Een katholieke kerk zonder paus?

Een katholieke kerk zonder paus?

dinsdag 9 april 2013 11:59

Nu het stof omtrent de verkiezing en de eerste optredens van paus Bergoglio is gaan liggen, wordt het tijd voor meer fundamentele achtergrond: niet de paus is het probleem, wel het pausdom. De in Brazilië werkzame bekende Vlaamse kerkhistoricus Eduardo Hoornaert schreef deze korte kritisch historische analyse na het ontslag van Benedictus en vóór het Conclaaf. (DMKC)

De aankondiging door Benedictus XVI van zijn ontslag heeft me, net als vele anderen, verrast. Ik ben onder de indruk van de eenvoud waarmee de paus zijn gevoelens uitdrukt. En ik denk dat hij op die manier de statische visie op het pausdom loswrikt en een discussieruimte opent over het bestuur van de katholieke kerk. Daarvan wil ik met deze tekst gebruikmaken. Mijn vraag is de volgende: heeft de katholieke kerk echt nog een paus nodig? Ik ga daar punt voor punt op in.

1. Het pausdom

Het pausdom is niet verbonden met de oorsprong van het christendom, het komt in het Nieuwe Testament niet voor. In verband met het vers “En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen” (Matteüs 16,18), dat gewoonlijk aangehaald wordt om het pausschap te legitimeren, dient eraan herinnerd te worden dat de huidige exegese het unaniem eens is dat een tekst niet uit zijn literaire context mag gerukt worden om er zo een orakel van te maken.

Vandaag de dag fungeert dat vers van Matteüs, in de katholieke kerk tenminste, als een orakel. Voor wie de evangeliën in hun context leest, zal duidelijk worden dat het absurd is te denken dat Jezus een apostolische dynastie van corporatistische aard gepland had, gebaseerd op opvolging aan de macht. De woorden “jij bent Petrus” hebben niets te maken met de instelling van het pausdom.

Het is bisschop Eusebius van Caesarea, theoreticus van de universalistische politiek van keizer Constantijn (4de eeuw), die begonnen is opvolgingslijsten op te stellen van bisschoppen van de grote steden van het Romeinse imperium, vaak zonder de echtheid van de opgesomde namen na te gaan. Daarmee wilde Eusebius het christelijke systeem aanpassen aan het Romeinse model van machtsopvolging.

Deze bisschop-geschiedschrijver is de uitvinder van het Petrus-pausbeeld. Maar het historisch onderzoek gaat andere richtingen uit en toont aan dat ‘papa’ een woord is uit het volkse Grieks van de derde eeuw. Het is afgeleid van het Griekse woord ‘pater’ (vader) en drukt de affectie uit die de christenen voor sommige bisschoppen of priesters voelden. De term is dan tot de christelijke woordenschat gaan behoren, zowel in de orthodoxe als in de katholieke kerk.

In Rusland wordt de de pastor van de gemeente nog altijd ‘pope’ genoemd. De geschiedenis vertelt ons dat de eerste bisschop die ‘papa’ werd genoemd, Cyprianus was, bisschop van Carthago van 248 tot 258. De term is pas laat in Rome opgedoken: de eerste bisschop van die stad die (volgens de beschikbare documentatie) ‘papa’[1] werd genoemd was Johannes I in de zesde eeuw.

2. Het episcopaat

In tegenstelling tot het pausdom, is de bisschoppelijke instelling stevig geworteld in de origines van het christendom, want die functie bestond al in de joodse synagoge. Het woord ‘bisschop’[2] (dat ‘supervisor’ betekent) komt men in het Nieuwe Testament herhaaldelijk tegen (1 Timotheus 3,2; Titus 1,7, 1 Petrus 2,25 en Handelingen 20,29) evenals het woord ‘episcopaat’ (1 Timotheus 3,1). In de joodse synagogen was de ‘episcopos’ verantwoordelijk voor de goede orde tijdens de bijeenkomsten. De eerste christelijke gemeenten hebben die benaming alleen maar overgenomen en aangepast.

3. De strijd voor de macht

Vanaf de derde eeuw ontbrandde tussen de bisschoppen van de vier belangrijkste metropolen van het Romeinse rijk (Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Rome) een harde strijd om de macht. Deze strijd is vooral in het oostelijk deel van het Imperium, waar men Grieks sprak, dramatisch verlopen. De ruziënde bisschoppen werden ‘patriarchen’ genoemd, een term waarin zowel de Griekse woorden ‘pater’ als ‘archè’ (= macht) in herkent.

De patriarch is tegelijk vader en politiek leider. Aanvankelijk participeerde Rome niet veel in het dispuut, want het werd uitgevochten ver van de grote machtscentra van toen en gebruikte een minder universele taal (het Latijn dat enkel in het bestuur en het leger werd gebruikt). Van zijn kant speelde Jeruzalem, in wiens schoot de christen beweging geboren werd, in die wedstrijd niet mee, want politiek was die stad van weinig belang.

