De belangrijkste drie win-win-win maatregelen

De belangrijkste drie win-win-win maatregelen

vrijdag 22 augustus 2014 15:52

Wat zijn de allerbelangrijkste
maatregelen die we kunnen nemen om de wereld te verbeteren? Zijn er
maatregelen die niet enkel een grote positieve impact hebben, maar
vooral veel winnaars hebben? Hieronder staan alvast drie maatregelen die
uniek zijn in de zin dat ze op vele vlakken erg goed scoren:
veganistisch eten, geld schenken voor reproductieve gezondheidszorg, en
een geoïstische belastinghervorming steunen. Ze vormen een winst met
betrekking tot drie verschillende ethische waarden: 1) het welzijn (een
rechtvaardige verhogen van ieders levenswelzijn, met een prioriteit voor
diegenen in de laagste posities, de armste personen), 2) het basisrecht
op lichamelijke zelfbeschikking (niet iemands lichaam tegen diens wil
in gebruiken als louter middel voor de doelen van anderen) en 3) de
biodiversiteit (het behoud van variatie van levensvormen). Deze drie
waarden komen overeen met respectievelijk de wijsvinger-,
middelvinger-en ringvingerprincipes van de morele hand.

Veganisme: consumptie van plantaardige in plaats van dierlijke producten

We hoeven geen dierlijke producten
(vlees, vis, zuivel en eieren) te eten om gezond te leven, want
veganistische (plantaardige) voedingspatronen bieden een voldoende
aanbod van waardevolle voedingsstoffen. Een veganistische voeding heeft
veel winnende partijen.

  1. Welzijn
    1. Welzijn van de dieren. Zowat alle veedieren en gevangen vissen
      ondergaan procedures die hun welzijn verlagen. Een vroegtijdige dood
      door slachting verlaagt het levenswelzijn.
    2. Gezondheid van de consumenten
      1. Lichamelijke gezondheid op langere termijn. De waardevolle
        voedingsstoffen in plantaardige producten zijn verpakt in gezonde
        stoffen zoals voedingsvezels. In dierlijke producten zijn ze daarentegen
        verpakt in ongezonde stoffen zoals verzadigde vetten en cholesterol.
        Met een plantaardige voeding kan men gemakkelijker gezonder eten dan met
        dierlijke voeding. Met veganisme loopt men minder risico op chronische
        ziekten: hart- en vaatziekten[i], hoge bloeddruk, tientallen kankers[ii], chronische obstructieve longziekten[iii], dementie, Alzheimer[iv], diabetes[v], zwaarlijvigheid[vi], beroertes[vii], nierziekten[viii], Creutzfeldt-Jakob, allergieën[ix] en giftige stoffen (zware metalen, dioxines, PCB’s, pesticiden, brandvertragers in vissen[x]). Veganisten hebben 15% minder risico op chronische ziekten[xi] en 15% minder risico op vroegtijdige sterfte[xii].
      2. Lichamelijke gezondheid op korte termijn. Dierlijke producten
        bevatten vaker ziektekiemen (bv. salmonella, E.Coli en
        antibioticaresistente bacteriën) dan plantaardige producten. Met
        veganisme loopt men minder risico op acute voedselvergiftigingen en
        bacteriële en darminfecties.[xiii]
      3. Geestelijke gezondheid. Plantaardige voeding bevat minder
        arachidonzuur en kan daardoor de gemoedstoestand verbeteren door minder
        stemmingswisselingen en depressies.[xiv]
        Veganisme kan het moreel welbevinden verbeteren, want veganisten hebben
        minder last van cognitieve dissonantie dat optreedt als het gedrag
        botst met de eigen waarden. Het voelt goed om moreel consistent te zijn
        en een positieve bijdrage te leveren aan jezelf, anderen en de wereld.
    3. Gezondheid van de producenten
      1. Lichamelijke gezondheid. Veeteelt en visserij zijn ongezonder en
        onveiliger dan een plantaardige voedselproductie, omwille van een hoger
        risico op (dodelijke) ongevallen[xv], besmettingen met ziektekiemen (bv. antibioticaresistente bacteriën)[xvi] en het inademen van fijnstof.
      2. Geestelijke gezondheid. Slachters ontwikkelen vaak een vorm van
        post-traumatisch stresssyndroom vergelijkbaar met dat van
        oorlogsoldaten.[xvii] Dit wordt vermeden bij een plantaardige voedingsproductie.
    4. Gezondheid en veiligheid van de bevolking
      1. De huidige bevolking. Veeteelt vormt een gevaar voor de
        volksgezondheid omwille van een hoger risico op pandemieën van
        zoönotische ziekten (griepvirussen, antibioticaresistente bacteriën,
        Q-koorts…)[xviii],
        meer luchtvervuiling (ammoniak, waterstofsulfide, fijnstof en smog),
        meer drinkwatervervuiling (nitraten) en meer toxische algen in
        kuststreken door overbemesting.
      2. De hongerige bevolking. De veeteelt zet veel eetbare voeding om in
        oneetbare mest. In vergelijking met plantaardige producten hebben
        dierlijke producten meer landbouwgrond nodig voor eenzelfde
        voedingswaarde. Door een plantaardige voedingsproductie zijn er minder
        voedselverliezen, hogere voedselopbrengsten per hectare en meer
        voedselzekerheid.
      3. De inheemse volkeren. Veeteelt veroorzaakt meer vergiftigingen door
        pesticidengebruik voor de productie van (vaak genetisch gemanipuleerde)
        veevoeders in bv. Zuid-Amerika.
      4. De toekomstige bevolking. Veeteelt vormt een risico voor toekomstige
        generaties omwille van de hoge bijdrage van de veeteelt aan de
        opwarming van het klimaat.[xix] Een veganistische voeding kan de uitstoot van broeikasgassen met meer dan 10% terugdringen.
      5. De overheid. Door een plantaardige voeding is er minder nood aan (en
        dus minder uitgaven voor) medicatie en chirurgische operaties ten
        gevolge van ziektes.[xx]
  2. Recht op lichamelijke zelfbeschikking
    1. De lichamen van dieren worden gebruikt voor dierlijke producten,
      waardoor die dieren gedwongen worden om tegen hun wil in iets te moeten
      doen of ondergaan. Hierbij worden de dieren dus gebruikt als louter
      middel voor de doelen van de consumenten. Dit is te vergelijken met
      (dodelijke vormen van) slavernij. Iemands lichaam behoort toe aan dat
      individu. Een dier is baas over eigen lichaam.
  3. Biodiversiteit
    1. De veeteelt en visserij hebben een hoge schadelijke impact op de
      biodiversiteit en vormen waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van het
      verlies van biodiversiteit. Ongeveer 1/3 van het mondiale
      biodiversiteitsverlies komt door de veeteelt.[xxi]
      Bij een veganistische voedselproductie is er minder verlies van planten
      en diersoorten en een veel lagere impact op het milieu door minder
      klimaatopwarming, ontbossing, pesticidenvervuiling, wateruitputting,
      bodemerosie, landgebruik, verzilting door irrigatie, overbemesting,
      verzuring door ammoniak, energieverbruik, risico’s van genetisch
      gemanipuleerde gewassen, overbevissing en versnippering van
      natuurgebieden.[xxii]

