Een MQ-9 Reaper drone. Bron: Department of Defense, US.
Opinie, Wereld, Politiek -

Trump hult drone-operaties in geheimhouding

Tijdens de eerste 3 maanden van Trumps presidentschap werden er alleen al in Jemen ongeveer 70 mensen vermoord door gevechtsdrones, waaronder een dozijn kinderen en een 3 maanden oude baby.

maandag 8 april 2019 16:33

De cijfers blijven suggereren dat het gebruik van gewapende onbemande vliegtuigen systematisch een zware tol aan burgerslachtoffers eist, hoewel ze al jarenlang aan de man gebracht worden als precisie-instrumenten.

Het leger en het Witte Huis geven zelden toe dat er burgers geraakt worden door drones en hebben het systematisch over “militanten” of “vijandelijke strijders”. In juli 2016 rapporteerde de Obama-regering dat Amerikaanse drone-aanvallen en gerelateerde anti-terrorismeoperaties in Jemen, Somalië, Pakistan en Libië, tussen januari 2009 en december 2015, 2581 individuen doodden. Het Witte Huis schatte zelf dat tussen de 64 en 116 van deze personen onschuldige burgers waren.

De afgelopen jaren hebben mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch en Amnesty International op het terrein echter tientallen aanvallen gedocumenteerd waarvan de burgerslachtoffers niet opgenomen werden in deze officiële Amerikaanse cijfers. Volgens de Britse ngo ‘Bureau of Investigative Journalism’ vielen er tijdens de periode van 2009 tot 2015, alleen al in Pakistan, tussen de 256 en 633 burgerdoden. Minstens 1 op 5 fatale drone-slachtoffers zou een onschuldige burger zijn. Maar zelfs deze cijfers zijn, volgens de ngo, waarschijnlijk een onderschatting, omdat het extreem moeilijk is om aan informatie te geraken uit bijvoorbeeld afgelegen gebieden in Jemen en Somalië.

Een intern Pentagon-onderzoek naar 21 luchtaanvallen in Afghanistan toonde aan dat in al deze aanvallen burgers vermoord of verwond werden, ondanks het feit dat de voorafgaande evaluatie via drone-camera’s in 19 van de 21 gevallen geen enkel potentieel burgerslachtoffer identificeerde. Het onderzoek concentreerde zich op de periode van een jaar (van midden 2010 tot midden 2011).

Drone-aanvallen veroorzaakten in diezelfde periode 10 maal meer burgerslachtoffers dan aanvallen door bemande gevechtsvliegtuigen. De resultaten van het interne onderzoek geraakten bekend in 2013 en spraken president Obama tegen die eerder dat jaar een toespraak hield aan de Nationale Defensie Universiteit waarin hij beweerde dat “conventionele luchtkracht of raketten veel minder precies zijn dan drones en stellig meer burgerslachtoffers en plaatselijke verontwaardiging veroorzaken.”

Technologie

De planning voor een Amerikaanse drone-aanval wordt gebaseerd op een analyse van data en inlichtingen. Deze informatie is afkomstig van meerdere bronnen en wordt verzameld voor, tijdens en na een aanval. Het gaat om videobeelden, interviews, technische data, georuimtelijke gegevens, enz. Het uitgebreide rapport uit 2017 ‘Drone Inc.’ (van de ngo Corpwatch) toont echter aan dat de planning voor drone-operaties belemmerd wordt door een rookgordijn van cijfers en onbewerkte data o.a. afkomstig van gebrekkige technologie die op de markt gebracht wordt door militaire contractanten.

Zowel de hardware als de software is veel minder performant dan de autoriteiten het publiek wil doen geloven. Thermale en andere sensoren werken vaak niet naar behoren. Zo is de beeldkwaliteit van camera’s doorgaans niet goed genoeg om de identiteit van doelwitten met zekerheid vast te stellen en zelfs onder de beste omstandigheden zit de geolocatie-data er soms meters naast. Telefoonnummers van doelwitten zijn vaak niet correct en het opsporen van de precieze locatie van een mobiele telefoon blijft een uitdaging.

De drone-oorlogen zijn enorm afhankelijk van computerdatabanken die honderdduizenden gegevens bevatten, verzameld via arrestaties, informantentips en op allerlei andere manieren. De foutenmarge van dergelijke databanken is groot. In maart 2017 onthulde een rapport van de Government Accountability Office (een overheidsinstantie die audits uitvoert voor het Congres) dat ongeveer 15 procent van de Amerikaanse burgers wiens identiteit opgeslagen is in de gezichtsherkenningsdatabank van de FBI gewoonweg verkeerd geïdentificeerd was.

