Sébastien Hendrickx

Waarom ik niet in een witte wereld wil blijven leven

"Moet ik de ondergang van de witte wereld toejuichen, of moet ik erom rouwen? Als het me menens is, als ik haar ontmanteling wérkelijk mee wil bespoedigen, dan moet ik me de ongemakkelijke vraag durven stellen: what’s in it for me?"

woensdag 3 april 2019 14:54

Beste witte medeburgers,

Op zondag 24 maart liep ik in Brussel mee in de nationale betoging tegen racisme. De zon scheen. De sfeer was uitgelaten. De politie telde 3850 manifestanten, de organisatoren duizend à tweeduizend meer. Waarom nam ik er als witte man aan deel?

Objectief gezien lijken wij, witte burgers, belang te hebben bij de instandhouding van een witte wereld. De talloze privileges die ze ons biedt, merken we doorgaans niet op. Relatief gemakkelijk overal heen kunnen reizen, niets in de weg worden gelegd op de huis- en arbeidsmarkt, de politie meer kunnen beschouwen als een bescherming in plaats van een bedreiging, etc etc – we nemen deze voordelen gemakkelijk voor normaal aan. Dat is niet verwonderlijk: gediscrimineerd worden is nu eenmaal zichtbaarder, opvallender voor degene die het ervaart, dan niet gediscrimineerd worden.

Oikofilie

Zelf woon ik in Brussel. Onlangs zei een bevriende witte Vlaamse Brusselaar tegen me dat ze nooit meer terug wou naar Vlaanderen. Haar belangrijkste redenen: de armoedige culturele dominantie van één enkele taal, het conformisme, de bekrompenheid, het racisme. Ik herkende haar gevoel van trots om in een wereldse, open stad te leven. Ook deze stadschauvinist kan na twaalf jaar niet meer terug. De nieuwe ster aan het rechts-populistische firmament, de aalgladde Nederlandse politicus Thierry Baudet, zou ons ongetwijfeld uitmaken voor ‘oikofoben’, zelfhaters, nestbevuilers. Ik zou hem met veel overtuiging tegenspreken. Zijn oikos is de mijne niet. Mijn oikos is door en door Bruxels.

Tot ik onlangs, na al die jaren, ontdekte dat ook Brussel een witte stad is. Een aantal snel op elkaar volgende tweedegraads ervaringen van racisme – geracialiseerde medeburgers het onderwerp zien vormen van subtiele en minder subtiele vormen van uitsluiting op basis van kleur – kwamen als een schok. Het was niet zo dat ik daarvoor in totale onwetendheid verkeerde. In de podiumkunstwereld waarin ik actief ben, lopen steeds meer moedige collega’s van kleur rond die met hun scherpe voorstellingen, opiniestukken en debatten de dominante witte denkkaders proberen los te wrikken. Zij waren het die me in contact brachten met waardevolle boeken van James Baldwin, Gloria Wekker, Ng?g? wa Thiong’o, Rachida Aziz, Paul Gilroy, Houria Bouteldja, Claudia Rankine, Samuel Delaney,… Toch maakten de recente, concreet beleefde situaties in het Brusselse meer duidelijk dan alle voorstellingen, debatten, boeken, artikels en andere bewustzijnsverruimende middelen die ik daarvoor als witte, zichzelf als antiracistisch bestempelende progressieveling tot mij had genomen.

Dat klopt niet helemaal. Het doet afbreuk aan de intrinsieke waarde van die ‘middelen’. Preciezer is het om te zeggen dat de concrete tweedegraads ervaringen van racisme me deze boeken, voorstellingen, artikels, etc met terugwerkende kracht beter deden begrijpen. Vaak lees en hoor je woorden die je in hun letterlijke betekenis wel snapt maar die pas jaren later écht tot je doordringen. Enkel belichaamde kennis kan je perceptie van en je positionering in de wereld diepgaand veranderen.

Segregatie

Een selectie van zo’n recente ervaringen, waardoor mijn directe omgeving steeds witter kleurde:

’s Avonds laat. Ik stap op de bus die me van het Centraal station naar huis brengt, neem plaats op de achterbank. Te moe voor mijn smartphone kijk ik wat rond. Verderop in het gangpad voor me zitten twee zwarte mannen, één tegen het linkerraam, de andere tegen het rechter. Een paar haltes later stapt een jongeman op, wit. Hij wandelt naar de achterkant van de bus en ziet één zitplaats naast de zwarte man rechts, en drie zitplaatsen voor en naast de zwarte man links. Hij draait zich om, talmt, merkt dat vooraan in de bus de stoeltjes bezet zijn, gaat uiteindelijk met tegenzin neerzitten naast de zwarte man rechts. Die staat na een minuut recht, wurmt zich een weg langs de witte jongeman en neemt plaats naast me: ‘Tu as vu ce qui vient de se passer?’ ‘Oui. Je l’ai vu.’