Reproductieve gezondheid: investering in gezinsplanning in plaats van luxeconsumptie

In plaats van geld uit te geven aan
overbodige luxeproducten die een hoge impact op het milieu hebben,
kunnen we beter geld geven aan goede doelen. Een goed doel dat vele wins
genereert, is reproductieve gezondheidszorg, in het bijzonder
organisaties zoals het UNFPA (het VN-bevolkingsfonds) en de International Planned Parenthood Federation die werk maken van gezinsplanning. Geld schenken aan deze organisaties is zowat de beste investering.

Elk jaar worden 80 miljoen vrouwen
onvoorzien of ongewenst zwanger. Iedereen heeft recht op toegang tot
goedkope en kwaliteitsvolle anticonceptiemiddelen, correcte informatie,
educatie en diensten voor reproductieve gezondheid, om zo ongewenste
zwangerschappen te voorkomen. Investeren in reproductieve
gezondheidszorg creëert rechtvaardige voorwaarden voor een vrijwillige
zwangerschapsbeperking.

  1. Welzijn
    1. Vrouwen
      1. Lichamelijke gezondheid van vrouwen. Een ongewenste zwangerschap of
        abortus is telkens een gezondheidsrisico voor vrouwen in arme landen.
        Door de snel op elkaar volgende zwangerschappen stijgt de moedersterfte:
        35% van de sterftegevallen van vrouwen op het kraambed kan vermeden
        worden door ongewenste zwangerschappen te voorkomen.[xxiii]
      2. Geestelijke gezondheid van vrouwen en familieleden. Een ongewenste
        zwangerschap en abortus eisen vaak een zware tol voor het emotionele
        welbevinden van vrouwen en hun familieleden.
    2. Kinderen
      1. Gezondheid van kinderen. De snel op elkaar volgende geboortes zijn
        niet goed voor de andere kinderen en baby’s in het gezin: ongeveer een
        miljoen baby’s zouden per jaar gered kunnen worden als de opeenvolgende
        zwangerschappen bij vrouwen met minstens twee jaar gespreid worden.
      2. Opvoeding van kinderen. Een te hoog kinderaantal legt een hoge druk op onderwijsvoorzieningen.
      3. Voeding van kinderen. Een te hoog kinderaantal legt een hoge druk op
        de voedselzekerheid. Er is dan meer concurrentie om voedsel.
    3. Partners
      1. Gezondheid van seksuele partners. Sommige vormen van anticonceptie,
        zoals condooms, verlagen het risico op seksueel overdraagbare
        aandoeningen.
    4. De arme bevolking
      1. Een hoog geboortecijfer kan ervoor zorgen dat de bevolkingsgroei
        hoger is dan de economische groei, waardoor het inkomen per persoon dus
        daalt. Dat kan een negatieve spiraal veroorzaken, omdat een armere
        bevolking minder goede toegang heeft tot reproductieve gezondheidszorg.
        Investeren in gezinsplanning kan deze spiraal doorbreken.
      2. Armoedebestrijding en noodhulp (bv. voedselhulp) zonder
        investeringen in gezinsplanning is vaak dweilen met de kraan open, omdat
        de bevolkingsgroei het hongerprobleem bemoeilijkt.
    5. Toekomstige generaties
      1. Een stijgende wereldbevolking legt een grotere druk op natuurlijke
        grondstoffen en verhoogt de vervuiling. Daardoor lopen toekomstige
        generaties een hoger risico op conflicten door grondstoffenschaarste en
        gezondheidsproblemen door vervuiling. Gezinsplanning is de enige ethisch
        verantwoorde manier om de huidige generaties arme mensen te helpen
        zonder toekomstige generaties op te zadelen met extra hongerproblemen.
  2. Recht op lichamelijke zelfbeschikking
    1. Vrouwen hebben zelfbeschikking over hun eigen lichaam en zijn baas
      in eigen buik. Een ongewenste zwangerschap wil zeggen dat het lichaam
      van een vrouw tegen haar wil in gebruikt wordt door een embryo. Dat is
      een vorm van een gebruik als louter middel.
  3. Biodiversiteit
    1. Door het hoge aantal ongewenste zwangerschappen ligt het
      geboortecijfer erg hoog en neemt de wereldbevolking toe. Het toenemende
      grondstoffengebruik en de toenemende vervuiling door de toenemende
      menselijke activiteiten bedreigt de biodiversiteit van talrijke
      ecosystemen. Door investeringen in gezinsplanning kan het
      wereldgemiddelde vruchtbaarheidscijfer dalen tot onder de 2,1 geboortes
      per vrouw, waardoor de wereldbevolking kan dalen en de druk op het
      milieu (de totale ecologische voetafdruk van de mensenbevolking) kan
      afnemen.

