs pak die zichzelf voorstelde als museumdirecteur. “Met de leiding over drieëntwintig musea!”. De stijlvolle maar wat magere Egyptische diplomate die van ons gezelschap deel uitmaakte, had meteen begrepen wat dit inhield, en dus niet louter prestige: “Jij moet nogal van het ene naar het andere dansen, dan!” sprak zij met levenswijsheid tegen Peter Michailovitch. Tijdens een andere reis in 1990 in de winter, sprak ik in een theatergebouw in Moskou met Anna en haar man. Over de tekenen van de tijd. Over de politiek, de dagelijkse gewoonten, de “droejsba”-vriendschap en gastvrijheid van de Russen, we legde het lot van onze ouders naast elkaar. Die mensen waren dermate dankbaar dat zij mij de volgende dag een kleinood schonken dat ik nog altijd bewaar, het staat op een van de dertig planken van mijn bibliotheek: een kunstig bewerkt houten kistje met een beeltenis van een Russische kerk (met de kenmerkende uien-top en de orthodoxe kruisen) bij een meertje. En ik denk bij deze gelegenheid terug aan het kleine congres dat ik volgde met Avuc over het probleem van de overbevissing. “Zee in de kijker” was de titel van het project waar de samenkomst in kaderde, onder leiding van de advocaat Lehouck, die helaas in een rolstoel moest reizen in zijn functie van penningmeester van de wereldwijde vereniging van jonge UNESCO aanhangers.  Hoe ik vanuit mijn kracht om vragen te stellen, geoefend vanaf het tweede leerjaar op school, een kritische vraag had gesteld aan een wetenschapper die de visserij volgde, omdat ik mij zo machteloos voelde bij de mistoestanden die duidelijk maakten dat de mensheid in alle kustlanden door zichzelf geen quota op te leggen, de tak af aan het zagen was waar wij allen op gezeten zijn… Die situatie vond plaats toen ik een jaar of dertig was, omstreeks 1993. Van Lehouck, die samenwerkingen op touw zette met Landsweert, de directeur van het Nationaal Visserijmuseum, kreeg ik op een dag de opdracht alle vuurtorens en de havenlichten van onze kuststeden in beeld te brengen. Daartoe mocht ik op een dag meevaren met een schip van de Kustwacht; toen wij uitvoeren stond er veel wind, dat zag het geoefende oog aan de witte kopjes op de golven, en de kapitein verzond een bericht aan wie het aanbelangde dat hij voor een opdracht een uur of twee weg was, de zee op. Ondanks het ruwe weer werden het mooie foto’s, waaronder deze van de groene brulboei “Trapegeer” (de boeien krijgen een naam). Dit beeld heeft vele  jaren op het kantoor van T.O. in Leuven gehangen, waar de honderd vrijwilligers inderdaad een soort vaste boei vormen voor de ongelukkige, door het leven overspoelde bellers. Ik was blij met die opdracht, want in die jaren vond ik gedurende vele maanden per jaar geen werk. De professionele toewijding en concentratie maakten dat de opkomende zeeziekte geen greep op me kreeg in de kleine boot bij de lage reling, zo herinner ik mij nog goed.

Om mijn tenue af te werken nam ik dus een das, ik koos voor eentje met een schotse ruit. Die ging bij mijn pet passen en leek niet te vrolijk, en niet te steeds. Bovendien vormt die das met dit motief een aanmoediging: als ik aan Schotland denk, waar ik nog niet op bezoek ben geweest, denk ik aan de heldhaftige strijd van de sobere volkeren en clans tegen de heerszuchtige Engelsen, zoals dit thema aan bod komt in de dramatische prent “Braveheart” met Mel Gibson.