Het is hoogst onwaarschijnlijk dat een databank van Afghaanse of Jemenitische burgers – grotendeels op afstand samengesteld – accurater zal zijn. Het valt dus niet te verwonderen dat de dood van ‘doelwitten’ meerdere malen wordt verkondigd omdat ze bij eerdere aanvallen helemaal niet op de verwachte locatie bleken te zijn, of dat er na een drone-aanval kinderlijken gevonden worden onder het puin, ondanks het feit dat er vooraf geen burgers werden gesitueerd.

Een ander probleem is de massale hoeveelheid data die de drones zelf produceren en het gebrek aan expertise om al dat rauw materiaal accuraat te analyseren en te beoordelen. Het personeel dat zich van deze taak moet kwijten, wordt overstelpt door informatie met als gevolg een enorme achterstand, veel data die nooit bekeken wordt en ronduit foute conclusies.

Door een overschatting van de nieuwe technologieën en het verzuim om beëindigde en aan de gang zijnde operaties ernstig te evalueren, voert de Verenigde Staten al jarenlang een enorm onnauwkeurige, op afstand gecontroleerde oorlog. Deze oorlog gaat onder Trump onverminderd verder.

Privébedrijven

Vandaag is vooral de Amerikaanse luchtmacht betrokken bij het vliegen en beheren van drones. Ze krijgt daarbij de steun van andere militaire divisies en inlichtingendiensten, maar ook van tal van privébedrijven. Zo werken er duizenden contractanten naast de overheidsfunctionarissen om het hoogtechnologische materieel te beheren.

Wettelijk kunnen werknemers van private bedrijven geen beslissingen nemen die iets te maken hebben met het bepalen van doelwitten en het afvuren van wapens, maar ze spelen wel een cruciale rol bij de ontwikkeling, het testen, het beheren en het onderhouden van de drone-technologieën, alsook bij het analyseren van de onbewerkte data die gebruikt wordt om doelwitten te bepalen – iets waarover ze overigens zelden rekenschap moeten afleggen.

Er zijn tientallen private ondernemingen met winstoogmerk betrokken bij de drone-branche, van kleine bedrijfjes met minder dan 10 werknemers tot grote kanonnen in de wapenindustrie zoals Lockheed Martin, Raytheon en Northrop Grumman. Het allerbelangrijkste bedrijf in de drone-sector is General Atomics dat de Predator en de Reaper-drones produceert, alsook de Hellfire-raketten waarmee deze toestellen bewapend worden.

Er is geen officieel systeem dat de precieze rol en reikwijdte van de betrokken private bedrijven vastlegt of controleert. De wapenbedrijven in kwestie gebruiken vaak ook onderaannemers, wat het nog ingewikkelder maakt. Sommige van de kleinere bedrijven doen dienst als veredelde tewerkstellingsbureaus om soldaten te kunnen behouden nadat hun dienstcontract afgelopen is. En dan zijn er ook nog de nepbedrijven, bestaande uit niets meer dan een postbus, die de CIA opzet om drone-operaties te kunnen verstoppen van journalisten en zelfs wetgevers.

Veel private contractanten in het kader van het drone-programma zijn hardware- of softwarefabrikanten, of leveranciers van personeel. Andere bedrijven zijn nauw betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Deze bedrijven worden vaak geleid door voormalige hooggeplaatste Pentagon-functionarissen, dankzij het beruchte draaideur-effect tussen overheid en industrie.

Praktijk

Op ieder willekeurig moment zijn er zo’n 60 Amerikaanse drone-patrouilles operatief, elk bestaande uit 3 tot 4 toestellen. Elk individueel toestel vereist twee teams van toegewezen piloten. De operatoren die de sensoren van het toestel beheren (de video-camera’s, thermische beeldvorming en radarsystemen) zijn doorgaans tussen de 19 en 25 jaar oud met slechts middelbare schooldiploma’s.

Het eerste team van piloten is normaal gezien op een paar honderd kilometer van de doelwit-locatie gestationeerd. Zij houden zich vooral bezig met de lancering en de recuperatie (‘Launch and Recovery Element’ – LRE).

Voor operaties in Pakistan bevinden ze zich bijvoorbeeld op de luchtmachtbasissen van Kandahar of Jalalabad (Afghanistan). Voor missies in Jemen, op basissen in Djibouti of Saoedi-Arabië.

