Vreedzame betoging in Damascus in maart 2011 bij het begin van de opstand tegen het regime-Assad
Midden-oosten, Nieuws, Wereld, Politiek, Vredesactie, NAVO, Turkije, Libië, Didier Reynders, Syrië, Militarisering, Arabische revolutie, Damascus, No-flyzone, Anders Fogh Rasmussen, Qatar, Militaire interventie, Opstand Syrië, President Bashar al-Assad, Analyse, Roel Stynen, Humanitaire corridor, Vreedzaam verzet, Maarten Zeegers, Maen Abdul Salam, Yara Nseir, Syrische Nationale Raad (SNR), Free Syrian Army (FSA), Koos van Dam - Roel Stynen

Syrië: ‘first do no harm’

Het conflict in Syrië gaat van kwaad naar erger. Het Syrische regime van president Bashar al-Assad gaat steeds driester te werk bij het neerslaan van de opstand. Terwijl het conflict militariseert, proberen lokale groepen terug te gaan naar de vreedzame wortels van het verzet. Of er nog ruimte is voor een onderhandelde oplossing, is twijfelachtig. Westerse landen kijken naar een plan-B.

donderdag 24 mei 2012 17:20

De revolutie in Syrië nam een heel andere loop dan de omwentelingen in Egypte en Tunesië. Het regime probeerde met ijzeren hand elk protest in de kiem te smoren. Sinds vorige zomer het Free Syrian Army (FSA) werd opgericht, dreigt het conflict steeds verder te militariseren. Meer dan 10.000 burgers en honderden soldaten lieten daarbij al het leven.

De realiteit van het Syrische conflict laat zich echter niet vatten in eenvoudige zwart-wit-analyses. Maarten Zeegers, die in Syrië woonde en afgelopen zomer het land werd uitgezet, nuanceert: “Het beeld dat wij hier hebben van één volk verenigd tegen het regime klopt niet. Het regime kan nog op aanzienlijke steun rekenen. Grote groepen, met name onder de alawieten, christenen en in de Syrische middenklasse, steunen het regime of proberen afzijdig te blijven, uit angst voor dat regime, omdat ze bang zijn voor een burgeroorlog zoals in Libanon, of uit wantrouwen tegenover de oppositie.”

Europese landen steken hun frustratie over de verdeeldheid van de oppositie niet onder stoelen of banken. Zij willen één gesprekspartner, met een duidelijke agenda.

“Wij vechten tegen een muur van het geweld en de veiligheidsdiensten van het regime”

Maen Abdul Salam, een Syrische mensenrechtenactivist die begin mei te gast was in Brussel, vindt dat onrealistisch en naïef: “Hoe kun je verwachten dat we het nu eens worden over een politiek programma? Wij vechten tegen een muur, de muur van het geweld en de veiligheidsdiensten van het regime. Pas als die muur gebroken is, kunnen we denken aan een politiek proces en de toekomst van Syrië”.

Gemakkelijkheidshalve beschouwen westerse landen de Syrische Nationale Raad (SNC) als “een legitieme vertegenwoordiger van alle Syriërs”, zoals de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) in de Kamercommissie Buitenlandse Zaken stelde.

Maarten Zeegers waarschuwt: “De mensen in de oppositie zijn niet noodzakelijk wie westerse regeringen zouden willen dat ze zijn. In het buitenland zien we vooral in het Westen opgeleide, seculiere of gematigde spreekbuizen, maar tussen hen en de mensen in de lokale comités of het FSA bestaat vaak een grote kloof. Politici in het Westen kijken best goed uit met wie ze gaan samenwerken”.

Geweldloze groepen in de Syrische revolutie verwaarloosd

De aandacht voor de gewapende oppositie overschaduwt de geweldloze groepen in de Syrische revolutie. In heel het land zijn lokale comités actief die nog bijna dagelijks manifestaties organiseren. De laatste twee maanden lijkt het geweldloze protest opnieuw aan kracht te winnen. Op 13 april 2012 brachten lokale comités op meer dan 715 plaatsen verspreid over het hele land vreedzame manifestaties op de been.

