President Assad doet elk protest af als 'terrorisme' en beweert dat politie en leger alleen maar geweld gebruiken als antwoord op gewapend geweld.
Nieuws, Wereld, Economie, Politiek, NAVO, Turkije, Marokko, Libië, Israël, Hamas, Irak, Iran, Libanon, Hezbollah, Saoedi Arabië, Jemen, Tunesië, Arabische lente, Bashar al-Assad, Analyse, Gulf Cooperation Council (GCC), Vrije Syrische Leger, Burgeroorlog Syrië, VN Veiligheidsraad, Qaddafi, Arab Peace Initiative, Syrian National Council, Iraanse Republikeinse Garde -

Syrië en de strijd om regionale hegemonie

De Syrische revolutie is het bloederigste hoofdstuk van de Arabische lente, en misschien wel het meest complexe - met uitzondering van Jemen. Maar ondanks die complexiteit lijkt de media ons het simplistische verhaal voor te schotelen van een door en door slecht regime dat wordt bestreden door een ongewapende maar heroïsche bevolking.

vrijdag 2 maart 2012 14:47

Het regime ondermijnt haar eigen legitimiteit

De opstand tegen het al-Assad-regime verliep aanvankelijk volgens het draaiboek. Op een aangekondigde betoging in de suq al-Hamadiyya in oud-Damascus vroeg een honderdtal betogers enkel meer vrijheden en politieke hervormingen, niet om de omverwerping van het regime. Wat daarna gebeurde, is ondertussen geschiedenis. Het Syrische regime onderdrukte een geweldloze volksopstand in de zuidelijke stad Dar’a, onder het voorwendsel dat gewapende groeperingen die stad waren geïnfiltreerd en de bevolking terroriseerden. Dat voorwendsel werd nog vele maanden aangehaald om steden als Jisr al-Shugur, Hama, Deir al-Zur, Homs, Banyas en Irbid hermetisch af te sluiten en te bombarderen.

In feite impliceert het ‘rondtrekkende gewapende bendes’-excuus al een inherent falen, omdat het Syrische regime zich legitimeert door de veiligheid en stabiliteit die het bracht. De buurlanden, Irak, Israël en Libanon, waren allemaal “poelen van onveiligheid” en zelfs burgeroorlog. Dankzij het al-Assad-regime werd Syrië van zo’n doemscenario’s gespaard, aldus de propaganda van het regime. De miljoenen Irakese en Libanese vluchtelingen die de oorlogen ontvluchtten gedurende de laatste 10 jaar waren het levende bewijs van die theorie. Nu het Syrische regime niet in staat is om de eigen bevolking te beschermen van enkele “rondtrekkende gewapende bendes” ondermijnt ze haar bestaansreden.

Propaganda: wie te geloven?

Al snel na het uitbreken van de Syrische opstand begonnen enkele belangrijke regionale en internationale spelers zich te bemoeien met de Syrische volksopstand. Dat vertaalde zich in een mediacampagne die gelijkaardig was aan de verslaggeving die het NAVO-offensief in Libië voorafging. De gangbare journalistieke standaarden werden daarbij genegeerd en we kregen bijna uitsluitend eenzijdige berichtgeving voorgeschoteld. Uiteraard is het Syrische regime medeverantwoordelijk voor die situatie omdat onafhankelijke journalisten niet welkom zijn in de politiestaat. Maar dat is natuurlijk geen reden om de Syrische oppositie klakkeloos te geloven, wat maar al te vaak gebeurt in de verslaggeving over de opstand.

Syrië = Libië II?

Een dergelijke mediacampagne slaagde in Libië, waar Saoedi-Arabië en co vrij spel kregen. Khaddafi’s traditionele bondgenoten Rusland en China gebruikten hun veto niet in de VN-veiligheidsraad en zo werd het pad geëffend voor de NAVO-interventie.
In Syrië is zo’n scenario ondenkbaar om verschillende redenen.