LRE-piloten zijn vaak civiele werknemers van private bedrijven. De meesten van hen zijn voormalige drone-piloten bij de luchtmacht, maar worden aanzienlijk beter betaald om na hun pensioen in het buitenland te gaan werken. LRE-crews zorgen ervoor dat gewapende drones tot op een bepaalde hoogte het doelwit naderen en dragen vervolgens de controle over aan een tweede crew, de ‘Mission Control Element’ (MCE). Dit team bevindt zich doorgaans op een totaal andere plaats in de wereld, bijvoorbeeld de VS, van waaruit het de missies op afstand uitvoert.

Videobeelden die doorgesluisd worden via satelliet vanuit bewakings- en gevechtsdrones worden gemonitord door beeldanalisten uit zowel het leger als de private sector. De geolocatie van doelwitten via telefoonsignalen wordt ook door zowel militaire als private analisten verwerkt.

De algemene analyse van de vergaarde inlichtingen door het leger of de CIA, is gebaseerd op softwaresystemen die ontwikkeld en ondersteund worden door private bedrijven. Het gebrek aan toezicht en controle zorgt ervoor dat er in het kader van het drone-programma hardware en software verkocht wordt door de ontwikkelaars zonder dat er vooraf uitgebreide testen werden uitgevoerd.

Uitbreiding

Drone-technologie is niet langer nieuw, noch zeldzaam. Onbemande vliegende hobbytoestellen uitgerust met camera’s zijn populair en worden vandaag voor allerlei civiele doeleinden gebruikt, van het maken van trouwfoto’s of amateursportfilmpjes tot het controleren van gewassen door landbouwers, enzovoort. De niet voor gewone consumenten bedoelde militaire modellen zijn even hard in trek, zowel de surveillancetoestellen als de gerichte executiemachines, met name de Predator en Reaper-drones. Beide soorten militaire drones spelen vandaag een cruciale rol in de aanhoudende oorlog tegen terreur.

Het gebruik van militaire onbemande vliegtuigen begon in 1995 tijdens de Balkan-oorlogen. Het Pentagon zette ze toen in om inlichtingen te verzamelen. Sindsdien groeiden drones uit tot een belangrijk component van een uitgebreid bewakingssysteem en een complex mondiaal netwerk van inlichtingenverzameling, grotendeels geopereerd door militairen en inlichtingendiensten.

De aanslagen van 9/11 in New York en Washington DC zorgden ervoor dat het Pentagon de ontwikkeling van gevechtsdronetechnologieën versnelde. Gewapende drones moesten het mogelijk maken voor het VS-leger om te interveniëren op plaatsen waar het politiek of logistiek moeilijk was om troepen te ontplooien.

Onder president George W. Bush opereerde het drone-programma op kleine schaal omdat het wapensysteem nog verder ontwikkeld moest worden, maar onder president Obama groeide het exponentieel. Drones werden volop en in het geheim ingezet, ook in gebieden waar de VS officieel niet eens militair aan het ingrijpen was. Zo kregen de Pakistanen honderden drone-aanvallen te verduren.

Trump die zijn ambt als president opnam in januari 2017 lanceerde tijdens zijn eerste jaar aan de macht tenminste 161 aanvallen in Jemen en Somalië. Volgens het Bureau of Investigative Journalism was dat meer dan 3 maal het aantal dat Obama het jaar voordien uitvoerde in deze 2 landen.

Collaterale schade

Oorlogsvoering via drones kende het afgelopen decennium zo’n snelle uitbreiding dat het geconfronteerd wordt met een gebrek aan voldoende getraind personeel (zowel piloten als analisten). In 2015 ontdekte de Government Accountability Office dat amper een derde van de drone-piloten hun volledige opleiding afgerond had voor ze in dienst genomen werden. Het Pentagon zag zich daarop verplicht om het aantal drone-patrouilles in te perken tot het voldoende getraind personeel kon opsnorren.

Om de posities zo snel mogelijk in te vullen, werden voor miljoenen dollars aan contracten uitgereikt aan private bedrijven om drone-simulatietrainingen te geven. Ondertussen werden de reeds aangestelde soldaten regelmatig verplicht om 6 dagen per week shiften van 12 uur te presteren. Psychologische studies van de luchtmacht zelf stelden daarop wijdverspreide stress en oververmoeidheid vast bij piloten, analisten en operatoren. Ook de psychologische impact van het ‘doden op afstand’ wordt schromelijk onderschat.

