De laatste Tiger Tank. Of het overmatige geloof in de auto

donderdag 16 juli 2020 14:23
Spread the love

Vanmorgen had ik wat langer geslapen in een volkomen verduisterde slaapkamer. Gisterenavond had ik een alarmsignaal opgevangen van mijn binnen-universum: schrijnende, schurende pijn, hoe klein ook, die recht vanuit de kern van mijn brein leek te komen. Dat soort ervaring heb ik nog maar enkele keren gehad in mijn bijna zestig leefjaren. Het is dan ook kort na de middag, vermoed ik, want niet op de klok kijken past bij mij in een offensief van welbevinden door ontheemding, wanneer ik de eerste keer huis en tuin verlaat met Fellow aan mijn voet. Ik heb de gummi laarzen aangetrokken. “[Goemmi]” zei papa, op zijn Duits; hij en moeder spraken bij mijn ontstaan zowel Engels als Duits als Nederlands. In de rubberlaarzen voel ik mij pas echt gelukkig, als ik buiten mag kiezen. Dat komt zeker ook zo omdat ik enkele duizenden van mijn beste uren heb doorgebracht met leeftijdgenootjes als vrijwillige arbeiders in natuurreservaten vanaf 1977 en op ‘jacht’ naar bijna tweehonderd soorten vogels, in eigen streek en in het buitenland. Ook tijdens mijn wildbeheer opdracht in de bossen bij Malmédy heb ik de venen en wouden betreden met groene of bruine waterdichte laarzen aan de voeten en de kuiten. Als man van enige leeftijd spelen de dubbele lagen Betekenis alsmaar een groter rol in het ervaren van de rijkdom en het genoegen van het leven. Geheugensporen kleuren niet alleen de keuze van ons interieur, waar souvenirs om plaats vechten, de nobele emotie van de toetsing van het bereikte heden aan jeugddromen en de nostalgie worden belangrijker met de dag.

Als ik mij na het ontbijt met gekookte eitjes, ook al zo een mooie reis naar het verre persoonlijke verleden bieden die, en  na drie keer terug horizontaal koestering te zoeken, mij kleed, kies ik de zwarte lederen regenjas van Lax, gemaakt in Kokkola, Finland. Hij geeft me het gevoel dat ik toch een klein beetje in de voetsporen van mijn moeder kan stappen, die enkele winters gewerkt heeft in Finland en de twee grote buurlanden van Scandinavië voor zij moeder werd. Ik kocht de jas, die te kort is om te lijken op de bekende Duitse jassen uit de laatste grote oorlog, voor een prikje, een appel en een ei zegden de mensen toen ik in Heverlee opgroeide, in de vintage shop bij het station. Ik koos een geblokt groen hemd in flanel, want de zon is weg en ik ben in bos-stemming na het bezoek aan Meerdaalwoud gisteren, waar ik ben gaan mediteren, picknicken en aan recreatie doen zonder de hond, moederziel alleen een eenzaam.

Tot mijn eigen verrassing kies ik voor toevoeging van een das onder het wollen gilet. Inderdaad, na de dagtaak van gisteren ben ik in waardige stemming. Meer dan een halve dag heb ik gewijd aan het opsommen en uitschrijven van wat ik verwezenlijkt heb. Een dossiertje dat naar het paleis gaat. Mijn lezers kennen al een paar van die realisaties. Zoals het opbaren van dode mensen m/v in het mortuarium van het regionale  ziekenhuis dat door vier of vijf broers, de geneesheren Mulier is gesticht. “Rouwkamer” hadden de mensen van de palliatieve zorg eenheid De Brug het huisje in witte baksteen smaakvol gedoopt. De ongeveer drieduizend gesprekken die ik voerde met mensen met acute problemen aan de telefonische  hulplijn Tele-Onthaal. Waar mijn diepe vastigheid en onbewogenheid van pas kwam wanneer mannen (vooral) met acute zelfmoordplannen belden, van bij  een tankstation dat zij dreigden in brand te steken als laatste heldenfeit voor de zelfgekozen dood. Een innerlijke vrede die ergens diep onder mijn gewone onrust huist, onrust die mij tot een gedreven opiniemaker heeft geboetseerd. Mijn voortrekkersrol in de kleine gemeenschap van Bezinningsbegeleiders. Die de goede traditie van katholieke scholen trachten in stand te houden om de jongeren rond hun achttiende eens drie dagen stil te laten staan en te laten reflecteren en vooruit kijken in een abdij.