Hoewel het land veel minder rijk is dan Libië, speelt het een cruciale rol in de nieuwe intra-Arabische “Koude Oorlog” die al enkele jaren in alle hevigheid woedt. Die Koude Oorlog speelt zich af tussen twee assen in de regio: een pro-Amerikaanse die wordt geleid door Saoedi-Arabië en verder bestaat uit Jordanië, Marokko, de meeste Golf-emiraatjes en het Egypte van voor de revolutie. Het andere kamp noemt zichzelf de verzetsas (mihwar al-mumana’a) en bestaat/bestond (werkwoordstijden zijn relatief) uit het Palestijnse Hamas, het Libanese Hezbollah, Syrië en Iran. Qatar, dat er een ambigue agenda op nahoudt, wordt nu en dan in één van beide kampen geplaatst.

Een Arabische Koude Oorlog

Na het uitbreken van de revolutie in Tunesië leek alles erop te wijzen dat het Saoedische kamp het onderspit zou delven in deze Koude Oorlog. Ben Ali, en vooral Hosni Moebarak, waren belangrijke pionnen in het geostrategische spel dat in de Arabische wereld werd gespeeld. Naast Israël verzette vooral Saoedi-Arabië zich hevig tegen het gedwongen aftreden van hun loyale vriend Moebarak. De hele Saoedische fatwa-industrie werd in gang gezet om aan te tonen dat demonstraties onislamitisch zijn en dat democratie gelijkstaat aan ongeloof.

Toen de Bahreinse opstand begon, stuurde Saoedi-Arabië zelfs een legertje naar het eiland om de vreedzame opstand de kop in te drukken. In Jemen deed het koninkrijk er alles aan om de totaal in diskrediet gebrachte Ali Abdallah Saleh zo lang mogelijk in het zadel te houden. In Marokko en Jordanië braken ook massale demonstraties uit en Saoedie-Arabië kwam plotseling met het bizarre idee om deze landen deel te laten uitmaken van de Gulf Cooperation Council, een select clubje waar alle monarchiën in de Golf lid van zijn.

Kortom, het Saoedische kamp leek in het zand te bijten in de prille maanden van de Arabische Lente. Zeker omdat Syrië, de belangrijkste regionale Arabische tegenstander, tot midden maart gespaard bleef van noemenswaardige protesten.

Het tij keert

Het keerpunt in deze Koude Oorlog was ongetwijfeld de Libische opstand. Niet dat kolonel Khaddafi de revolutionaire anti-westerse nachtmerrie was zoals hij graag fantaseerde, maar Libië was een ideale kans voor het Saoedische kamp om een nieuwe bondgenoot te vinden. Zo konden ze ook de revolutionaire golf in de regio vertragen, zoniet compleet indammen. Libië is een belangrijke kaart waarmee Saoedi-Arabië een te assertief Tunesië of Egypte in toom zou kunnen houden.

Voor Saoedi-Arabië is er geen direct financieel belang in Libië, voor Egypte en Tunesië echter wel. Voor de opstand in Libië waren er meer dan een miljoen Tunesische en Egyptische gastarbeiders die een grote bijdrage leverden aan het instandhouden van de lokale economieën. In de toekomst zullen die bedragen nog belangrijker zijn omdat beide economieën zwaar hebben geleden onder de revolutie. En het schatrijke Libië zal vele honderduizenden arbeiders nodig hebben voor de heropbouw. Niemand is vergeten hoe Saoedie-Arabië in 1990 en 1991 meer dan een miljoen Jemenitische gastarbeiders het land uitzette als reactie op de steun van Ali Abdallah Saleh voor Irak in de Golf-oorlog. Zulke collectieve bestraffingen kunnen plaatsvinden in het toekomstige Libië.

Ook stelde de massale mediabelangstelling voor Libië Saoudie-Arabië in de mogelijkheid om zonder al te veel internationale commotie Bahrein binnen te vallen in maart 2011.

Saoedi-Arabië hoopte met Libië een bondgenoot te winnen en twee potentiële rivalen te verzwakken. Maar Syrië beloofde een nog grotere potentiële buit voor het koninkrijk dat de vruchten begint te plukken van haar strategie.

Saoedi-Arabië in het offensief

Er zijn enkele onafhankelijke analisten die beweren dat Saoedi-Arabië en Amerika niet willen dat het al-Assad-regime valt omdat ze een zwakke dictator verkiezen boven een onvoorspelbaar alternatief. Een precedent voor die theorie is de Golf-oorlog van 1991 toen de Amerikanen, gesteund door de Saoedi’s, Saddam Hoessein gemakkelijk definitief konden uitschakelen. Dat werd niet gedaan omdat het lot van de Irakezen geen factor was in het beslissingsproces van de Saoedi’s en hun Amerikaanse beschermheren. Saddam bleef aan de macht zolang hij de Amerikaanse belangen in de regio niet in gevaar bracht. Net als toen probeerden die twee landen zich voor te stellen als trouwe “vrienden” van een onderdrukt volk … Deze keer valt die bedenkelijke eer het Syrische volk te beurt.