Maar zo deed Rome zich in het westelijk deel van het Imperium gelden. Bisschop Cyprianus van Carthago, voornoemd, reageerde energiek tegen de hegemonische pretenties van de bisschop van Rome. Hij stelt nadrukkelijk dat er onder de bisschoppen “volledige gelijkheid qua functies en macht” hoort.

Maar de loop van de geschiedenis was onverbiddelijk. De opeenvolgende patriarchen van Rome zijn erin geslaagd hun gezag uit te breiden en hebben hun stem steeds luider laten klinken, vooral na de geslaagde alliantie met de opkomende Germaanse macht in het Westen (Karel de Grote, 800[3]). De relaties met de Oosterse patriarchen werden steeds meer gespannen tot het in 1052 op een breuk uitliep. Op deze wijze begon de eigen geschiedenis van van de rooms-katholieke kerk.

4. De paus aan de kant van de sterkste

Nadat Rome in het Westen meester van het spel was geworden, begon het op steeds meer gesofistikeerde manier de “kunst van het hof” te ontwikkelen die het van Constantinopel geleerd had. En op hun beurt hebben vrijwel alle regeringen van West-Europa, van Rome de kunst van de diplomatie geleerd.

Dat is een weinig stichtende kunst, met als ingrediënten: hypocrisie, leugen, schone schijn, de vaardigheid om mensen met vrome (en bedrieglijke) woorden aan te pakken, wreedheid vermomd in caritas, geldgewin (aflaten, dreigen met de hel, pastoraat van de angst, enz..) De imposante tiendelige Kriminalgeschichte des Christentums, die historicus Karlheinz Deschner recentelijk voltooid heeft, beschrijft die eminent pauselijke kunst tot in de détails.

Het was vooral dankzij de kunst van de diplomatie dat het pausdom heel de middeleeuwen lang fenomenale successen boekte. Zonder wapens ging Rome de grote mogendheden van het Westen te lijf en kwam daar zegevierend uit (Canossa, 1077). Eén van de resultaten ervan was dat de kerk, naar de woorden van historicus Toynbee, zegedronken werd.

De paus begon het contact met de realiteit te verliezen en te leven in een irreële wereld vol bovennatuurlijke woorden (die niemand begreep). Theologe Ivone Gebara merkt terecht op dat er van dat soort uitspraken nog altijd een aantal in zwang zijn. Bijvoorbeeld als men zegt dat het de Heilige Geest zal zijn die de komende paus zal verkiezen.

Met de komst van de moderniteit verloor het pausdom geleidelijk aan publieke ruimte. In de 19de eeuw, vooral tijdens het lange pontificaat van Pius IX, was het duidelijk geworden dat de oude oppositiestrategie tegen de “machten van deze wereld”, niet meer functioneerde. Het was uit met de overwinningen, verliezen was schering en inslag. Dan besliste Leo XIII van strategie te veranderen en zette hij een politiek van steun aan de sterksten op de sporen.

Gedurende heel de 20ste eeuw bleef deze strategie aan de orde. Benedictus XV is de Eerste Wereldoorlog uitgekomen aan de kant van de overwinnaars; Pius XI heeft Mussolini, Hitler en Franco gesteund, terwijl Pius XII gedurende de Tweede Wereldoorlog een politiek van de stilte gevoerd heeft aangaande de misdaden tegen de mensheid die ontelbare mensenlevens gekost heeft. Na een korte onderbreking onder Johannes XXIII, gaat de politiek van stilzwijgende steun aan de sterksten (en van abstracte woorden van troost voor de verliezers) door tot op vandaag.

5. Heden ten dage is het pausdom een probleem

Omwille van dat alles, kan men vandaag stellen dat het pausdom geen oplossing is maar een probleem. Men kan niet hetzelfde zeggen over het episcopaat dat, de laatste tijden, glorierijke pagina’s heeft laten optekenen. Naast bisschoppen-martelaar (bv. Romero en Angelelli) hebben we, hier in Latijns-Amerika tussen 1960 en 1990, een generatie van uitzonderlijke bisschoppen gekend.

Bovendien heeft het Tweede Vaticaans Concilie het idee van de collegialiteit van de bisschoppen naar voor geschoven, teneinde van de macht van de bisschoppen te vergroten en die van de paus te beperken. Maar dat is op een onoverkomelijke muur gestoten opgetrokken door een mengsel van mentale luiheid (de wet van de minste weerstand), van fascinatie voor de macht, van ontzag van de zwakken voor de sterken (Machiavelli) en van beleefdheid (Norbert Elias). Het loont nochtans de moeite in herinnering te roepen dat het katholicisme groter is dan de paus en dat het belang van de waarden die het katholicisme uitdraagt groter is dan zijn huidig bestuurssysteem.

6. Kan de katholieke kerk zonder paus blijven bestaan?

Kan Frankrijk blijven bestaan zonder koning, Engeland zonder koningin, Rusland zonder tsaar en Iran zonder ayatollah? De geschiedenis geeft zelf het antwoord. Frankrijk overleefde de dood van koning Lodewijk XVI en Iran zal zeker niet verdwijnen wanneer de ayatollahs niet langer de plak zwaaien. Dat geldt ook voor het christendom, zoals de opkomst van het protestantisme in de 16de eeuw bewijst.