In Damascus, waar het regime nog op een grote aanhang kan rekenen, zoeken lokale groepen naar creatieve manieren om het verzet vorm te geven en tegelijk uit handen van de gevreesde veiligheidsdiensten te blijven.

Half april kwamen in de Egyptische hoofdstad Caïro meer dan 200 Syrische activisten samen op een conferentie om weerwerk te bieden aan de militarisering van het conflict. “Onze revolutie werd gegijzeld”, stellen ze vast. Veel activisten stellen ook vragen bij de rol van de Syrische Nationale Raad (SNC).

Yara Nseir, die uit Syrië vluchtte en nu in Libanon zelf woordvoerder voor de SNC is, spaart haar kritiek niet: “De SNC heeft het alleen maar over het bewapenen van de rebellen. Ze praat nooit over geweldloos verzet en ze spreekt niet in naam van de stilzwijgende meerderheid die noch het regime noch de rebellen steunt”.

Net vanwege de verdeeldheid in Syrië is het uiterst belangrijk dat Europese diplomaten blijven praten met diverse groepen in Syrië en niet alleen, zoals nu veelal het geval is, met de woordvoerders van de SNC of met Syriërs in ballingschap.

Een onderhandelde uitweg lijkt steeds verder weg. Het regime lijkt niet bereid tot meer dan cosmetische toegevingen. Voor de oppositie lijken onderhandelingen uitgesloten.

Nadenken over een plan-B: militair ingrijpen?

Bij gebrek aan beter geven westerse landen het plan-Annan nog een tijdje de kans, maar nu het geweld aanhoudt, denken politici hardop na over een plan-B: militair ingrijpen. Hier en daar wordt openlijk gepleit voor bombardementen om het Syrische regime ten val te brengen. Experts en militairen nemen dat voorlopig niet erg au sérieux.

Het kostte de NAVO meer dan een half jaar bombarderen voor ze het Libische leger versloeg. Het Syrische leger is daarbij vergeleken vele malen sterker. Bovendien is het risico op een langdurige oorlog waar de hele regio van het Midden-Oosten bij betrokken wordt, veel groter. Voorlopig loopt geen enkel land warm voor zo’n oorlog. Militair ingrijpen sluipt echter via andere pistes binnen.

Eén van die opties is het opzetten van ‘safe zones‘ (veilige zones) op Syrisch grondgebied, tegen de Turkse (noorden) of Jordaanse (zuiden) grenzen, waar Syrische burgers een veilig heenkomen zouden kunnen vinden. Minister Reynders is daar een voorstander van en besprak het idee met zijn Turkse collega’s.

Koos van Dam, lange tijd ambassadeur van Nederland in Caïro en Bagdad, waarschuwt: “Iedere vierkante centimeter van het Syrische grondgebied die wordt bezet, zal door het Syrische leger meteen worden gebombardeerd.”

‘Veilige zones’ alleen ten koste van vele burgerslachtoffers

Het instellen van ‘veilige zones’ kan alleen met een aanzienlijke troepenmacht. Experts spreken over 40 tot 50.000 soldaten om een zone van 50 op 80 kilometer te beschermen. Om de veiligheid van die safe zones te garanderen, moet bovendien een no-flyzone afgedwongen worden, wat op zijn beurt veronderstelt dat je eerst de Syrische luchtafweer uitschakelt. Die bevindt zich in stedelijk gebied, wat grote aantallen burgerslachtoffers onvermijdelijk maakt.

Het is ook voorspelbaar dat zo’n safe zones uitvalsbasis worden van gewapende groepen, zoals ook in de Bosnische oorlog gebeurde. Het organiseren van zo’n safe zones past dan ook in een militaire in plaats van in een humanitaire logica. De gewapende groepen in Libië controleerden steden, die als uitvalsbasis dienden voor offensieven tegen het regeringsleger van kolonel Khaddafi.

In Syrië slagen de gewapende groepen daar niet in. Als ze zich in ‘safe zones‘, bewaakt door buitenlandse troepen, kunnen organiseren, zou hun militaire slagkracht vergroten. Onvermijdelijk worden die ‘safe zones’ dan ook doelwit van het Syrische regeringsleger, waardoor je de burgers die er een toevluchtsoord zoeken aan de militaire strategie opoffert.