Mijn reis naar Egypte, nog voor volken die de Islam aanhangen, verdacht en gevaarlijk leken na de aanslag van nine eleven, in de lente van 1988, een paar maand voor ik mijn dikke licentiethesis afwerkte en mijn graad ontving. Toen ik aan de oevers van de Nijl op een avond schrok toen jongere mannen dan ikzelf, in lederen jekker en goed in het vlees, mij tot de aankoop van een wollen, handgeweven tapijt trachtten te verleiden door een lucifer aan te strijken en die op het weefsel te leggen: “Look, sir, this is real wool: it does not take fire!”. Die gedenkwaardige reis in dat legendarische land, toen in de late avond na aankomst in het zuiden, in Aswan was het denk ik, met de trein uit Caïro, ons het nieuws bereikte dat de trein die na ons deze rit van een paar honderd kilometer had gemaakt, was ontspoord, met dodelijke slachtoffers. Gisteren schreef ik verder over de reizen die ik maakte in dienst van Avuc, de jongerenvereniging die de werking van de UNESCO  ondersteunt in ons land. Waarbij ik in Novgorod kennis maakte met een vijftiger, mijn leeftijd tegenwoordig, met een krachtige kin en blauwe ogen in een strak grijs pak die zichzelf voorstelde als museumdirecteur. “Met de leiding over drieëntwintig musea!”. De stijlvolle maar wat magere Egyptische diplomate die van ons gezelschap deel uitmaakte, had meteen begrepen wat dit inhield, en dus niet louter prestige: “Jij moet nogal van het ene naar het andere dansen, dan!” sprak zij met levenswijsheid tegen Peter Michailovitch. Tijdens een andere reis in 1990 in de winter, sprak ik in een theatergebouw in Moskou met Anna en haar man. Over de tekenen van de tijd. Over de politiek, de dagelijkse gewoonten, de “droejsba”-vriendschap en gastvrijheid van de Russen, we legde het lot van onze ouders naast elkaar. Die mensen waren dermate dankbaar dat zij mij de volgende dag een kleinood schonken dat ik nog altijd bewaar, het staat op een van de dertig planken van mijn bibliotheek: een kunstig bewerkt houten kistje met een beeltenis van een Russische kerk (met de kenmerkende uien-top en de orthodoxe kruisen) bij een meertje. En ik denk bij deze gelegenheid terug aan het kleine congres dat ik volgde met Avuc over het probleem van de overbevissing. “Zee in de kijker” was de titel van het project waar de samenkomst in kaderde, onder leiding van de advocaat Lehouck, die helaas in een rolstoel moest reizen in zijn functie van penningmeester van de wereldwijde vereniging van jonge UNESCO aanhangers.  Hoe ik vanuit mijn kracht om vragen te stellen, geoefend vanaf het tweede leerjaar op school, een kritische vraag had gesteld aan een wetenschapper die de visserij volgde, omdat ik mij zo machteloos voelde bij de mistoestanden die duidelijk maakten dat de mensheid in alle kustlanden door zichzelf geen quota op te leggen, de tak af aan het zagen was waar wij allen op gezeten zijn… Die situatie vond plaats toen ik een jaar of dertig was, omstreeks 1993. Van Lehouck, die samenwerkingen op touw zette met Landsweert, de directeur van het Nationaal Visserijmuseum, kreeg ik op een dag de opdracht alle vuurtorens en de havenlichten van onze kuststeden in beeld te brengen. Daartoe mocht ik op een dag meevaren met een schip van de Kustwacht; toen wij uitvoeren stond er veel wind, dat zag het geoefende oog aan de witte kopjes op de golven, en de kapitein verzond een bericht aan wie het aanbelangde dat hij voor een opdracht een uur of twee weg was, de zee op. Ondanks het ruwe weer werden het mooie foto’s, waaronder deze van de groene brulboei “Trapegeer” (de boeien krijgen een naam). Dit beeld heeft vele  jaren op het kantoor van T.O. in Leuven gehangen, waar de honderd vrijwilligers inderdaad een soort vaste boei vormen voor de ongelukkige, door het leven overspoelde bellers. Ik was blij met die opdracht, want in die jaren vond ik gedurende vele maanden per jaar geen werk. De professionele toewijding en concentratie maakten dat de opkomende zeeziekte geen greep op me kreeg in de kleine boot bij de lage reling, zo herinner ik mij nog goed.