Geoïsme: belasting op natuurlijke voorzieningen in plaats van op arbeid

Geoïsme of earth sharing (of georgisme,
naar de econoom Henry George) is een economie die stelt dat natuurlijke
grondstoffen en voorzieningen aan iedereen toebehoren en dat
privé-eigendom enkel het gevolg is van arbeid. Centraal in het geoïsme
is een belastingverschuiving, waarbij grondwaarde belast wordt in plaats
van arbeid. Grondwaarde is de economische waarde van alle natuurlijke
grondstoffen, zoals landoppervlakte, mineralen, brandstoffen, lucht, het
elektromagnetisch spectrum, water, ecosysteemdiensten… Kenmerkend aan
deze natuurlijke grondstoffen is dat het aanbod constant is: de
grondstoffen zijn eindig en kunnen niet worden gecreëerd, waardoor het
aanbod perfect prijsinelastisch is.

Als iemand zich een hoeveelheid
natuurlijke grondstoffen toe-eigent om te gebruiken, verwerft die
persoon er een monopolie op, wat wil zeggen dat iemand anders die
grondstof dan niet meer kan gebruiken. Grondstoffen zijn in deze zin dus
uitsluitbaar: men kan anderen uitsluiten van het gebruik ervan.

De economische waarde van een grondstof
wordt bepaald door wat de hoogste bieder ervoor zou willen geven. Het
geoïsme heft een belasting op deze grondwaarde in plaats van op
menselijke activiteiten zoals arbeid. De belasting wordt dus geheven op
de waarde die de ongebruikte of onbewerkte grondstof heeft. Arbeid kan
de waarde van een grondstof doen toenemen (bv. de waarde van een grond
kan toenemen door de bouw van een huis), maar op deze toegevoegde waarde
wordt geen belasting geheven.

De economische waarde van een stuk grond
voor landbouw of bosbouw wordt ondermeer bepaald door de vruchtbaarheid
of potentiële productiviteit van die grond, en op deze waarde kan een
belasting geheven worden die wordt betaald door de grondbezitter. Ook
voor zeeoppervlakte is dit mogelijk. De uitstoot van broeikasgassen
zoals CO2 is eveneens geschikt voor een belasting. De uitgestoten CO2
kan opgenomen of opgeslagen worden in de lucht (atmosfeer), oceanen
(hydrosfeer) en bossen (biosfeer). Maar deze opnamecapaciteit van de
aarde is eindig: men kan niet oneindig veel CO2 uitstoten zonder daarbij
het klimaat op te warmen en anderen te schaden. Men kan de aardse
atmosfeer, biosfeer en hydrosfeer dus voorstellen als een eindig
reservoir voor CO2, en als men een hoeveelheid CO2 uitstoot, dan eigent
men zich dus een deel van dit reservoir toe. Iemand anders kan dat deel
van de aardse opnamecapaciteit dus niet meer gebruiken voor de eigen
CO2-uitstoot. Een CO2-belasting is dus een vorm van een
grondwaardebelasting: een vergoeding aan de gemeenschap voor het
toe-eigenen van een stukje opnamecapaciteit van de aarde.

De ecologische voetafdruk meet het
gebruik van land- en zeeoppervlakte voor landbouw, bosbouw,
energieproductie, infrastructuur en de opname van CO2 (door oceanen en
bossen). Op deze manier is de ecologische voetafdruk op een natuurlijke
wijze gekoppeld aan de grondwaardebelasting. De watervoetafdruk, die het
gebruik en de vervuiling van beschikbaar zoet water meet, kan gekoppeld
worden aan een belasting op het toe-eigenen van zoet water. Ook
bandbreedten in het elektromagnetisch spectrum kunnen beschouwd worden
als een eindige, natuurlijke grondstof, dus zelfs het gebruik van het
elektromagnetisch spectrum voor bv. radiotransmissie kan belast worden.
Wil je een radioboodschap versturen aan een bepaalde frequentie, dan is
dat een exclusieve toe-eigening van die frequentie en moet je daarvoor
een vergoeding betalen aan de gemeenschap. Zo kunnen alle vormen van
grondstoffengebruik en vervuiling rechtstreeks belast worden.