Heather Linebaugh diende 4 jaar in de Amerikaanse luchtmacht als beeld- en georuimtelijk analist voor het drone-programma tijdens de bezetting van Irak en Afghanistan. In 2013 schreef ze in een opiniestuk in het Britse dagblad The Guardian: “Hoeveel vrouwen en kinderen heb jij zien verbranden door een Hellfire-raket? … Weinig van deze politici die zo schaamteloos de voordelen van drones verkondigen, hebben enig idee van wat er zich eigenlijk afspeelt … Wat het publiek moet begrijpen is dat de video geleverd door een drone doorgaans niet duidelijk genoeg is om te detecteren of iemand een wapen draagt, zelfs op een kristalheldere dag met bijna geen wolken en perfect licht … We vroegen ons altijd af of we de juiste mensen gedood hadden, of we de verkeerde mensen in gevaar hadden gebracht, of we het leven van een onschuldige burger vernietigd hadden omwille van een slecht beeld of een verkeerde hoek … Drone-voorstanders beweren dat troepen die dit soort van werk doen niet getroffen worden, omdat ze nooit rechtstreeks fysiek in gevaar zijn … Maar ik bekeek delen van het conflict gedetailleerd op een scherm, dagen aan een stuk … Het conflict geraakt, als een kleine video, verankerd in je hoofd en veroorzaakt psychologische pijn en leed … Drone-troepen zijn niet alleen het slachtoffer van de beklijvende herinneringen aan het werk dat ze altijd met zich meedragen, maar ook van het schuldgevoel altijd onzeker te zijn over hoe accuraat hun identificatie van wapens of vijandige individuen was”. Heather Linebaugh is een van de verschillende moedige klokkenluiders wiens getuigenissen de berichten van lokale media en onderzoeken van ngo’s ter plaatse over burgerslachtoffers aanvullen en bevestigen.

Oorlogsmisdaden

Amerika lanceert geen aanvallen om individuen te straffen. We ageren tegen terroristen die een continue en imminente bedreiging vormen voor het Amerikaanse volk. Voor er een aanval uitgevoerd wordt, moet het vrijwel zeker zijn dat er geen burgers gedood of verwond zullen worden – de hoogste standaard die we kunnen stellen”, aldus president Barack Obama op 23 mei 2013.

In werkelijkheid worden drones gebruikt als een wapen, niet als een verdedigingsmechanisme en ze hebben de manier waarop de VS ten oorlog trekt aanzienlijk veranderd. De implicaties zijn ingrijpend, niet in het minst voor de bewoners van de plaatsen waar ze ingezet worden.

In alle stilte zijn drones uitgegroeid tot een standaardaspect van de moderne oorlogsvoering. Een aspect dat teert op een gebrek aan toezicht, controle en rekenschap. Drones stellen het VS-leger in staat om de oorlog tegen terrorisme voor een groot stuk weg van de schijnwerpers te voeren. Het mechanisme is simpel: militaire operaties met drones eisen per definitie geen slachtoffers van de aanvallende partij en als er geen bodybags gerepatrieerd moeten worden, is er ook veel minder media-aandacht. Minder aandacht maakt dat er veel minder rekenschap afgelegd hoeft te worden ten opzichte van het publiek.

Amerikaanse drone-aanvallen worden uitgevoerd tegen terroristische dreigingen in naties die zowel binnen de ‘conventionele Amerikaanse oorlogszones’ vallen (Afghanistan, Irak, Syrië) als daarbuiten (Jemen, Pakistan, Somalië). Het wettelijk kader is niet geheel duidelijk, maar het doelgericht moorden via drone-aanvallen is sowieso een schending van de elementaire mensenrechten, en vormt ook onder het internationaal oorlogsrecht een misdaad, in eerste instantie omdat het doelwit zich niet in een duidelijk omschreven oorlogstheater bevindt.

Bovendien heeft eender wie (soldaat, vijandelijke strijder of burger) die op de lijst van doelwitten komt te staan, geen enkele manier om zichzelf te verdedigen tegen de zaken waarvan hij/zij beschuldigd wordt – ongeacht of de beschuldigingen correct zijn of niet. De persoon in kwestie wordt immers niet verwittigd. Eenmaal een doelwit, wordt de beschuldigde in feite zonder mogelijkheid tot beroep veroordeeld tot de dood. De praktijk komt neer op een hoogtechnologische en tegelijk barbaarse buitenrechtelijke executie.