Om mijn tenue af te werken nam ik dus een das, ik koos voor eentje met een schotse ruit. Die ging bij mijn pet passen en leek niet te vrolijk, en niet te steeds. Bovendien vormt die das met dit motief een aanmoediging: als ik aan Schotland denk, waar ik nog niet op bezoek ben geweest, denk ik aan de heldhaftige strijd van de sobere volkeren en clans tegen de heerszuchtige Engelsen, zoals dit thema aan bod komt in de dramatische prent “Braveheart” met Mel Gibson.

In die stemming ben ik dus wanneer ik, voorzien van een zelf gesneden wandelstaf in hazelnotenhout van bijna mijn lengte, naar het nabijgelegen abdijpark stap. In die tegelijk kwetsbare en zelfbewuste stemming stap ik de heuvel op die aan de oude poort grenst die wel tweehonderd jaar oud is. De heuvel is onder macadam bedekt. Ik blijf mijn staf ritmisch neerplanten en de ene voet voor de andere zetten, ook wanneer een met benzinemotor aangedreven grote wagen recht op ons af komt. Een beetje chauffeur en mens met wereldwijsheid maakt dan een kleine koerscorrectie. Er is hier geen voetpad. En geen verplichting voor de voetganger om links dan wel rechts te stappen. Ik confronteer de bestuurder zelfs niet met een waarschuwende priemende blik. Wanneer de auto van het merk Mercedes vertraagd en noodgedwongen een beetje opzij langs ons glijdt, gebruikt de man aan het stuur wel even boosaardig de hoorn. Dat laat ik  niet op mij zitten, ik roep iets in de aard van “U zou wel uw manieren kunnen houden!”. Ik stap verder tot blijkt dat de man zijn voertuig stopt en met luide stappen naar ons toe komt (Fellow loopt aan mijn zijde aan de lederen riem). “Wat denkt gij dat ge bezig zijt?!” Ik antwoord snedig: “Ik zoek mij wat vrede, nadat ik een leven lang hard gewerkt heb!”. -“Nja-nja-nja! – Ge loopt hier in het midden van de weg, op de openbare weg!”. Ik kijk met teruggevonden diepe rust in de ogen en naar het gezicht van de jonge man, nog bijna een jongen. Hij heeft harde, wat lege trekken, kort modieus gekapt blond haar.

Zijn gezicht doet mij wat denken aan de trekken die kolonel Peiper die tijdens het Von Rundstedt- wanhoopsoffensief van de Führer in de Ardennen het bevel voerde over de Erste SS Pantzergruppe. Hij is verantwoordelijk voor de beroemde moordpartij onder een honderdtal gevangen genomen Amerikaanse soldaten. Na de oorlog werd Peiper veroordeeld tot de doodstraf, maar die werd nooit uitgevoerd. De elite soldaat werd later verantwoordelijk voor het beheer van de kunstschatten en het goud dat officieren van het Duitse leger hadden voor zichzelf opzij gezet, om vaak in Argentinië een nieuw, comfortabel leven te gaan leiden na de nederlaag. Tijdens een reisje nauwelijks een maand geleden hebben wij het uiterst interessante kleine museum bezocht in La Gleize, het kerkdorp waar in de straten en in de velden eromheen de grootste tankslag is geleverd: meer dan 130 tanks en voertuigen bleven na de slag achter. Het klembord met bovenaan in pyrogravure de naam “Peiper”, waar de kolonel de bewegingen van zijn troepen op de kaart heeft bekeken en gepland, en die van de vijand, werd een dag later door de pastoor gevonden en in veiligheid gebracht. Het houten ding met lichtjes roestige klemmen is nu een topstuk in de collectie, dadelijk bij de start van de rondleiding te zien. Op het erfje voor het museum dat de naam draagt “Ardennes December 1944” staat een authentieke “Kaiser Tiger II”. Wellicht de zwaarste tank die ooit is vervaardigd. In de pantserplaten zag ik op 2 juli hoe kogels er kleine sporen in hadden getrokken, erop waren afgeketst. Deze tanks waren bijna onoverwinnelijk. Er waren er echter maar een handvol van, ook al geeft de film “La Bataille des Ardennes” met Henry Fonda (1965) daar een andere indruk van. Het Duitse leger werd vooral verslagen door de overmacht aan bommenwerpers aan geallieerde kant; maar ook doordat er in het Reich bijna geen druppel benzine meer te vinden was rond kerstmis 1944. De troepen moesten in de Ardennen rekenen op brandstof die zou worden buitgemaakt van de Amerikaanse en Britse troepen. Een Tiger Tank verbruikt achthonderd liter per honderd kilometer!