Ik heb een werkafspraak met een zwarte collega. Ik stel hem voor om samen een koffie te drinken in een van mijn favoriete café’s in het centrum, Le Laboureur. Een volkse, bruine kroeg. Wanneer hij een paar minuten later dan me binnenkomt, omhelst hij me met een moeilijk thuis te brengen grijns op zijn gezicht (gepijnigd, half spottend, gelaten,…). Hij wijst me op een standbeeld van kunststof in een hoek naast het raam. Nu pas merk ik dat beeld voor het eerst op. Ik zag het eerder al bij vorige bezoeken, maar niet écht. Nu wel. Er staat een zwarte man met een witte hoed, een rood strikje en een blauwe vest met witte sterren op – een tenue die verwijst naar de vlag van de Verenigde Staten. Hij steekt zijn hand uit alsof hij om geld bedelt. Ik hakkel: ‘I’m awfully sorry. Let’s go.’ Hij: ‘No, let’s take a seat over there. I want to sit right next to him.’



Le Laboureur

Ik trek naar de Beursschouwburg voor de Big Conversation on safety and freedom. Een Big Conversation is een gespreksavond waarbij het publiek wordt opgedeeld in kleine groepen en in dialoog kan treden met een van de uitgenodigde experts rond een specifiek thema. Die avond werpt de getuigenis van een zwart lesbisch meisje een compleet nieuw licht – ‘nieuw’ voor mij althans – op het zogenaamde ‘veiligheidsdebat’ dat de politiek nu al zeker twee decennia beheerst. Ze vertelt over haar ervaringen als barmeid bij Mothers & Daughters, een lesbische pop-up bar die in het voorjaar van 2018 verwelkomd werd als een broodnodige safe space. Zelfs daar voelde zij zich naar eigen zeggen niet helemaal veilig, omwille van de microkwetsingen veroorzaakt door de grotendeels witte klandizie. Het besef komt in een flits: als een zwart lesbisch meisje zich al niet veilig voelt in een lesbische safe space, wat vertelt dat dan niet over haar ervaringen in de rest van Brussel? Ik word me plots bewust van mijn eigen absolute, mentale én fysieke veiligheid en bewegingsvrijheid. En van het absurde feit dat het veiligheidsdebat fundamenteel rond de veiligheid van witte mensen draait.

Na haar relaas neemt een oudere witte man uit het publiek het woord. ‘Can’t you just start up a bar for black lesbians?’ Door haar getuigenis niet helemaal serieus te nemen, illustreert de man nietsvermoedend haar punt. Gelukkig valt de hele groep direct verontwaardigd over hem heen.

Tijdens de Small talk on language & race, een meer klassieke publieke talk, opnieuw in de Beursschouwburg, worden heel wat inconvenient truths uitgesproken. De mensen van kleur, die de meerderheid van het publiek vormen, knikken instemmend; de witte toehoorders kuchen en bewegen wat ongemakkelijk op hun stoel. Na het gesprek blijf ik hangen om na te praten. Wanneer de bar van de Beursschouwburg sluit, beslissen we om met een groepje van zes – ik ben de enige witte van het gezelschap – nog op stap te gaan. Een aantal plekken zijn al dicht; ik stel voor om de Lord Byron te bezoeken, een andere favoriet van me. Het is een gezellige, piepkleine cocktailbar die druk gefrequenteerd wordt door mijn vrienden en collega’s uit het artistieke milieu. Wat er precies gebeurt op het moment waarop we het café binnenwandelen, valt moeilijk te omschrijven. Maar het is meer dan duidelijk dat de stemming omslaat. Iedereen heeft ons gezien. Wanneer we de twee laatste vrije ronde tafeltjes bij elkaar willen schuiven – rond eentje kunnen we met zes niet zitten – komt de jonge barman aangesneld om ze terug uit elkaar te halen. Een ogenblik van houterige, lichamelijke verwarring. De man mompelt iets onverstaanbaars; zijn afkeurende toon vertelt genoeg. Geschokt verlaten we de bar. Niemand heeft nog zin om een andere plek uit te proberen. De avond zit erop.