Geheimhouding

Met het aanslepen en het uitbreiden van de mondiale oorlog tegen het terrorisme, en dankzij het werk van enkele onderzoeksjournalisten, academici en ngo’s, werd de aandacht geleidelijk aan meer op drone-aanvallen gevestigd, met name op de burgerslachtoffers die daarbij vallen.

Als reactie op de groeiende bezorgdheid bij de civiele maatschappij rond verantwoording, moraliteit en transparantie, zag Obama zich verplicht om iets duidelijker te gaan communiceren over drone-aanvallen. In 2013 legde hij uit dat zijn regering zich voor de legaliteit van antiterroristische drone-operaties, baseerde op de Autorisatie voor het Gebruik van Militair Geweld die in 2001 toegekend werd door het Congres (ter bestrijding van Al-Qaeda en de Taliban).

Dezelfde Autorisatie werd naar voor geschoven voor de uitbreiding van de Amerikaanse antiterroristische operaties naar andere landen. Obama erkende in 2013 ook voor het eerst officieel dat er drone-aanvallen uitgevoerd werden in Jemen en Somalië, en kondigde de invoering aan van een beleidsrichtlijn die de standaard voor drone-aanvallen strikter maakte.

In de zomer van 2016, tegen het einde van zijn mandaat, vaardigde Obama een uitvoeringsdecreet (‘executive order’) uit dat de regering verplichtte om een jaarlijks rapport vrij te geven over de militaire operaties buiten de officiële oorlogszones en de slachtoffers die daarmee gepaard gaan. Volgens het presidentieel decreet moest dit rapport telkens ten laatste op 1 mei van het jaar erop uitkomen.

De eerste en de tweede deadline onder het presidentschap van Trump, passeerden zonder dat er een rapport verscheen. Een woordvoerder van de Nationale Veiligheidsraad liet weten dat het decreet herzien werd.

Hoewel de transparantie onder Obama zeker niet om over naar huis te schrijven was en de vrijgegeven cijfers over burgerslachtoffers bij drone-aanvallen inaccuraat bleken, waren ze een eerste stap in de richting van meer openheid. Het werd al gauw duidelijk dat president Trump de graad van geheimhouding opnieuw zou opdrijven.

In het voorjaar van 2017 al classificeerde president Trump delen van Jemen en Somalië als ‘gebieden van actieve vijandelijkheden’, een statuut dat ze net als de conventionele oorlogsgebieden Afghanistan, Irak en Syrië, vrijstelde van de telling vereist door het uitvoeringsdecreet van Obama en andere beperkende regulering. Tegen het eind van 2017 werden de maandelijkse verslagen over drone-aanvallen in Afghanistan stopgezet (amper een jaar nadat Obama de praktijk had ingevoerd). De info over drone-aanvallen in Afghanistan en Jemen werd alsmaar sporadischer en vager.

In februari 2018 stelde een legerwoordvoerder dat hij “het advies” gekregen had niet te veel informatie prijs te geven over luchtaanvallen. “Minister [van Defensie] Mattis heeft duidelijk gemaakt dat we geen cijfers of tactieken vrijgeven die onze tegenstanders enig voordeel zouden kunnen opleveren”, aldus de woordvoerder.

De inperking van de reeds gelimiteerde informatiestroom over antiterrorisme-operaties komt er tegelijk met een behoorlijke stijging van het aantal drone-aanvallen. Het is onvermijdelijk dat het aantal burgerslachtoffers evenredig mee aangroeit. Een woordvoerder van de Nationale Veiligheidsraad beweerde desalniettemin dat het aantal burgerslachtoffers tijdens dergelijke operaties in 2017 niet gestegen was ten opzichte van het jaar voordien.

Op 6 maart 2019 ondertekende president Trump een executive order die het decreet over rapporteringsvereisten ingevoerd door Obama, terug intrekt. Het leger (de CIA was sowieso al vrijgesteld) hoeft dus niet langer publiekelijk te melden hoeveel personen vermoord worden bij geheime luchtaanvallen buiten de officiële VS-oorlogszone. De Amerikaanse antiterrorisme-operaties hullen zich onder Trump opnieuw dieper in geheimhouding en ondoorzichtigheid. Dit past in een trend van verminderende militaire transparantie in de VS.

Dit artikel is een overname van Vrede vzw.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!