Die grondwaardebelasting is eigenlijk het
betalen van een vergunning om de grondstof te mogen gebruiken. Alle
natuurlijke grondstoffen behoren toe aan de gemeenschap, en als men een
hoeveelheid grondstoffen wil bezitten om te bewerken of gebruiken, moet
men dus een bedrag betalen aan de gemeenschap als vergoeding voor het
exclusieve eigendomsrecht dat men zo verwerft. Dat bedrag voor de
gemeenschap kan vervolgens door de overheid gedeeltelijk geïnvesteerd
worden in publieke goederen en diensten, en gedeeltelijk aan iedereen
uitgekeerd worden in de vorm van een basisinkomen. Dat basisinkomen
reflecteert de waarde die alle natuurlijke grondstoffen hebben voor
iedereen.

Het financieren van een basisinkomen met
een grondwaardebelasting is equivalent aan een systeem van cap and
share, waarbij iedere persoon een gelijk aandeel krijgt van de eindige
natuurlijke grondstoffen en men de bezitsrechten van die grondstoffen
kan verhandelen op een vrije markt. Zo kan men zo efficiënt mogelijk
welvaart creëren (door de vrije markt) op een sociaal rechtvaardige
manier (door iedereen een gelijk aandeel in de grondstoffen te geven)
zonder daarbij de grenzen van de planeet te overschrijden (door rekening
te houden met de eindigheid van de grondstoffen). De drie P’s van
duurzaamheid (planet, people en prosperity) worden zo verenigd.