Maar de uitschakeling van Bashar al-Assad zou in ieder geval geen nieuwe catastrofe betekenen voor het Saoedische kamp. Iran, de aartsvijand van Saoedi-Arabië, zou zijn belangrijkste Arabische bondgenoot verliezen. Hezbollah, dat binnen Libanon een bittere strijd voert met het pro-Saoedische 14 Maart-blok, zou logistiek worden afgesneden van de Iraanse toevoerlijnen. Hamas, dat een te onafhankelijke koers vaart volgens Saoedi-Arabië, zou zich gemakkelijker schikken naar het “Arab Peace Initiative”dat werd gelanceerd door datzelfde Saoedi-Arabië in 2002. Dat plan houdt in dat alle Arabische landen Israël erkennen in ruil voor een tweestatenoplossing.

Hamas spreekt al enkele maanden met een dubbele trong over Syrië, maar lijkt uiteindelijk de knoop te hebben doorgehakt en het Syrische regime de rug te hebben toegekeerd. Irak, dat na de invasie van 2003 een pro-Iraanse regering kreeg, zou de laatste sterke noemenswaardige Iraanse bondgenoot blijven in de regio als het Saoedische plan succesvol blijkt. Maar met een grote Amerikaanse militaire aanwezigheid lijkt Saoedi-Arabië zich voorlopig weinig zorgen te maken over Irak.

De Syrische oppositie

Uiteraard is de Syrische oppositie hiervan op de hoogte. Zelden wordt er een woord van kritiek geuit op Saoedi-Arabië dat zich nochtans alles behalve constructief heeft gedragen tijdens de opstanden in Tunesië, Egypte, Jemen, Bahrein, Marokko etc.

Bovendien presenteert de media ons het beeld van een verenigde Syrische oppositie die wordt vertegenwoordigd door de Syrian National Council (SNC). De voorzitter van de SNC is de presentabele Burhan Ghalyu, een Sorbonne-professor, onder meer bekend als auteur van het pamflet ‘Een manifesto voor Democratie’.

De realiteit is echter veel complexer. Niet alleen zijn er verschillende ‘revolutionaire’ groeperingen actief in zowel binnen- en buitenland, vaak staan deze politieke spelers mijlenver van elkaar. Hoewel Haytham al-Manna de leider is van één van de meest effectieve oppositiebewegingen, doet zijn naam bij weinigen een belletje rinkelen. Zijn “National Coordinating Body for Democratic Change” is sterk gekant tegen de SNC van Burhan Ghalyun.

De SNC is misschien wel de favoriete gesprekspartner van Arabische regimes en westerse landen, binnen Syrië wordt het door velen gezien als een praatclub van Syrische dissidenten waarvan velen het land vaak al tientallen jaren niet hebben bezocht. Ook stellen vele binnenlandse revolutionairen zich de vraag of de SNC wel een onafhankelijk orgaan is. Turkije, Qatar en Saoedi-Arabië lijken nogal wat invloed te hebben binnen deze nationale overgangsraad. En net die drie landen zijn grote voorstanders van een militaire escalatie in Syrië. Qatar stelt voor om een militair interventieteam samen te stellen. Turkije ijvert al maanden voor een “veilige” zone in het noordwesten van het land. En Saoedi-Arabië wil naast het uitbreiden van haar regionale invloed een nieuwe bestemming vinden voor de jihadi’s die ervan dromen tegen “ongelovige” regimes te strijden.

The National Coordinating Body for Democratic Change en de Local Coordination Committees of Syria verzetten zich tegen elke militaire interventie in Syrië. Voorlopig lijkt die stroming het overwicht te hebben. Op de conferentie ‘Vrienden van Syrië’ die in Tunis op 24 februari werd gehouden, benadrukte de nieuwe Tunesische president Muncif al-Marzouqi dat elke militaire escalatie uit den boze is. Dat was niet naar de zin van de Saoedische delegatie die prompt de conferentiezaal verliet. Er werd ook besloten dat SNC officieel zou worden beschouwd als een (niet dé) legitieme vertegenwoordiger van het Syrische volk. 