Deze en andere tweedegraads ervaringen van racisme, die vanzelfsprekend in het niet vallen in vergelijking met eerstegraads belevingen, herconfigureerden mijn persoonlijke tijd en ruimte. Dat klinkt erg zwaar op de hand, maar toch is het zo.



Een golf van herinneringen stak de kop op: die keer dat het Kortrijkse Don Bosco-college, waar ik school liep, ergens midden jaren negentig de ‘Nacht Tegen Racisme’ organiseerde. Een line-up van exclusief witte lokale rockbands trad toen op voor een bij mijn weten op één leerling na exclusief wit publiek. Al mijn onderwijzers waren wit. Mijn scouts was wit, mijn stamcafé, de zomerfestivals die ik bezocht, de schrijvers van de romans die ik als puber begon te verslinden: allemaal wit. Er ging, zeker in het decennium na Zwarte Zondag, ook geen familiefeest voorbij zonder de obligate plat-racistische sneren. Als jonge, ontluikende linkse activist zette ik me daar scherp tegen af. Toch kwamen ook ongemakkelijkere herinneringen aan mijn eigen racistische reflexen naar boven. Mijn handen reikten wel eens automatisch naar de portefeuille in mijn broekzak op het moment dat er een jongen van kleur langs me heen liep. Dat was nooit een grote, nadrukkelijke, bewuste beweging; altijd een lichte, vluchtige, nauwelijks merkbare geste. Waar kwam die in hemelsnaam vandaan? Ik was het niet zo aangeleerd – althans niet expliciet. Daarnaast betrapte ik me, als iemand die al bijna vijftien jaar in de Vlaams-Brusselse podiumkunstwereld werkt, in retrospect op ideeën van witte culturele superioriteit. Toen zag ik die gedachten en uitspraken uiteraard niet zo. Nu wel.

Mijn recente ervaringen hertekenden ook mijn mentale kaart van Brussel. Steeds bewuster word ik me van de lokale verdeling van witte mensen en mensen van kleur: wie er voor en achter de kassa staat, wie over welke straten loopt, wie deze straten kuist, wie in groep in welke bars en restaurants zit. Als je er eenmaal op begint te letten, dan is de segregatie echt stuitend. Bij Le Laboureur en de Lord Byron hangt geen plaatje voor de deur waarop staat: ‘whites only’; de grenzen manifesteren zich op andere, slinksere manieren. Dat witte Brusselaars en Brusselaars van kleur – op zeldzame ontmoetingsplekken als de Beursschouwburg, KVS en Muntpunt na – zich zo langs elkaar heen bewegen, daar moet een veelgelaagd en historisch gegroeid systeem aan ten grondslag liggen. Dat is waarover het gaat wanneer de term ‘structureel racisme’ valt: de complexe keten die een geschiedenis van lange adem verbindt met die ene hand, die bijna onmerkbaar geroutineerd naar de eigen portefeuille tast.

Argumenten tegen een witte wereld

Openlijk racistische discoursen circuleren vandaag niet alleen in marginale online echokamers; steeds vaker krijgen ze airplay in de mainstream media, zonder al te veel kritische weerwoorden van journalisten, politici of burgers. Bedenk wat voor een slag in het gezicht het moet zijn voor medemensen van kleur: de populairste politicus van Vlaanderen is zelf een racist.

Hoogstwaarschijnlijk is het geen toeval dat er net op hetzelfde moment heel wat signalen zijn die aangeven dat het einde van de witte wereld in zicht is. Op 25 februari kopten alle Vlaamse kranten: in Antwerpen wonen nu meer mensen met een migratieachtergrond dan zonder. Wanneer je Muntpunt, de Vlaamse bibliotheek in Brussel, bezoekt, dan zie je de nieuwe wereld al in de maak. Het gros van de studenten dat er ijverig zit te blokken is van kleur. Toch zal dat einde er niet zomaar komen, zonder politieke strijd. Ik had het eerder al over het unapologetic activistische discours van een groeiende kritische massa in de cultuurwereld. Het herijkt de termen van het esthetische en het politieke, die onlosmakelijk met elkaar zijn verknoopt.