  1. Welzijn
    1. Arbeiders en werklozen. In tegenstelling tot een belasting op arbeid
      heeft een grondwaardebelasting geen economische (allocatieve)
      efficiëntievermindering of ‘deadweight loss’, omdat het aanbod van
      grondstoffen perfect prijsinelastisch is. Het arbeidsaanbod is
      daarentegen niet perfect inelastisch (de prijs-aanbod curve is stijgend
      maar niet verticaal). Daardoor zal een arbeidsbelasting altijd gepaard
      gaan met een efficiëntieverlies en een lagere economische surplus en
      productiviteit. Een belasting op arbeid benadeelt arbeiders (die een
      deel van hun werk moeten afstaan aan belastingen) en genereert extra
      werkloosheid omdat brutolonen stijgen. Het afschaffen van belasting op
      arbeid komt dus ten goede aan arbeiders en de werkgelegenheid.
    2. Handelaars en consumenten. Door het verminderen van belastingen op
      handel en toegevoegde waarde, wordt de vrije markt minder verstoord en
      wordt de economische efficiëntie verhoogd. Vooral producten die veel
      arbeid vereisen maar weinig gebruik maken van waardevolle grondstoffen,
      worden goedkoper voor de consumenten. De andere producten die
      voornamelijk grondwaarde hebben en weinig toegevoegde waarde door
      arbeid, en waarvan de externe kosten reeds geïnternaliseerd zijn, zullen
      voor de consument dezelfde prijs behouden, want een
      grondwaardebelasting komt op rekening van de grondstofbezitter die de
      belasting niet kan doorschuiven naar de consument. De producten die te
      goedkoop zijn omdat externe kosten (bv. door vervuiling of CO2-uitstoot)
      niet geïnternaliseerd werden in de prijs, zullen door de
      grondwaardebelasting (in het bijzonder een belasting op het gebruik van
      verwerkingscapaciteit van de aarde) duurder worden, omdat een
      grondwaardebelasting in dit geval neerkomt op het internaliseren van
      kosten. Als een externe kost niet geïnternaliseerd is, komt dat op
      hetzelfde neer als het gratis uitdelen van grondstoffen zonder rekening
      te houden met de beschikbaarheid (het gratis en te veel uitdelen van
      rechten om verwerkingscapaciteit van de aarde te gebruiken, alsof die
      verwerkingscapaciteit oneindig groot zou zijn). Globaal genomen zullen
      er door efficiëntieverbetering in het gebruik van grondstoffen meer en
      goedkopere producten beschikbaar zijn voor eenzelfde hoeveelheid
      grondstoffen, indien alle externe milieukosten geïnternaliseerd zouden
      zijn.
    3. Stedelingen. Door een belasting op grond daalt de leegstand in
      steden omdat grondbezitters hun grond zo goed en efficiënt mogelijk
      willen benutten. Ook de stadsuitbreiding door stedelijke wildgroei zal
      dalen, want slecht benutte grond kost te veel geld aan belastingen.
    4. Daklozen, huurders en woningzoekenden. Door een grondwaardebelasting
      zullen financiële instellingen en makelaarskantoren veel minder geneigd
      zijn om te speculeren op grond, waardoor prijzen op de woningmarkt
      stabieler blijven.
    5. Overheid
      1. Stabielere economie. Door minder grondspeculatie zullen er minder
        financiële zeepbellen en dus minder economische crisissen ontstaan.
      2. Naleving belastingwet. Vele natuurlijke grondstoffen, zoals
        landoppervlakte, zijn immobiel en erg zichtbaar, waardoor
        belastingvlucht, -ontduiking en –fraude veel moeilijker worden. Ook de
        kosten voor wetshandhaving (opsporen van fraudeurs en zwartwerkers)
        zullen dus dalen.
      3. Begroting. Door een daling van de werkloosheid bij het afschaffen
        van belasting op arbeid kunnen ook werkloosheidsuitkeringen dalen. De
        overheid raakt minder snel in schulden als de economie stagneert of
        krimpt. Bij een negatieve economische groei stijgt de werkloosheid en
        stijgen dus de werkloosheidsuitkeringen. Indien de overheid sterk
        afhankelijk is van belasting op arbeid en de hoeveelheid arbeid krimpt,
        zullen de belastinginkomsten dalen. Dalende inkomsten en stijgende
        uitgaven leiden tot een hogere overheidsschuld. Indien de overheid
        daarentegen afhankelijk is van een grondwaardebelasting, zal de overheid
        minder snel schulden maken bij een periode van negatieve groei.
      4. Arbeidsherverdeling. Om de aarde niet te overbelasten, zal er op een
        gegeven moment een nulgroei moeten zijn in het gebruik van natuurlijke
        voorzieningen. Daardoor wordt de economische groei beperkt: de
        economische productie kan niet veel verder stijgen. Die productie is
        gelijk aan de arbeidsproductiviteit (gemiddelde economische waarde per
        uur werk) maal de arbeidshoeveelheid (aantal uren werk). Als de
        arbeidsproductiviteit stijgt ten gevolge van technologische
        verbeteringen terwijl de productie constant moet blijven omwille van
        ecologische redenen, dan daalt de hoeveelheid werk. Bij een systeem van
        werkloosheidsuitkeringen zal een daling van de werkuren leiden tot meer
        werkloosheid: sommige mensen hebben (en vinden) geen werk, anderen
        hebben nog wel veel werk. Een basisinkomen (gefinancierd door een
        grondwaardebelasting in plaats van door arbeid) maakt het daarentegen
        wel gemakkelijker om de werkuren beter te verdelen door een verkorting
        van de werkweek, waardoor meer mensen kunnen werken en tevens meer vrije
        tijd krijgen.
      5. Vergoeding voor publieke investeringen. Door overheidsinvesteringen
        in publieke goederen (aanleg van toegangswegen, riolering en
        elektriciteitsnet, bouw van nabijgelegen hospitalen en scholen,
        beveiliging, hulpdiensten,…) stijgt de waarde van een stuk grond in de
        stad. Grondbezitters die geen grondwaardebelasting betalen, zien hun
        stuk grond in waarde stijgen zonder dat ze daar zelf voor moeten betalen
        en zonder ervoor te moeten werken. Huurders in plaats van
        grondbezitters draaien dan op voor de kosten van de publieke
        investeringen. Door een grondwaardebelasting is er geen oneerlijke winst
        meer voor grondbezitters die profiteren van grondopwaardering door
        investeringen van de gemeenschap/overheid. Volgens het Henry George
        theorema zou men zelfs overheidsinvesteringen in publieke goederen bijna
        volledig kunnen financieren door de extra belastinginkomsten door de
        stijgende grondwaarde.
    6. Iedereen
      1. Basisinkomen. De grondwaardebelasting kan een universeel
        basisinkomen garanderen dat niet op kap van de werkenden gefinancierd
        wordt.
      2. Efficiëntie. Een geoïstische belastingverschuiving leidt tot een
        efficiënter grondstoffengebruik en gebruik van gemeenschapsgoederen.
      3. Eigendomsrechten. Een grondwaardebelasting biedt een antwoord op de
        vraag welke dingen privébezit mogen zijn en welke collectief bezit. De
        meerwaarde gecreëerd door iemands arbeid is privébezit. Natuurlijke
        voorzieningen zijn collectief bezit, maar ze mogen wel door iemand
        exclusief gebruikt worden zolang die persoon de gemeenschap daarvoor
        vergoedt via een grondwaardebelasting. Door een grondwaardebelasting
        kunnen we spreken van het lenen in plaats van het bezitten van
        grondstoffen: door het betalen van de belasting verwerft men geen
        eigendom maar wel een vergunning om een grondstof te gebruiken, en
        indien men de grondstof in slechtere staat wil teruggeven aan de
        gemeenschap (bv. het afstaan van een door overexploitatie geërodeerd
        stuk landbouwgrond), dan moet men daarvoor een extra schadevergoeding
        betalen.
      4. Gezondheid. Doordat men betaalt voor het toe-eigenen van de eindige
        verwerkingscapaciteit van de natuur voor afvalproducten, zullen
        processen efficiënter (minder vervuilend) worden.
      5. Rechtvaardigheid. Een geoïstische belastingverschuiving bevoordeelt
        de armste personen (werklozen,…) het meeste en de rijkste personen
        (grootgrondbezitters,…) minder. De economische inkomensongelijkheid zal
        afnemen.
  2. Recht op lichamelijke zelfbeschikking
    1. Belasting op arbeid is een subtiele vorm van diefstal of slavernij.
      Arbeiders zijn baas over hun eigen arbeid. Het lichaam van de arbeider
      creëert een toegevoegde waarde door het bewerken van grondstoffen. Als
      de arbeider er niet was geweest, was er geen toegevoegde waarde. Maar
      die toegevoegde waarde behoort toe aan de arbeider zelf. Iedereen heeft
      volledige beschikking over het eigen lichaam en de toegevoegde waarde
      die gecreëerd wordt door de eigen lichamelijke activiteit. Belasting op
      arbeid is een gebruik als louter middel, omdat het lichaam van de
      arbeider tegen diens wil in gebruikt wordt: de arbeider wordt gedwongen
      een deel van de toegevoegde waarde van de lichamelijke arbeid af te
      staan. Een grondwaarde heeft daarentegen een economische waarde, zelfs
      al was de arbeider er niet, en daarom is een grondwaardebelasting geen
      vorm van diefstal of slavernij.
  3. Biodiversiteit
    1. Minder gebruik van grondstoffen. Een hoge belasting op arbeid en een
      lage op natuurlijke voorzieningen zorgt ervoor dat bedrijven investeren
      in een grondstoffenintensieve industrie en weinig in arbeid. Bedrijven
      zullen dan eerder machines gebruiken die bijvoorbeeld veel fossiele
      brandstoffen verbruiken, omdat energie goedkoop is, in plaats van
      arbeiders aan te werven die duur zijn door de belasting op arbeid. Door
      een verschuiving van belastingen van arbeid naar natuurlijke
      voorzieningen zal de productie arbeidsintensiever en
      grondstofextensiever gebeuren, waardoor de impact op het milieu zal
      dalen. Men zal minder investeren in milieuonvriendelijke
      grondstofintensieve technologie en meer investeren in zuinigere
      alternatieve technologieën.
    2. Efficiënter gebruik van grondstoffen. Door een grondwaardebelasting
      worden grondstoffen efficiënter gebruikt en kan men economisch beter
      rekening houden met de eindigheid van grondstoffen en de
      verwerkingscapaciteit van ecosystemen voor vervuiling. Daardoor kan men
      de milieuvoetafdrukken (ecologische voetafdruk, watervoetafdruk,…) doen
      dalen. Een daling van de milieu-impact komt de biodiversiteit ten goede.
      Zo zorgt een belasting op gronden voor minder leegstand en
      braakliggende terreinen in en rond steden. Het efficiënter (compacter)
      benutten van bouwgrond maakt ruimte vrij voor natuurgebieden.