Die twee tegenvallers -voor Saoedi-Arabië althans- zorgden ook voor een afscheuring in de SNC. De invloedrijke opposant Haytham al-Maleh is één van de ongeveer twintig leden die zich afscheurden van de SNC. In hoeverre dit gebeurde onder Saoedische druk is onduidelijk. Al-Maleh wil zich naar verluidt meer toespitsen op het bewapenen van het Vrije Syrische Leger. De SNC counterde die recente afscheuring door een speciale afdeling op te richten die zich zal bezighouden met het bewapenen van Syrische rebellen, waaronder het Vrije Syrische Leger. Dat leger heeft al bij monde van hun leider Riad al-As’ad laten weten dat ze niet zullen samenwerken met de SNC.

De Syrische oppositie is mijlenver verwijderd van een eengemaakt front tegen Bashar al-Assad. De kans is klein dat de meningsverschillen overbrugd worden. Het dispuut over een militaire escalatie is daar te primordiaal voor.

Verzetsas in het defensief

Het lot heeft zich tegen de “verzetsas” gekeerd. Hamas heeft bij monde van Ismail Haniyeh al adieu gezegd aan het pro-Iraanse kamp. De belangrijkste spelers blijven het niet-Arabische Iran en de Libanese Hezbollah. Al enkele maanden verspreiden de Golf-media en leden van de SNC geruchten dat Iran en Hezbollah strijders en wapens leveren aan het al-Assad-regime. Zo rechtvaardigen ze het bewapenen van het Vrije Syrische Leger dat al enkele maanden aanvallen uitvoert op het reguliere Syrische leger.

Er is nog geen enkel tastbaar bewijs geleverd voor het bestaan van Hezbollah-strijders in Syrië. Wel beweerden Syrische opposanten dat ze verschillende leden van de Iraanse Republikeinse Garde hadden gevangengenomen. Later bleek dat de gevangengenomen Iraniërs ingenieurs waren. Maar de schade was al aangericht en nu lijkt het common wisdom dat Hezbollah en Iran deelnemen aan de repressie in Syrië (tijdens de Libanon-oorlog van 2006 beweerde Israël dat de Iraanse Revolutionaire Garde deelnam aan de gevechten, wat later onzin is gebleken). Hezbollah en Iran zijn aan de andere kant wel ondubbelzinnig over hun steun voor het regime van Bashar al-Assad, en ze vrezen terecht dat ze veel slagkracht zullen verliezen als de Syrische revolutionaren het regime omverwerpen.

Turkije

Daarnaast is er ook nog de Turkse rol waar veel over gezegd kan worden. Één dag voor de start van de Syrische opstand leek er geen vuiltje aan de lucht tussen beide buurlanden. Een vlugge duik in de archieven van de Syrische staatskrant Tishreen toont dat op 16 maart 2011 het Syrische regime nog bijzonder lovend was over Turkije. Toen geloofde Damascus nog dat Turkije zich distantieerde van Israël en het Westen, en toenadering zocht bij landen als Syrië en Iran.

Het Syrische regime was dan ook verrast toen Turkije zich als eerste belangrijke land volmondig achter de Syrische revolutie schaarde. Het opende zijn grenzen voor duizenden Syrische vluchtelingen. Ook speelde Turkije gastheer voor enkele conferenties van de Syrische oppositie. Het was in Istanbul dat de SNC gecreëerd werd.

Altruïsme speelt geen rol in de interesse die Turkije toont in Syrië. Turkije heeft een ambitieuze agenda en wil uitgroeien tot de belangrijkste regionale mogendheid. De architect van dat groot project is minister van Binnenlandse Zaken Ahmet Davutoglu die een “zero problem policy” nastreeft met de buurlanden. Door een op het eerste zicht pro-Palestijnse politiek te voeren, hoopt Turkije ‘hearts and minds’ te winnen in de Arabische wereld. Uiteraard probeert Turkije ook de Arabische markten te penetreren met hun producten. De handel met de Ararbische wereld is flink gestegen sinds de AKP tien jaar geleden aan de macht kwam. Al deze factoren verklaren waarom Turkije de laatste jaren zo’n prominente rol probeert te spelen in de Arabische wereld.