Moet ik de ondergang van de witte wereld toejuichen, of moet ik erom rouwen? Als het me menens is, als ik haar ontmanteling wérkelijk mee wil bespoedigen, dan moet ik me de ongemakkelijke vraag durven stellen: what’s in it for me? Een antwoord in een paar denkstappen:

In haar boek Whites, Jews, and Us. Toward a Politics of Revolutionary Love (2016) benadrukt Houria Bouteldja dat witheid een historisch gegroeide, sociopolitieke categorie is. Of ik het als witte, individuele burger nu wil of niet, zij bepaalt op dit ogenblik nog steeds mijn conditie en status in de wereld. Dat wil niet zeggen dat ik er per se helemaal mee hoef samen te vallen: ‘If your history made you white, nothing is forcing you to stay that way.’ (p. 45) Kritiek op de witte wereld moet ik dus niet verwarren met kritiek op mezelf, die ene hoogst individuele burger die door een speling van het lot ergens in West-Europa ter wereld kwam met een witte huidskleur. Dat besef neemt al heel wat van de overmatig geëmotioneerde verdedigingsreflexen weg waar wij, witte burgers, in debatten over racisme en dekolonisering al eens last van hebben. Het betekent ook dat het niet onlogisch of absurd is om je als witte mens tegen een witte wereld te verzetten – zoiets staat niet gelijk aan een bizarre strijd tegen jezelf. Meer nog: om niet samen te vallen met een witte wereld is het net noodzakelijk om je ertegen te verzetten.

Kansen en mogelijkheden delen met een grotere groep medeburgers betekent in veel gevallen niet dat ik ze zelf verlies. Als de politie iedereen zonder vooroordelen gelijkwaardig zou behandelen, dan zou dat hun houding ten opzichte van iemand die eruit ziet als mij geen gram verslechteren. Een café dat toegankelijk is voor iedereen, blijft dat ook voor mij. Vermoedelijk leeft in het witte collectieve onderbewustzijn de angst voor een wraakzuchtige omkering van alle machtsverhoudingen – het einde van de witte wereld zou ook het einde kunnen betekenen van die angst. Een prachtzin die ik slam poet Samira Saleh ooit hoorde uitspreken, is me in dat verband bijgebleven: ‘My strength doesn’t mean your weakness.’

We moeten er anderzijds geen doekjes om winden: in heel wat gevallen is er onmiskenbaar wél verlies. Zo gaat het nu eenmaal met ongelijkheid en herverdeling. Als je een taart gelijker verdeelt over een grotere groep mensen, blijven er kleinere stukjes over voor elk van hen. Een job die naar één persoon ging, kan niet meer naar iemand anders. Een huis dat aan één gezin werd verkocht, verdwijnt voor onbepaalde tijd van de huizenmarkt. De ‘betere’ scholen hebben steeds nog maar een beperkt aantal plaatsen. De herverdeling van macht, geld, zichtbaarheid, kansen, etc, leidt er onvermijdelijk toe dat er minder macht, minder geld, minder zichtbaarheid, minder kansen, etc, beschikbaar zijn voor witte mensen. Ook voor mij dus. Er staan in de strijd om het behoud of het einde van de witte status quo grote belangen op het spel.

Hieruit volgt een belangrijk argument contra de witte wereld: zij doet afbreuk aan mijn morele waardigheid. Als je eenmaal meer weet over de hardnekkig doorkankerende ongelijkheden van de koloniale erfenis – op hyperlokale, geopolitieke schaal en alles daartussenin – dan kan je je niet meer van die kennis bevrijden. Je kan ze niet meer ont-kennen. Hoe zichtbaarder de discriminatie om me heen, hoe meer ze botst dan met mijn rechtvaardigheidsgevoel: waarom zou ik op basis van mijn witte huidskleur over substantieel meer kansen en middelen mogen beschikken dan geracialiseerde mede(wereld)burgers? Het besef werpt een schaduw over heden en verleden en roept gevoelens op van schaamte en schuld.

De witte wereld die ons wordt voorgespiegeld door degenen die strijden voor het behoud of een verdere radicalisering ervan, is niet alleen door en door onaantrekkelijk, ze heeft ook geen toekomst. Thierry Baudet liet zich ooit de volgende gevleugelde woorden ontvallen: ‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was.’ Uit zo’n onmogelijk, wereldvreemd wereldbeeld spreekt een massieve conformiteitsdwang. Het marginaliseert alle vormen van subjectiviteit die afwijken van degene die Baudet en consorten beschouwen als normaal. Onder het juk van zo’n samenleving zou ikzelf – die op heel wat vlakken ook niet aan die eng-conservatieve normen beantwoord – ernstig lijden. Baudets gedroomde ‘heelheid’ breekt bovendien radicaal met de complexe, vernetwerkte, geglobaliseerde realiteit van vandaag. De realisatie van zo’n utopie voer je niet door zonder polarisatie, angstzaaierij, repressie, cycli van geweld en tegengeweld. Ze stippelt een toekomstloos, doodlopend pad uit.