Bewapenen van de gewapende rebellen

Een ander denkspoor is het bewapenen van de gewapende rebellen, zoals ook in Libië gebeurde. Guy Verhofstadt (Open VLD) pleitte daarvoor, na een ontmoeting met vertegenwoordigers van de SNC. De VS en Groot-Brittannië hebben voor miljoenen euro’s ondersteuning aan de oppositie beloofd, al is nog onduidelijk waar die hulp uit bestaat en aan wie ze geleverd wordt. Qatar en Saoedi-Arabië zouden nu al wapens leveren en zeggen dat ze de soldij van de gewapende rebellen willen betalen.

De SNC zou bij het bewapenen van de oppositie als verbinding functioneren tussen de ‘Friends of Syria‘ en het FSA. De SNC richtte begin maart een militair bureau op, met de bedoeling de verschillende gewapende groepen, waaronder de FSA, onder één commando te brengen en een gezamenlijke strategie te ontwikkelen voor het gewapend verzet. Voorlopig lijkt de SNC echter nauwelijks vat te hebben op de gewapende groepen.

Het bewapenen van de oppositie, met de bedoeling dat ze dan “met gelijke wapens kan vechten”, is een bijzonder gevaarlijke illusie. Koos van Dam: “Van de militaire oppositie weet je niet wie het zijn. Bewapenen van de oppositie betekent gewoon nog meer bloedvergieten. Je loopt het risico dat de soennitische meerderheid wraak neemt tegen het regime, en dan moet je weer de minderheden gaan beschermen. De oplossing, voor zover er überhaupt een oplossing is, is dialoog.”

Achter al die militaire scenario’s schuilt steeds de veronderstelling dat ze op grote schaal deserties van topofficieren uit het Syrische regeringsleger zullen aanmoedigen, verdeeldheid creëren bij de elite die het regime steunt en op die manier het machtsevenwicht doen doorslaan ten voordele van de oppositie.

Dat dit op afzienbare termijn gebeurt, is twijfelachtig. Het regime zit nog stevig in het zadel. De elite die het regime steunt, heeft veel te verliezen. En een niet te verwaarlozen deel van de bevolking kiest nog geen kant, uit angst voor een onzekere toekomst.

Veeleer dan het regime te verzwakken en ruimte te creëren voor een politieke uitweg, zullen de militaire scenario’s het conflict verder doen escaleren.

Rol van Turkije en Qatar

Officieel wordt over een eventueel ingrijpen door de NAVO (nog) niet gesproken. Geen van de NAVO-lidstaten bepleit openlijk een voortrekkersrol voor de alliantie. “Westerse interventie zal in Syrië niet helpen”, zei NAVO-secretaris-generaal Anders Fogh Rasmussen in februari nog. Hij sloot de inzet van NAVO-middelen voor het leveren van militaire, humanitaire of medische hulp uit.

Maar achter de schermen is er meer gaande. De Turkse regering van premier Erdogan overweegt om op basis van het Noord-Atlantisch Verdrag (waarvan Turkije verdragspartner is) de NAVO formeel om bijstand te verzoeken, wanneer het aantal Syrische vluchtelingen dat de Turkse grens oversteekt, blijft toenemen of als er langs de Syrisch-Turkse grens opnieuw schermutselingen plaatsvinden.

Daarnaast haalt de NAVO de banden met Qatar aan. Zo ontving Rasmussen op 1 maart de premier en minister van Buitenlandse Zaken van Qatar op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel. De kleine Golfstaat Qatar grijpt de Arabische omwentelingen aan om zijn invloed in de regio te vergroten en speelde ook in de oorlog in Libië een doorslaggevende rol, door de rebellen te bewapenen en te trainen, en met Qatarese soldaten op het terrein.

Voor de diverse militaire opties heeft niemand een realistisch plan. Ze dreigen het conflict alleen maar erger te maken en doen de geweldloze groepen uit het zicht verdwijnen. Ook wat Syrië betreft, geldt: ‘first do no harm‘.

Roel Stynen

Roel Stynen is stafmedewerker van Vredesactie vzw.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!