Which way out?

Een regime dat het land al 40 jaar lang in een ijzeren greep houdt, zal niet gemakkelijk ten val worden gebracht. Het is nu zoeken naar de minst slechte oplossing om uit de Syrische impasse te geraken. Het thema voor de protesten op vrijdag 2 maart is:“het bewapenen van het Vrije Syrische Leger”. Maar zij die nogal kortzichtig geweld met geweld willen beantwoorden, beseffen niet dat een verdere militarisering van het conflict zowat de slechtst mogelijke zaak is, zeker als er directe buitenlandse inmenging komt.

De sektarisering van de Syrische maatschappij is bijna een fait accompli. Sommige regionale en internationale spelers willen dat Syrië afglijdt naar een burgeroorlog. Libanon, de kleine buur van Syrië, kende een uiterst gewelddadige burgeroorlog tussen 1975 en 1991. Zonder buitenlandse bemoeienis zou die burgeroorlog in 1976 zijn afgelopen. Zal Syrië evolueren van een staat naar een mozaïek van sekten, zoals Libanon vaak (terecht) wordt beschreven? Zullen types als Adnan al-Ar’ur hun zin krijgen en Alawieten “aan de honden voeren”?

Hoe reageren Alawieten en andere religieuze groeperingen op het soennietisch chauvinisme van vele demonstranten, ervan uitgaande dat politiek sektarisme ingeburgerd is? Hoe kunnen de Syrische revolutionairen de religieuze groepereringen ervan overtuigen dat ze niet gediscrimineerd worden in een nieuw Syrië? In hoeverre zal de verdeeldheid binnen de Syrische oppositie de opstand parten spelen? Wie zal het voor het zeggen hebben in het nieuwe Syrië: de dissidenten die het land vaak jaren niet hebben bezocht en goede internationale connecties hebben, of de lokale demonstranten die elke dag hun leven op het spel zetten? Zal Syrië een nieuwe vazalstaat van de Golf-landen worden? 

Aan de andere kant moet het al-Assad-regime beseffen dat er geen terugweg meer mogelijk is.  Geen enkele grondwet zal de levensduur van het al-Assad-regime verlengen. Sinds het begin van de opstand probeert al-Assad ook de religieuze groeperingen tegen elkaar op te zetten, niet zonder succes. Het is nu de vraag of hij nog hoopt door blind geweld zijn regime te redden? Misschien, zo beweren sommigen, heeft hij de touwtjes niet meer in handen. Hoe lang blijven China en Rusland hem steunen? Hoe zal Iran reageren? En wil Israël wel een nieuw regime in Damascus? Hoewel Syrië en Israël technisch gezien in een staat van oorlog leven, heeft het Ba’ath-regime de Syrisch-Israëlische grens sinds 1973 veilig gehouden.

Is er wel een oplossing mogelijk voor dit conflict dat bijna een jaar duurt? Een zeldzame stem van redelijkheid en integriteit in dit conflict is die van de Tunesische president Moncef al-Marzouqi. Nadat hij op de conferentie in Tunis elke militaire inmenging afwees en voorstelde dat leden van het al-Assad-regime immuniteit zouden krijgen, maakte hij bekend dat Tunesië bereid is om onderdak te verlenen aan al-Assad. Hoewel niemand het recht heeft in naam van het Syrische volk te spreken, is het plan van Marzouqi de meest aanvaardbare oplossing voor alle partijen, en de enige garantie voor een snel einde aan het bloedvergieten.

Het Syrische regime is allerminst verslagen en kan eender wanneer nog meer repressie gebruiken. Ondanks alle optimistische berichten over deserties in het leger is er nog geen enkele militair van een hoge rang die zich openlijk bij het Vrije Syrische Leger heeft gevoegd.

In Syrië staat meer op het spel dan de vrijheid en waardigheid van een volk. De strijd om Syrië wordt in vele hoofdsteden gezien als een strijd om regionale hegemonie. In Syrië wordt er misschien wel een nieuwe wereldorde gecreëerd. Wat de uitkomst ook zal zijn, de Syriërs, die weinig echte vrienden hebben, zullen de duurste prijs betalen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!