De drie maatregelen verwijzen naar drie
groepen die vaak uitgebuit worden: dieren, vrouwen en arbeiders. Maar
deze groepen zijn dus niet de enige winnaars. De consumptie van
dierlijke producten, ongewenste zwangerschappen en inefficiënte
belastingen op arbeid zijn ook schadelijk voor derden en voor de
biodiversiteit. De drie maatregelen geven aan wat men het beste kan doen
in het persoonlijke dagelijks leven (veganistisch eten), aan welke
organisaties men best wat meer geld doneert (bv. UNFPA en IPPF) en welke
politiek-economische maatregel men het best kan steunen (een
geoïstische belastingverschuiving). Natuurlijk zijn er nog vele andere
belangrijke maatregelen, maar ik ken voorlopig geen enkele andere
maatregel die zo’n grote positieve impact heeft voor zoveel
verschillende partijen.

Referenties

[i] Crowe F.L., Appleby P.N., Travis R.C., & Key T.J. (2013). Risk
of hospitalization or death from ischemic heart disease among British
vegetarians and nonvegetarians: results from the EPIC-Oxford cohort
study
. American Journal of Clinical Nutrition January 30, 2013.

Baer HJ, Glynn RJ, Hu FB, Hankinson SE, Willett WC, Colditz GA, Stampfer M, Rosner B. (2011). Risk factors for mortality in the nurses’ health study: a competing risks analysis. Am J Epidemiol.173(3):319-329.

Lloyd-Williams, F. e.a., (2008). Estimating the cardiovascular mortality burden attributable to the European Common Agriculture Policy on dietary saturated fats. Bulletin of the World Health Organisation, 86 (7).

[ii] Allen NE e.a. (2013). Macronutrient intake and risk of urothelial cell carcinoma in the European prospective investigation into cancer and nutrition. Int J Cancer. 1;132(3):635-44.

Barnard RJ, Gonzalez JH, Liva ME, Ngo TH. (2006) Effects
of a low-fat, high-fiber diet and exercise program on breast cancer
risk factors in vivo and tumor cell growth and apoptosis in vitro.
Nutr Cancer.55(1):28-34.

Bastide, N.M., e.a. (2011), Heme iron from meat and risk of colorectal cancer: a meta-analysis and a review of the mechanisms involved. Cancer Prev Res (Phila), 4, 177-84

Breslow, R.A.; Graubard, B.I.; Sinha, R.;
Subar, A.F. (2000). Diet and lung cancer mortality: a 1987 National
Health Interview Survey cohort study. Cancer Causes & Control 11 (5) : 419-431.

Corpet DE (2011) Red meat and colon cancer: should we become vegetarians, or can we make meat safer? Meat Sci. 89(3):310-6.

Cross et al. (2005). A prospective study of meat and meat mutagens and prostate cancer risk. Cancer Res, 65: 11779-11784.

Cross AJ e.a. (2007) A Prospective Study of Red and Processed Meat Intake in Relation to Cancer Risk PLOS Medicine.

Key TJ, Appleby PN, Spencer EA, Travis RC, Allen NE, Thorogood M, Mann JI. (2009). Cancer incidence in British vegetarians. Br J Cancer.;101(1):192-7.