In die stemming ben ik dus wanneer ik, voorzien van een zelf gesneden wandelstaf in hazelnotenhout van bijna mijn lengte, naar het nabijgelegen abdijpark stap. In die tegelijk kwetsbare en zelfbewuste stemming stap ik de heuvel op die aan de oude poort grenst die wel tweehonderd jaar oud is. De heuvel is onder macadam bedekt. Ik blijf mijn staf ritmisch neerplanten en de ene voet voor de andere zetten, ook wanneer een met benzinemotor aangedreven grote wagen recht op ons af komt. Een beetje chauffeur en mens met wereldwijsheid maakt dan een kleine koerscorrectie. Er is hier geen voetpad. En geen verplichting voor de voetganger om links dan wel rechts te stappen. Ik confronteer de bestuurder zelfs niet met een waarschuwende priemende blik. Wanneer de auto van het merk Mercedes vertraagd en noodgedwongen een beetje opzij langs ons glijdt, gebruikt de man aan het stuur wel even boosaardig de hoorn. Dat laat ik  niet op mij zitten, ik roep iets in de aard van “U zou wel uw manieren kunnen houden!”. Ik stap verder tot blijkt dat de man zijn voertuig stopt en met luide stappen naar ons toe komt (Fellow loopt aan mijn zijde aan de lederen riem). “Wat denkt gij dat ge bezig zijt?!” Ik antwoord snedig: “Ik zoek mij wat vrede, nadat ik een leven lang hard gewerkt heb!”.

Het antwoord luidde: “Nja-nja-nja! – Ge loopt hier in het midden van de weg, op de openbare weg!”. Ik kijk met teruggevonden diepe rust in de ogen en naar het gezicht van de jonge man, nog bijna een jongen. Hij heeft harde, wat lege trekken, kort modieus gekapt blond haar. Zijn gezicht doet mij wat denken aan de trekken die kolonel Peiper die tijdens het Von Rundstedt- wanhoopsoffensief van de Führer in de Ardennen het bevel voerde over de Erste SS Pantzergruppe. Hij is verantwoordelijk voor de beroemde moordpartij onder een honderdtal gevangen genomen Amerikaanse soldaten. Na de oorlog werd Peiper veroordeeld tot de doodstraf, maar die werd nooit uitgevoerd. De elite soldaat werd later verantwoordelijk voor het beheer van de kunstschatten en het goud dat officieren van het Duitse leger hadden voor zichzelf opzij gezet, om vaak in Argentinië een nieuw, comfortabel leven te gaan leiden na de nederlaag. Tijdens een reisje nauwelijks een maand geleden hebben wij het uiterst interessante kleine museum bezocht in La Gleize, het kerkdorp waar in de straten en in de velden eromheen de grootste tankslag is geleverd: meer dan 130 tanks en voertuigen bleven na de slag achter. Het klembord met bovenaan in pyrogravure de naam “Peiper”, waar de kolonel de bewegingen van zijn troepen op de kaart heeft bekeken en gepland, en die van de vijand, werd een dag later door de pastoor gevonden en in veiligheid gebracht. Het houten ding met lichtjes roestige klemmen is nu een topstuk in de collectie, dadelijk bij de start van de rondleiding te zien. Op het erfje voor het museum dat de naam draagt “Ardennes  1944” staat een authentieke “Kaiser Tiger II”. Wellicht de zwaarste tank die ooit is vervaardigd. In de pantserplaten zag ik op 2 juli hoe kogels er kleine sporen in hadden getrokken, erop waren afgeketst. Deze tanks waren bijna onoverwinnelijk. Er waren er echter maar een handvol van, ook al geeft de film “La Bataille des Ardennes” met Henry Fonda (1965) daar een andere indruk van. Het Duitse leger werd vooral verslagen door de overmacht aan bommenwerpers aan geallieerde kant; maar ook doordat er in het Reich bijna geen druppel benzine meer te vinden was rond kerstmis 1944. De troepen moesten in de Ardennen rekenen op brandstof die zou worden buitgemaakt van de Amerikaanse en Britse troepen. Een Tiger Tank verbruikt achthonderd liter per honderd kilometer!

De teksten aangebracht in drie talen bij de honderden fascinerende gebruiksvoorwerpen van de officieren en soldaten die vochten aan beide kanten, uitgestald in nieuwe, goed verlichte kijkkasten, geven overigens aan dat de winterkleding voor sommigen niet tijdig arriveerde. Zowel bepaalde bataljons van  Duitse als Amerikaanse zijde streden tijdens dit offensief in de koude winter in het vierde oorlogsjaar, zoals onder kolonel Peiper, generaal von Manteufel, Dietrich, Von der Heydte, generaal MacAuliffe, kol. Sink (506th), generaal Bradley, generaal Patton… droegen enkel het groene zomertenue.