Voorzeker zal men met weerstanden en nostalgieën te kampen hebben, met pogingen naar het verleden terug te keren, maar instellingen gaan niet ten onder wanneer hun bestuursvorm verandert. In de regel lijkt de historische beweging naar meer democratie en volksparticipatie onomkeerbaar. Vroeg of laat zal de katholieke kerk de kwestie moeten opnemen van de vervanging van het pausdom door een centraal bestuurssysteem dat meer met onze tijd compatibel is.

Binnen deze logica kan men stellen dat de huidige gretigheid om op de volgende paus te pronostikeren een contraproductief effect kan hebben. Want het gaat niet om de paus, maar om het pausdom als bestuursvorm. Het is begrijpelijk dat de media zich deze dagen verlekkeren met de focus op de figuur van de paus. Want voor hen is de paus business. Het succes van de begrafenis van paus Johannes-Paulus II enkele jaren geleden heeft de plannenmakers van de media het financiële potentieel van de grote pauselijke evenementen aangetoond.

Met genoegen nemen de media de taak op zich de basispunten van de pauselijke catechismus te verkondigen: de paus is de opvolger van Petrus, de eerste paus; de verkiezing van een paus is in laatste instantie het werk van de Heilige Geest; je mag de volle aflaat niet missen die God uitzonderlijk toekent bij de eerste zegen van de nieuwe paus. Dat is het wat we de volgende weken te zien zullen krijgen. Misschien zou het beter zijn deze dagen niet te veel over de paus te praten, maar te werken op thema’s die de weg bereidt voor de kerk van morgen.

Ik besluit met twee recente voorbeelden van deze problematiek. Weinigen weten dat kardinaal Aloisio Lorscheider in de jaren ’80 met paus Johannes-Paulus II is gaan spreken over de decentralisatie van de macht in de kerk. Er zijn over deze ontmoeting geen notulen of foto’s nagelaten, maar het schijnt dat de paus open stond voor de suggesties van de Braziliaanse kardinaal, zoals dat te merken is in de encycliek Ut unum sint. In een van zijn laatste geschriften ‘Os problemas de governo da igreja[4](bestuursproblemen van de kerk) heeft José Comblin daar commentaar op geleverd. Ik denk dat de paus niet verder gegaan is omdat hij, in de kerk, geen echte politieke wil vond om stappen te zetten in de richting van een decentralisering van het bestuur. In dit geval is het duidelijk dat de paus niet het probleem was, maar het pausdom.

Helder Câmara, ook een Braziliaanse bisschop, levert een evenwel verschillend voorbeeld dat toch in dezelfde richting wijst. Wanneer hij in Rome toekwam voor het Tweede Vaticaans Concilie (hij was voorheen nooit in Europa geweest), stond hij verwonderd over de vreemde gedragingen aan het Romeinse hof. Tot op het punt te gaan hallucineren, zoals hij dat in een van zijn rondzendbrieven schrijft.

Op een dag, tijdens een sessie in de Sint-Pietersbasiliek, kreeg hij de indruk keizer Constantijn, in de kerk te zien opdagen, in volle galop gezeten op een zwierig paard. Een andere keer droomde hij dat de paus krankzinnig was geworden, zijn tiara in de Tiber gooide en het Vaticaan in de fik stak. Tijdens informele gesprekken zei hij: “de paus zou er goed aan doen het Vaticaan aan de Unesco te verkopen en in het centrum van Rome een appartement te huren”.

Persoonlijk heb ik meermaals kunnen vaststellen dat Dom Helder het ‘pauselijk geheim’ (één van de machtsinstrumenten van Rome) verfoeide. Maar tegelijkertijd onderhield deze Braziliaanse bisschop een oprechte vriendschap met paus Paulus VI. Hetgeen nogmaals aantoont dat niet de paus maar het pausdom als instituut het probleem is.

Eduardo Hoornaert
(Vertaald uit het Portugees)

1Volgens Wikipedia is het Nederlandse ‘paus’ afgeleid van het Oudgriekse ‘pappas’. (dmkc)

2afgeleid van het Griekse ‘episcopos’.

3 Na een mislukte aanslag op zijn leven vluchtte paus Leo III uit Rome weg. Karel de Grote bood hem bescherming en liet hem vergezeld van een legertje in 800 naar Rome terugkeren. Tijdens dat zelfde jaar kroonde Leo III Karel de Grote tot keizer. (Wikipedia) (dmkc)

4 www.ihu.unisonos.br/noticias/42374-os-problemas-de-governo-da-igreja-artigo-inedito-de-josé-comblin
Een Franse vertaling ‘Les problèmes de gouvernement de l’Eglise’ is te vinden op www.culture-et-foi.com/critique/jose_comblin_eglise_problemes_gouvernement.htm

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!