Key TJ, Appleby PN, Spencer EA, Travis RC, Roddam AW, Allen NE. (2009). Cancer incidence in vegetarians: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC-Oxford). Am J Clin Nutr. 89(5):1620S-1626S.

Larsson et al. (2005). Meat consumption and risk of cancers of the proximal colon, distal colon and rectum: the Swedish Mammography Cohort, Red. Int J Cancer, 113: 829–34.

Larsson et al., (2012) Red and processed meat consumption and risk of pancreatic cancer: meta-analysis of prospective studies; British Journal of Cancer.

Nöthlings U. e.a. (2005). Meat and Fat Intake as Risk Factors for Pancreatic Cancer: The Multiethnic Cohort Study Journal of the National Cancer Institute 97 (19): 1458-1465.

Ornish D. e.a. (2005). Intensive lifestyle changes may affect the progression of prostate cancer. J Urol. 174(3):1065-9

Tantamango-Bartley Y, Jaceldo-Siegl K, Fan J, Fraser G. (2013). Vegetarian diets and the incidence of cancer in a low-risk population. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 22(2):286-94.

Taylor EF, e.a. (2007) Meat consumption and risk of breast cancer in the UK Women’s Cohort Study British Journal of Cancer 96, 1139–1146

Wakabayashia K. and Sugimura T. (1998). Heterocyclic amines formed in the diet: carcinogenicity and its modulation by dietary factors. The Journal of Nutritional Biochemistry, 9(11): 604-612.

World Cancer Research Centre (2012) Red and processed meat: finding the balance for cancer prevention.

[iii] Jiang R., Paik D.C., Hankinson J.L, & Barr, R.G. (2007). Cured Meat Consumption, Lung Function, and Chronic Obstructive Pulmonary Disease among United States Adults. American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine, Vol. 175(8) pp. 798-804.

Keranis E. e.a. (2010). Impact of dietary shift to higher-antioxidant foods in COPD: a randomised trial. Eur Respir J.36(4):774-80.

Rosenkranz SK, Townsend DK, Steffens SE, Harms CA. (2010) Effects of a high-fat meal on pulmonary function in healthy subjects. Eur J Appl Physiol. 109(3):499-506.

Tabak, C. e.a. (1999). Dietary factors and pulmonary function: a cross sectional study in middle aged men from three European countries.Thorax;54:1021-1026

Varraso R, Willett WC, Camargo CA Jr. (2010). Prospective study of dietary fiber and risk of chronic obstructive pulmonary disease among US women and men. Am J Epidemiol.171(7):776-84.

Walda IC, Tabak C, Smit HA, Räsänen L, Fidanza F, Menotti A, Nissinen A, Feskens EJ, Kromhout D. (2002). Diet and 20-year chronic obstructive pulmonary disease mortality in middle-aged men from three European countries. Eur J Clin Nutr.56(7):638-43.

[iv] Broxmeyer L. (2005). Thinking
the unthinkable: Alzheimer’s, Creutzfeldt-Jakob and Mad Cow disease:
the age-related reemergence of virulent, foodborne, bovine tuberculosis
or losing your mind for the sake of a shake or burger.
Med Hypotheses 64(4):699-705.

Giem P, Beeson WL, Fraser GE. (1993). The incidence of dementia and intake of animal products: preliminary findings from the Adventist Health Study. Neuroepidemiology 12(1):28-36.

Mattson, M. (2002). Diet-Brain Connection: Impact on Memory, Mood, Aging and Disease, Kluwer Academic Publishers.

[v] Barnard ND, Katcher HI, Jenkins DJ, Cohen J, Turner-McGrievy G. (2009). Vegetarian and vegan diets in type 2 diabetes management. Nutr Rev. 67(5):255-63.

Barnard ND, Cohen J, Jenkins DJ, Turner-McGrievy G, Gloede L, Green A, Ferdowsian H. (2009). A
low-fat vegan diet and a conventional diabetes diet in the treatment of
type 2 diabetes: a randomized, controlled, 74-wk clinical trial.
Am J Clin Nutr. 2009 May;89(5):1588S-1596S.

Tonstad, S., Butler T., Yan R. & Fraser G.E. (2009). Type of Vegetarian Diet, Body Weight, and Prevalence of Type 2 Diabetes. Diabetes Care vol. 32(5):791-796.

[vi] Vergnaud AC e.a. (2010). Meat consumption and prospective weight change in participants of the EPIC-PANACEA study. Am J Clin Nutr. 92(2):398-407.

[vii] D’Elia L., Barba G, Cappuccio FP, Strazzullo P. (2011). Potassium intake, stroke, and cardiovascular disease a meta-analysis of prospective studies. J Am Coll Cardiol. 57(10):1210-9.

[viii] Lin J, Hu FB, Curhan GC (2010). Associations of diet with albuminuria and kidney function decline. Clin J Am Soc Nephrol. 5(5):836-43.

Marangella, M.; Bianco, O.; Martini, C.;
Petrarulo, M.; Vitale, C.; Linari, F. (1989). Effect of animal and
vegetable protein intake on oxalate excretion in idiopathic calcium
stone disease. British Journal of Urology 63 (4) : 348-351.

Moe S.M. e.a. (2011). Vegetarian compared with meat dietary protein source and phosphorus homeostasis in chronic kidney disease. Clin J Am Soc Nephrol. 6(2):257-64.

