De vakbondsbetoging lokte 120.000 man naar Brussel.
Analyse -

Waarom sterkere vakbonden ook tot een sterkere economie leiden

Vaak horen we dat vakbonden een rem betekenen op economische ontwikkelingen. Vakbonden zouden oubollig zijn en economische innovatie in de weg staan. Een studie van de Britse New Economic Foundation en de University of Greenwich vertelt een heel ander verhaal: vakbonden zijn cruciaal voor economische groei.

donderdag 17 september 2015 16:35

In zijn laatste boek Postcapitalism stelt de Britse journalist Paul Mason dat het neoliberalisme vooral een aanval op de vakbonden inhield. Wat Thatcher, Pinochet en Reagan met elkaar deelden was het cruciale idee dat een moderne economie zich moest ontdoen van georganiseerde vakbonden. De nadruk op de vrije markt, fiscale discipline en het doorvoeren van privatiserigen of globalisering zijn daar slechts secundair aan.

Als die karakterisering van Mason klopt, dan kunnen we enkel besluiten dat het neoliberalisme met glans in zijn opzet is geslaagd . Zo loop het aantal gesyndiceerde arbeidskrachten steeds verder terug in Europa:




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit deze grafiek blijkt dat in het Verenigd Koninkrijk in 1981 nog 49,9 procent van alle werkkrachten bij een vakbond waren aangesloten. In 2013 was dit nog slechts 25,4 procent. In landen als Oostenrijk en Portugal (niet opgenomen in bovenstaande grafiek) is de terugval nog spectaculairder. Daar daalt het aantal vakbondsleden met 40 procent. Enkel Spanje en België zien een (lichte) toename van het aantal leden.

De terugval van het ledenaantal in de meeste Europese landen leidt ertoe dat vakbonden minder onderhandelingskracht hebben. Maar die afname van macht en ledenaantallen hangt op zijn beurt af van enkele structurele ontwikkelingen. Zo werd de macht van vakbonden beperkt door nieuwe wettelijke kaders en trokken staat en werkgevers zich in veel landen terug uit het sociaal overleg.

Wat ook bepalend was voor de verminderde macht van de vakbonden was de stijgende werkloosheid en de ontmanteling van sociale voorzieningen. Om het eenvoudig te stellen: wanneer werknemers zonder werk kwamen te zitten hadden ze steeds minder om op terug te vallen. Ander werk zoeken wordt moeilijker en aan uitkeringen worden steeds meer voorwaarden en restricties verbonden. Gevolg: mensen zijn geneigd om voor minder loon meer te doen en langer bij dezelfde werkgever te blijven.

Langs de kant van de werkgevers zag je de voorbije decennia net een tegengestelde trend: zij kregen steeds meer alternatieven om op terug te vallen. Wanneer loonkosten bijvoorbeeld te hoog worden kon (en kan) makkelijker dan vroeger gerelocaliseerd worden. Bovendien worden bedrijven zelf in toenemende mate gedecentraliseerd waardoor het moeilijker wordt voor werknemers om zich te organiseren.

Win-win

Maar waarom kozen neoliberale politici ervoor om de macht van vakbonden te neutraliseren? Het motief hierachter was vrij eenvoudig. Men ging ervan uit dat loon in de eerste plaats een kost betekent. Als de kracht van werknemers om te onderhandelen over het loon afneemt, dan kunnen de kosten van werkgevers gedrukt worden. Dat betekent meer winst, meer winst betekent economische groei en economische groei betekent – uiteindelijk – winst voor iedereen, aldus neoliberale beleidsmakers.

De werkelijkheid ziet er echter iets anders uit. Want wat gebeurde? Winsten stegen inderdaad sinds de jaren tachtig maar vertaalden zich niet in een hogere economische groei. Ondertussen daalde het aandeel van de lonen in het Bruto Nationaal Product. Om het uit te drukken door middel van een welbekende metafoor: de taart groeide veel trager dan verwacht, terwijl winsten een steeds groter deel van de taart vormden en lonen een steeds kleiner deel.

Waar ligt de fout precies? Neoliberale bewindsvoerders gingen ervan uit dat lonen enkel een kost waren en vergaten dat diezelfde lonen ook de vraag bepalen in een economie. Hoge lonen zorgen voor een hoge koopkracht en die hoge koopkracht stimuleert de economie. Laat het aandeel van de lonen zakken en je krijgt bijgevolg een lagere economische groei.

Eigenlijk is dit het correcte beeld van de rol die lonen spelen binnen de economie:




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat de studie van Greenwich University en de New Economic Foundation nu aantoont is dat er niet alleen een verband bestaat tussen krachtige vakbonden en hogere lonen maar ook tussen krachtige vakbonden en economische groei. Omgekeerd leiden minder krachtige vakbonden tot een lagere economische groei. De impact van een lagere syndicalisatiegraad op de groei is zelfs reëler dan die van technologische verandering of globalisering zo blijkt uit het onderzoek. In deze tabel wordt de impact van minder krachtige vakbonden op het Bruto Nationaal Product aangetoond:




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De conclusie die hier uit voortvloeit is dat het organiseren en stimuleren van een degelijke vakbeweging een must is als we willen komen tot economische groei. De onderzoekers van Greenwich University en de New Economic Foundation benadrukken dat het stimuleren van sterke vakbonden enkel kan leiden tot een win-win situatie: meer sociale gelijkheid, betere arbeidsomstandigheden én een gunstig economisch klimaat voor bedrijven.

Lees hier het volledige rapport van de New Economic Foundation en Greenwich University

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!