 

Mijn rustige, vastberaden antwoord op de helling naar de abdij is intussen: “Dit is hier toch een private weg, een abdijterrein nog wel!”. Intussen heeft de jonge man, hij kan moeilijk ouder zijn dan een jaar of negentien, er zit nog niet veel vlees aan zijn botten, blijkbaar gemerkt dat ik onverstoorbaarheid bezit, en argumenten. Hij is verder klaarblijkelijk wat tot inkeer gekomen nadat ik ostentatief mijn ogen naar de nummerplaat van zijn wagen heb gedraaid, en daar een tijdje naar heb gekeken. Een automens is machtig met zijn kleine tank, maar gelukkig ook aan handen en voeten gebonden, onder andere door dit nummerbord-systeem. “Gij met uw stokske!” roept hij nog. Maar hij kijkt mij niet meer in de ogen. De krachtigste wapens van volwassenen, en a fortiori van oudere mensen, het zijn de ogen. Dat was mij reeds als tiener opgevallen. Daar kan geen merkauto gekregen van papa tegenop, zo blijkt vandaag nog eens. De man stapt terug naar zijn auto. Ik spreek nog de woorden “U zou toch respect voor mijn leeftijd mogen betonen?”, maar de jongen heeft zij poeder verschoten en reageert niet meer. Ik ga verder richting gebedshuis en park. Achter mij, net voor de deur van de burgerlijke cockpit dichtslaat klinkt het nog met enige woestheid “Onthoud mijn nummerplaat maar, maat!”

Ik meen overigens dat deze anekdote en beschouwingen dienstbaar kunnen zijn bij het uitleggen van een begrip dat vandaag misschien wat meer aandacht mag ontvangen bij jong en oud: innerlijke rijkdom.

 

Stef Hublou Solfrian

 

Post Scriptum

Op nauwelijks een steenworp van de plek waar deze ontmoeting plaatsvond, is er een gedenksteen  in de westelijke muur van de abdij gemetseld. Ter ere van Oberleutnant Gustav Reinbrecht (1881-1914). Dat was de officier die tijdens de oorlog het bevel kreeg de abdij van Keizersberg te Leuven (gebouwd in 1899) in puin te schieten met zijn kanonnen. De gewetensvolle man weigerde dit bevel uit te voeren. De plaats en datum van zijn dood spreken boekdelen over wat zijn superieuren als wraak hebben uitgedacht: Reinbrecht sneuvelde nauwelijks twee maanden later aan de Marne, aan het beruchte Franse front dat zoveel kansen bood de dood te vinden.

 

Bronvermelding. Bronnen voor verdere informatie

  • “Het Ardennenoffensief” door O. Weinberg en J. Martin, monografie met striptekeningen gelardeerd in de reeks “De reportages van Lefranc”. Casterman, 2014. Te koop in de boekhandel.
  • Museum “Ardennes 44” te La Gleize. Gelegen bij Stavelot en Francorchamps.
  • “La bataille des Ardennes”. Hollywood productie van 1965.
  • “Battleground Ardennes”. Hollywood productie van 1949.
  • “Patton”. Twentieth Century Fox productie van 1969, rol van George C. Scott. Acht Oscars (1970).

 

Receptie

127 keer gelezen na acht uur.

5003 keer gelezen op 23 januari ’21

___________________________________

https://www.dewereldmorgen.be/community/de-laatste-tiger-tank-of-het-overmatige-geloof-in-de-auto/

 

 

 

 

 

 

 

Illustraties

Alle afbeeldingen behalve de Tiger Tank betreffen eigen foto’s gemaakt in het museum van La Gleize bij Stavelot)

  • Een tankbemanning wordt feestelijk onthaald in Brussel (“1940-1945 De tweede wereldoorlog van dag tot dag”, Anthony Shaw, Deltas, 2013.Medische ampullen die tot de uitrusting hebben behoord van de hospiks (militaire ambulanciers en chirurgen) tijdens het ArdennenoffensiefTabak en pijp, het vormde voor soldaten uit beide kampen een bron van troost en afleiding.
  • Replica van een infanterist behorend tot de tankregimenten, uitegerust met, lederen muts met windbril, kijker en handvuurwapen
  • Militaire decoraties van Duitsland en een typerende (en als buit bij de geallieerden geliefde) dolk van de SS.
  • Tiger Tank, La Gleize
  • Amerikaanse soldaten van een Pantsereenheid tijdens een drinkpauze tijdens het Ardennenoffensief

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!