Wiwanitkit V. (2007). Renal function parameters of Thai vegans compared with non-vegans. Ren Fail. 29(2):219-20.

[ix] Knutsen SF. (1994). Lifestyle and the use of health services. Am J Clin Nutr. 59(5 Suppl):1171S-1175S.

[x] Zeilmaker MJ, Hoekstra J, van Eijkeren JC, de Jong N, Hart A, Kennedy M, Owen H, Gunnlaugsdottir H. (2013) Fish consumption during child bearing age: a quantitative risk-benefit analysis on neurodevelopment. Food Chem Toxicol.54:30-4.

[xi] Knutsen SF. (1994). Lifestyle and the use of health services. Am J Clin Nutr. 59(5 Suppl):1171S-1175S.

[xii] Orlich, M.J. et al. (2013). Vegetarian Dietary Patterns and Mortality in Adventist Health Study 2. JAMA Intern Med.173(13):1230-1238.

Singh et al., (2003). Does low meat consumption increase life expectancy in humans? American Journal of Clinical Nutrition, 78 (3).

Sinha, R. e.a. (2009). Meat Intake and Mortality. A Prospective Study of Over Half a Million People. Arch Intern Med. 169(6):562-571

[xiii] Adak G. K., Meakins S. M., Yip H., Lopman B. A. & O’Brien S. J., 2005. Disease Risks from Foods, England and Wales, 1996–2000. Emerging Infectious Diseases, 11.

[xiv] Beezhold B.L. & Johnston C.S. (2012). Restriction of meat, fish, and poultry in omnivores improves mood: A pilot randomized controlled trial. Nutr J. 11: 9.

Nanri A. e.a. (2010). Dietary patterns and depressive symptoms among Japanese men and women. Eur J Clin Nutr. 64(8):832-9.

Oddy W. e.a. (2009) The association between dietary patterns and mental health in early adolescence. Prev Med. 49(1):39-44.

[xv] Woral M. (2004). Meatpacking Safety: Is OSHA Enforcement Adequate? Drake Journal Agric. L. 299.

[xvi] Smith TC, Male MJ, Harper AL, Kroeger JS, Tinkler GP, et al. (2009) Methicillin-Resistant Staphylococcus aureus (MRSA) Strain ST398 Is Present in Midwestern U.S. Swine and Swine Workers. PLoS ONE 4(1)..

Felini M, Johnson E, Preacely N, Sarda V, Ndetan H, Bangara S. (2011). A pilot case-cohort study of liver and pancreatic cancers in poultry workers. Ann Epidemiol. 2011 Oct;21(10):755-66.

[xvii] Dillard, J. (2008) A
Slaughterhouse Nightmare: Psychological Harm Suffered by Slaughterhouse
Employees and the Possibility of Redress through Legal Reform
, Georgetown Journal on Poverty Law & Policy 15.

[xviii] World Watch Institute (2005) Happier Meals. Rethinking the Global Meat Industry, Worldwatch paper 171.

FAO (2010) The State of Food and Agriculture. Livestock in the balance, Rome.

FAO (2013) World Livestock 2013 – Changing disease landscapes. Rome.

Greger, M. (2006) Bird Flu: A Virus of Our Own Hatching, New York, Lantern Books.

Trifonov V, et al. (2009). The origin of the recent swine influenza A(H1N1) virus infecting humans. Eurosurveillance 14(17).

[xix] FAO (2013) World Livestock 2013 – Changing disease landscapes. Rome.

[xx] Knutsen SF. (1994). Lifestyle and the use of health services. Am J Clin Nutr. 59(5 Suppl):1171S-1175S.

[xxi] Stehfest, E. e.a. (2008), Vleesconsumptie en klimaatbeleid, Planbureau voor de Leefomgeving.

[xxii]
Aiking H., de Boer J. & Vereijken J. (reds.) (2006), Sustainable
Protein Production and Consumption: Pigs or Peas?, Springer, Dordrecht.

Blonk H., Kool A., Luske B. (2008),
Milieueffecten van Nederlandse consumptie van eiwitrijke producten.
Gevolgen van vervanging van dierlijke eiwitten anno 2008, Blonk Milieu
Advies BV, Gouda.

FAO (2006), Livestock’s long shadow.
Environmental issues and options, Steinfeld H., Gerber P., Wassenaar T.,
Castel V., Rosales M., de Haan C., Food and Agricultural Organisation
of the United Nations, Rome.

Lake, I., Abdelhamid, A. & Hooper, L.
(2010), Food and Climate change: A review of the effects of climate
change on food within the remit of the Food Standards Agency, Food and
climate change report.

Reijnders, L. & Soret, S. (2003).
Quantification of the environmental impact of different dietary protien
choices. American journal for clinical nutrition.

UNEP (2010), Assessing the Environmental
Impacts of Consumption and Production: Priority Products and Materials, A
Report of the Working Group on the Environmental Impacts of Products
and Materials to the International Panel for Sustainable Resource
Management.

Worm, e.a. (2006), Impacts of Biodiversity Loss on Ocean Ecosystem Services. Science, 314 (5800): 787-790.

[xxiii] All Party Parliamentary Group on Population Development and Reproductive Health. Return of the Population Growth Factor: Its Impacts on the Millenium Development Goals. HMSO, London, 2007.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!