De gesel van de godsdienstvrijheid

De gesel van de godsdienstvrijheid

maandag 2 december 2013 18:11

Het kan raar klinken, maar enige verbazing is mij toch niet vreemd bij het feit dat, zoals in meerdere zogenaamd ‘ontwikkelde’ landen, wij in de 21e eeuw ook in België nog steeds aan iedereen de (onvoorwaardelijke) grondwettelijke vrijheid verlenen om naar eigen goeddunken één van de erkende godsdiensten te belijden. Godsdiensten die gestoeld zijn op ideeën, inzichten, gewoonten, noodwendigheden, mogelijkheden, en levensomstandigheden, van twee of meer eeuwen geleden, en waarbij de elite binnen elke volksgemeenschap dankbaar gebruikmaakte van de beperkte bevattingsmogelijkheden van de toenmalige bevolking. Sinds de oertijden hebben opportunistische leiderstypen zich steeds bediend van mystieke, voor de mens onverklaarbare natuurfenomeen, zoals zon, maan, sterren regen, onweer, nacht, e.d. om hun onderdanen te domineren en te manipuleren.

De daar uit ontstane verschillende religies zijn tot in de twintigste eeuw, zo niet de totale macht uitoefenend, dan toch steeds nauw verbonden met de machtstructuren. In de westerse landen, waar sinds het einde van de 19de-, en begin van de twintigste eeuw, de scheiding van kerk en staat is doorgevoerd, werd, in de ene wat sneller dan de andere, de godsdienstvrijheid grondwettelijk gewaarborgd. Omdat in die landen de overgrote meerderheid van de bevolking de christelijke godsdiensten aanhingen, en deze mede als gevolg van de ‘verlichting’ zich vanaf de 17de eeuw, weliswaar met vertraging, geleidelijk aanpasten aan de maatschappelijke evolutie, ontstonden er weinig of te verwaarlozen tegenstellingen tussen de wereldse en religieuze regelgevingen. Temeer omdat de burgerlijke regelgeving vaak in de religie haar oorsprong vond.

De ietwat ‘afwijkende’ godsdiensten, zoals o.a. de Joodse, zijn steeds kleine minderheden geweest, welke hun ‘beleving’ grotendeels binnenskamers hielden, en de door tegenstellingen gegenereerde discriminaties er deemoedig bij namen. Sinds de jaren zestig van vorige eeuw, noodzaakte de economische groei een immigratiestroom, vooral dan uit islamitische Noord-Afrikaanse, en Arabische landen. De daaruit voortspruitende gezinsherenigingen genereerde een naar West-Europese normen relatief grote nataliteit. Mede daardoor is de moslimbevolking in de Europese Unie vandaag explosief aangegroeid tot meer dan 16 miljoen. In tegenstelling tot de naoorlogse immigratiegolf van Italianen en Spanjaarden, welke wegens hun compatibele cultuur en dezelfde godsdienst geen opmerkelijke integratieproblemen veroorzaakte, is de culturele kloof tussen de autochtone West-Europese bevolking en de maghrebijnse en Arabische immigranten, relatief groot.

De Islamitische godsdienst is een grote hindernis voor een noodzakelijke integratie, omdat die religie (nog steeds) de Arabische en Noord-Afrikaanse cultuur domineert. Zelfs in het door het indertijd door Ataturk gesekuleerde Turkije is de invloed van de Islam terug van (nooit?) weggeweest, en zijn de Imams, via politieke partijen, aardig op weg om de scheiding tussen kerk en staat ongedaan te maken. Het reguliere idee dat immigranten zich moeten integreren in de maatschappij waar zij in terecht komen, en hun oorspronkelijke cultuur er hoogstens een ‘bevruchtende’ invloed op kan hebben, gaat enkel op voor zover beide culturen daar vatbaar voor zijn. Culturen, gebruiken, en gewoonten zijn in regel uiteindelijk ‘mengbaar’. Maar religies zijn dat per definitie niet. Daarom is een cultuur waarvan zowel de basis als de beleving ervan op religie is gestoeld, niet integreerbaar in een, in de praktijk min of meer atheïstische samenleving.

In onze westerse samenleving is bij de meerderheid van de bevolking de religie eerder gedegradeerd tot een voor iedereen interpreteerbaar en nostalgisch onderdeel van hun historische cultuur. Na de mislukking van het integratie-idee, focust men zich tot op de dag van vandaag op het ‘multicultureel samenleven’.

Een ‘multiculturele samenleving die, zoals het Van Dale-woordenboek omschrijft, ‘een samenleving is die bestaat uit elementen van de verschillende culturen’. Maar ook dat blijkt tot mislukken gedoemd. Omdat voor de islamieten ‘vermenging’ door hun dominerende godsdienst onmogelijk wordt gemaakt, ontstaat er een problematisch ‘apart samenleven’ van culturen. Het écht samenleven van verschillende culturen vereist een reeks eenduidige regels die voor iedereen gelden, en duldt weinig tegenstrijdige gewoonten, levenswijzen en tradities van de ene cultuur, welke voor de andere onaanvaardbaar zijn.

En laat nu juist de zo geprezen vrijheid van godsdienst, de gesel zijn waaronder de allochtone bevolking in West-Europa gebukt gaat. De gesel van de godsdienstvrijheid, waardoor men een godsdienst de vrijheid toebedeelt om zijn belijders te verhinderen zich te integreren in de maatschappij waar ze zijn ingeweken.

De godsdienstvrijheid die verbiedt om vrij te zijn…

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!