Een sociaalecologisch, postkapitalistisch alternatief 5/10

Een sociaalecologisch, postkapitalistisch alternatief 5/10

vrijdag 25 maart 2011 00:40

Aflevering 5: opschoning van de productie

Doelstellingen

Een alternatief als ons postkapitalisme zal natuurlijk de valkuilen en het onheil van de ‘vrije’ markt dienen te vermijden. Het zal dienstbaar moeten zijn aan samenleving en natuur, en niet zoals het kapitalisme, zich alleen maar staande kunnen houden op kosten van en ten koste van beide. Meer concreet gaat het dan om de volgende doelstellingen:

1. Sociale rechtvaardigheid in plaats van uitbuiting. Het betreft hier de bijdrage aan een voor allen zoveel mogelijk gelijke staat van welzijn en welvaart.

2. Volledige ontplooiing van de productiekrachten. Dit betekent dat alle productiekrachten zoveel mogelijk ingeschakeld dienen te worden, en dat de productie is gericht op maatschappelijk nuttige producten.

3. Zorg voor milieu en duurzame energie. Het milieu mag niet verder worden aangetast dan de aarde per bewoner kan verwerken zonder er blijvende schade van te ondervinden.

Een geschikte economische structuur, die het kapitalisme kan opvolgen en bij wie de doelstellingen van hierboven op het economisch lijf geschreven staan, ligt niet zo maar voor het oprapen. Zo’n alternatief is er nog niet, en toch zeker niet als daarin de mogelijkheid ontbreekt om geldelijke winst te maken. Ons alternatief is dan ook een nog niet eerder gezien initiatief.

Productiesfeer zonder geld: opschoning van de productie

Hoe stellen we ons voor concreet een einde te maken aan de mogelijkheid geldelijke winst na te streven? In het algemeen zien we dat gerealiseerd door de verwijdering van geld uit de productiesfeer. We duiden dat proces aan als ‘opschoning’ van de productie. In een economische structuur, die functioneert zonder dat er geld wordt geïnvesteerd in de productie, verdwijnt de onbetaalde meerarbeid – de meerwaarde – en dus de bron van geldelijke winst. Daarmee is ook de hele kapitalistische onheilsketen, die loopt van meerwaardevorming naar moordende concurrentie, via kapitaalintensieve productie en dalende winstvoeten naar groeidwang, en tenslotte tot sociale en ecologische crises, uitgesloten. En waar er geen sprake meer kan zijn van investering van geld in het productieproces en dus van geldelijke winst daaruit, verdwijnt bovendien ook de voedingsbodem voor het bestaan van banken, van een financiële sector die ook gericht is op onbeperkte geldelijke winst, en daarom kredietcrises veroorzaakt.

Hier wordt het tijd in te gaan op de meer dan vermoedelijke, stellige verbazing van de lezer over de mogelijkheid van een productie waarin geen geld meer omgaat. Men is zo gewend geraakt aan geld als factor in de productie, dat als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat geld en economie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Zonder geld lijkt economie niet wel voorstelbaar. Zij lijken wel een symbiotische eenheid te vormen, waarbij de een niet zonder de ander kan bestaan. Geld gaat dan ook (abusievelijk) door als een van de productiefactoren. Niettemin is het fenomeen dat geld zo’n belangrijke rol speelt niet van alle tijden. De economische geschiedenis leert dat geld geen noodzakelijke voorwaarde is voor economische bedrijvigheid, en pas in een latere fase van de geschiedenis is ingevoerd door degenen die er belang bij hadden. Vanaf ongeveer 1.5 miljoen jaar geleden tot ongeveer 4000 voor onze jaartelling – een periode in de geschiedenis die bijna 250 maal langer is dan het tijdvak van 4000 tot nu – bestond er geen geld. Niettemin vond toen ook bedrijvigheid plaats, werd er geproduceerd en geconsumeerd, en was er sprake van een volledige economische bedrijvigheid. De geschiedenis toont dat geld geen noodzakelijke productiefactor is, en dat een opschoning van de productie mogelijk is.

Hoe kan geld uit de productie verwijderd worden?

Dit is een vanzelfsprekende vraag als de lezer bekomen is van zijn aanvankelijke stellige verbazing over de mogelijkheid van een productie zonder geld. En het antwoord op die vraag luidt in zijn algemeenheid: door een einde te maken aan de verwerving van inkomen in de productiesfeer. In het productieproces zijn er drie categorieën productiefactoren: grond(stoffen), kapitaal en arbeid. Ieder die in een ervan actief is verdient daarmee een inkomen. Grondstofleveranciers en grondstofproducenten geraken aan een inkomen via toelevering aan het productieproces. De kapitalist verwerft een inkomen omdat hij door het onbetaalde deel van de arbeid meerwaarde vormt, en zo meer uit het productieproces haalt dan hij er in stopt. En de werker krijgt zijn inkomen door zijn arbeidskracht in het productieproces in te zetten. Als de geschiedenis leert dat loskoppeling van geldinkomen in productie niet schadelijk, in ieder geval mogelijk is, dan ligt de weg open om geld(inkomen) uit de productiesfeer te verwijderen. Concreet betekent dit dat inkomen uit leveranties van grondstoffen en arbeid vervalt, en dat dus grondstoffen en arbeid gratis worden. En dit brengt dan weer de loskoppeling mee van inkomen en ondernemen, omdat de kapitalist geen vermogen meer hoeft te steken in de aankop van arbeid, kapitaalgoederen en grondstoffen, want die zijn immers gratis geworden. Door die loskoppeling wordt de productie opgeschoond, verdwijnt het geld uit de productie, en kan er dus ook geen sprake meer zijn van meerwaardevorming, de bron van de kapitalistische winst. En waar die bron ontbreekt is er geen bestaansreden meer voor het kapitalisme.

Meerproduct

Het moge dan zo zijn dat kapitalistische meerwaardevorming in ons postkapitalisme geen voedingsbodem meer vindt, toch wordt in het postkapitalisme een meerproduct voortgebracht. Want werkers zullen ook hier immers meer moeten produceren dan voor eigen gebruik nodig is vanwege de reproductie – het levensonderhoud dus – van wie niet kunnen werken, zoals ouden van dagen, zieken, kinderen en zo meer. Is hier met recht de conclusie aan te verbinden dat in het postkapitalisme ook sprake zou zijn van meerwaardevorming in de zin van uitbuiting, zoals in het kapitalisme? Het antwoord moet ontkennend zijn. Want het meerproduct in ons postkapitalisme valt niet toe aan bezitters van productiemiddelen of welke groep van ‘happy few’ of uitbuiters dan ook, en kan evenmin in functie staan van kapitaalaccumulatie. Het meerproduct staat hier in dienst van de reproductie van de samenleving, en omdat de werkers lid van de samenleving zijn en dus belang hebben bij de reproductie ervan, staat het meerproduct ook in functie van de reproductie van de werkenden. In deze zin kan geen sprake zijn van uitbuiting in het postkapitalistisch meerproduct.

De volgende aflevering: in principe geen prijskaartje bij productiemiddelen

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!