De teksten aangebracht in drie talen bij de honderden uniformen en fascinerende gebruiksvoorwerpen van de soldaten die vochten aan beide kanten, uitgestald in gloednieuwe goed verlichte kijkkasten, geven overigens nog aan dat de winterkleding de Duitse soldaten bij deze overhaast uitgevoerde verrassingsaanval in de bitter koude winter van ’44 niet tijdig bereikte. De mannen die streden onder Peiper en de generaals von Manteufel en Dietrich, zij droegen in het gevecht tegen de strijders van Eisenhower, Patton en Montgomery, Mc Auliffe het bont groen gekleurde, dunne zomertenue…

 

Mijn rustige, vastberaden antwoord op de helling naar de abdij is intussen: “Dit is hier toch een private weg, een abdijterrein nog wel!”. Intussen heeft de jonge man, hij kan moeilijk ouder zijn dan een jaar of negentien, er zit nog niet veel vlees aan zijn botten, blijkbaar gemerkt dat ik onverstoorbaarheid bezit, en argumenten. Hij is verder klaarblijkelijk wat tot inkeer gekomen nadat ik ostentatief mijn ogen naar de nummerplaat van zijn wagen heb gedraaid, en daar een tijdje naar heb gekeken. Een automens is machtig met zijn kleine tank, maar gelukkig ook aan handen en voeten gebonden, onder andere door dit nummerbord-systeem. “Gij met uw stokske!” roept hij nog. Maar hij kijkt mij niet meer in de ogen. De krachtigste wapens van volwassenen, en a fortiori van oudere mensen, het zijn de ogen. Dat was mij reeds als tiener opgevallen. Daar kan geen merkauto gekregen van papa tegenop, zo blijkt vandaag nog eens. De man stapt terug naar zijn auto. Ik spreek nog de woorden “U zou toch respect voor mijn leeftijd mogen betonen?”, maar de jongen heeft zij poeder verschoten en reageert niet meer. Ik ga verder richting gebedshuis en park. Achter mij, net voor de deur van de burgerlijke cockpit dichtslaat klinkt het nog met enige woestheid “Onthoud mijn nummerplaat maar, maat!”

Ik ga dit verhaal zeker aanbieden aan de atheïstische sparringpartners. Zij maken zich de strijd tegen illusies en geloof toch wat te gemakkelijk door aan die term een beperkte invulling te geven. Het is altijd wat makkelijk, vijanden te kiezen die in feite al lang krachteloos of verslagen zijn. Er zijn andere vormen van afgoderij en bijgeloof die vandaag maken dat mensen aanmatigend en vanuit een verkeerd, onafgewerkt wereldbeeld brutaal menen te mogen optreden. Verder dacht ik dat deze anekdote dienstbaar kon zijn bij het uitleggen en illustreren van een begrip dat vandaag misschien wat meer aandacht mocht ontvangen, bij jong én oud: innerlijke rijkdom.

 

Stef Hublou Solfrian

 

Post Scriptum

Op nauwelijks een steenworp van de plek waar deze ontmoeting plaatsvond, is er een gedenksteen  in de westelijke muur van de abdij gemetseld. Ter ere van Oberleutnant Gustav Reinbrecht (1881-1914). Dat was de officier die tijdens de oorlog het bevel kreeg de abdij van Keizersberg te Leuven (gebouwd in 1899) in puin te schieten met zijn kanonnen. De gewetensvolle man weigerde dit bevel uit te voeren. De plaats en datum van zijn dood spreken boekdelen over wat zijn superieuren als wraak hebben uitgedacht: Reinbrecht sneuvelde nauwelijks twee maanden later aan de Marne, aan het beruchte Franse front dat zoveel kansen bood de dood te vinden.

 

Bronvermelding. Bronnen voor verdere informatie

  • “Het Ardennenoffensief” door O. Weinberg en J. Martin, monografie met striptekeningen gelardeerd in de reeks “De reportages van Lefranc”. Casterman, 2014. Te koop in de boekhandel.
  • Museum “Ardennes 44” te La Gleize. Gelegen bij Stavelot en Francorchamps.
  • “La bataille des Ardennes”. Hollywood productie van 1965.
  • “Battleground Ardennes”. Hollywood productie van 1949.
  • “Patton”. Twentieth Century Fox productie van 1969, rol van George C. Scott. Acht Oscars (1970).

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!