Lijnrecht daartegenover staat de aantrekkingskracht van die andere wereld-voorbij-de-witte. Ze zou het onveiligheidsgevoel sterk kunnen doen afnemen, in de eerste plaats dat van burgers van kleur, maar ook van witte bevolkingsgroepen. Het is een cliché, zeker wanneer het uit de pen vloeit van een artistiekerige stedeling, maar dat maakt het niet minder waar: cultureel gezien betekent de komende wereld een enorme verrijking. Uitwisselingen houden culturen levendig; van splendid isolation drogen ze uit. Filosoof Bruno Latour maakt in Waar kunnen we landen? (2017) een onderscheid tussen een ‘mondialisering-min’ en een ‘mondialisering-plus’. Het eerste begrip slaat op culturele homogenisering: dominante, veelal witte-westerse visies worden opgedrongen aan de rest van de wereld. Het tweede betekent ‘dat we de gezichtspunten verveelvoudigen, dat we méér variëteiten registreren, dat we rekening houden met een groter aantal wezens, culturen, verschijnselen, organismen en mensen.’ (p. 23) Het is duidelijk dat niet iedereen van culturele verscheidenheid en pluralisme houdt; voor mij is die mondialisering-plus levensnoodzakelijk.

De witte wereld betekent een enorme verspilling van talenten voor een samenleving die er meer dan nood aan heeft. Bedenk wat een inclusievere wetenschap, filosofie, agricultuur, technologie, industrie, economie, kunst, politiek, onderwijs, geschiedkunde, etc etc, allemaal niet mogelijk zouden maken, welke nieuwe ideeën en verbeeldingspaden ze zouden kunnen openen. Het valt te beargumenteren dat de maatschappelijke multicrisis – klimaatverandering voorop – in oorsprong van witte-westerse makelij is. Iedereen zou wel varen bij een gelijkwaardige zichtbaarheid van fundamenteel andere perspectieven – ook die uit het verleden die onzichtbaar werden gemaakt.

Op het niveau van interpersoonlijke relaties tenslotte, staat de witte wereld ontmoeting en connectie in de weg. Tijdens het nagesprek van de Small talk on language & race zegt een zwarte man in het publiek iets ronduit schokkends. Met een aarzelende stem richt hij zich tot de andere mensen van kleur in de zaal: ‘Knowing what we know, do you think it is possible to be friends with… white people?’ Slik. In The Fire Next Time (1963) schrijft James Baldwin:

‘The Negro came to the white man for a roof or for five dollars or for a letter to the judge; the white man came to the Negro for love. But he was not often able to give what he came seeking. The price was too high; he had too much to lose. And the Negro knew this, too. When one knows this about a man, it is impossible for one to hate him, but unless he becomes a man -becomes equal- it is also impossible for one to love him.’

Le Laboureur, 13 april, 19h00

Onlangs zag ik dat Le Laboureur het beeld van de zwarte man had verplaatst van de hoek naast het raam tot bij de bar. Op zijn nieuwe stek is het nu zichtbaar voor iedereen die in de Vlaamsesteenweg voorbij loopt – wat als een regelrechte provocatie overkomt. Sinds ik er een afspraak had met die zwarte collega heb ik het café bewust gemeden, en ook van de Lord Byron nam ik ondertussen definitief afscheid. Zo’n stille, individuele boycots hebben natuurlijk nul impact. Niemand die ze opmerkt. Deze lang uitgevallen open brief wil ik dan ook graag afsluiten met een oproep voor een bescheiden actie. Op zaterdag 13 april ga ik om 19h00 protesteren tegen het standbeeld in Le Laboureur. Ik dacht eraan om hem een bordje om de hals te hangen met daarop simpelweg: ‘racisme’. (Originaliteit is overrated.) Wie doet mee? We zouden iemand met een fototoestel kunnen gebruiken. En iemand die – anders dan ikzelf – behendig is met sociale media. Nadien kunnen we overleggen over volgende acties.

 

Love & Rage,

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!