Opinie, Economie, Politiek, België -

De broeksriempolitiek faalt

Een beleid van snijden in overheidsdiensten en langer en harder werken voor minder geld, dat is volgens onze beleidsmakers de weg naar economisch herstel. Er is echter één probleem: zo’n broeksriempolitiek werkt gewoon niet.

dinsdag 7 maart 2017 09:46

Al bijna tien jaar lang voeren Europa en nationale regeringen een soberheidspolitiek. Austerity, zo heet dat in het Engels. “We kunnen niet meer uitgeven dan er binnenkomt.” “De tering naar de nering zetten.” “Snoeien om te groeien.” “We mogen toekomstige generaties niet met nog meer schuld opzadelen.” Het klinkt logisch, maar er is één probleem met de soberheidspolitiek: ze werkt gewoon niet. Of toch niet voor de doelstellingen die regeringen ons willen doen geloven.

Overheden overal ter wereld hebben de mond vol van groei en competitiviteit. “We moeten de concurrentiepositie van onze bedrijven versterken”, zo klinkt het. De theorie is dat dit voor meer werkgelegenheid zorgt, wat de economie doet groeien en waardoor de belastinginkomsten voor de staat toenemen.

Euro staat in de weg

Vroeger kon een land in economische moeilijkheden vrij eenvoudig de ‘concurrentiepositie’ versterken door middel van een devaluatie van de munt. Stel dat Italië zich in moeilijk economisch vaarwater bevond. De regering (samen met de centrale bank) kon dan de nationale munt, de lire, devalueren, waardoor die minder waard werd ten opzichte van, bijvoorbeeld, de Duitse mark. Buitenlanders gingen eerder een Italiaanse Fiat kopen dan een Duitse BMW, omdat die eerste relatief een stuk goedkoper werd. De Italiaanse export kwam weer op gang en dat leidde op zijn beurt tot meer werkgelegenheid in Italië en een aanzienlijke versterking van de economische positie.

Toen kwam de euro en veranderde alles. Sinds 1999 (voor consumenten sinds 2002) maken de eurolanden gebruik van de gezamenlijke munt. Wisselkoersen konden niet meer onderling aangepast worden. Een land in economische moeilijkheden moest op zoek naar andere oplossingen.

Financiële crisis

Zolang alles economisch goed verliep, was er geen probleem. Alles was koek en ei, zo leek het wel: een lang tijdperk van stabiele economische groei in heel Europa en geen geknutsel meer met wisselkoersen. Maar in 2008 barstte de economische bom. De crisis begon in de financiële wereld, bij de banken, maar sloeg al snel over naar de hele economie. Tot vandaag voelen we de gevolgen van de ‘Grote Recessie’.

Tal van landen kreeg het economisch hard te verduren. Een oplossing had erin kunnen bestaan de nationale munt te devalueren om de economie weer op gang te trekken. Dat ging natuurlijk niet meer, sinds de komst van de euro. Overheden moesten daarom iets anders verzinnen om de massa nieuwe schulden – onder meer het gevolg van de redding van de banken – terug te betalen.

De ‘oplossing’ waar regeringen en eurocraten mee voor de dag kwamen: interne devaluatie en austerity.

Interne devaluatie

Een interne devaluatie betekent samengevat een daling van de lonen. Ondernemingen moeten hun personeel minder uitbetalen per gepresteerde uur arbeid. De totale kostprijs van de productie gaat omlaag en de onderneming staat weer sterker tegenover buitenlandse concurrenten. Dit zou de economie weer in gang moeten zetten en de crisis tot een einde brengen.

Wanneer de lonen dalen, dan gaat de binnenlandse consumptie achteruit. Een product of dienst zal wel goedkoper worden – hetgeen de concurrentiepositie met het buitenland inderdaad versterkt – maar wie schiet er dan nog over om de producten in het eigen land te kopen?

Onze regering is al een tijdje in hetzelfde bedje ziek. Eerst kregen alle werknemers een indexsprong te slikken, waardoor ze voor de rest van hun leven twee procent koopkracht kwijt zijn. Nu komt minister van Werk Kris Peeters met zijn plan voor ‘werkbaar en wendbaar werk’, waardoor werknemers minder uitbetaald krijgen voor hun gepresteerde overuren. Of politici pleiten voor flexi-jobs, waaraan lagere sociale zekerheidsbijdragen zijn gekoppeld. Dit kadert perfect binnen de interne devaluatie: het drukken van de loonkost.

Soberheid

Maar daarmee zijn de overheidsschulden natuurlijk nog niet afbetaald. Hier komt de soberheidspolitiek in het spel, strengheid oftewel austerity in het Engels. Het is “erop gericht overheidsschuld af te bouwen, economische competitiviteit te verhogen en ondernemersvertrouwen op te krikken”, aldus econoom Mark Blyth, auteur van het boek ‘Austerity: The History of a Dangerous Idea’ (2013). De aanhangers denken dit te doen door te besparen op allerlei overheidsdiensten, zoals gezondheidszorg of openbaar vervoer, de pensioenen te verlagen, de pensioenleeftijd te verhogen of de taksen op consumptie op te trekken.

Het grote probleem is dat austeriteit niet werkt. De landen die deze politiek hanteerden om uit de schulden te geraken, zijn er na jarenlange besparingsmaatregelen slechter aan toe dan tevoren. Hun schuldgraad (de schuld ten opzichte van het bruto nationaal product) is in de meeste gevallen enkel maar gestegen. Griekenland is hiervan het meest schrijnende voorbeeld. Terwijl de pensioenen in twee geknipt werden en patiënten in wachtzalen stierven omwille van een kapotbespaarde gezondheidszorg, bedraagt de Griekse schuldgraad vandaag 175 procent, ten opzichte van 106 procent in 2007, voordat de crisis toesloeg. Griekenland zal zijn schulden nooit kunnen afbetalen. Alleen willen de eurocraten dit nog niet onder ogen zien.

Investeren in de mens en in de toekomst, dat is wat vandaag moet gebeuren

Dit is het gevolg wanneer iedereen tegelijk bespaart. Toen de financieel-economische crisis uitbrak, namen private investeringen snel af omwille van een onzekere toekomst. Op zo’n moment zou de overheid de plaats van private investeerders moeten innemen om de economie op gang te brengen. Dit zou zorgen voor werkgelegenheid, meer belastinginkomsten – noodzakelijk om overheidsschuld in te lossen – en een infrastructuur die klaar is voor de toekomst. Helaas wordt zulk beleid verboden door de Europese Commissie. Econoom Paul De Grauwe is hiervoor snoeihard: “[dit is] een buitengewoon domme regel die ons niet toelaat te doen wat moet gedaan worden: investeren in de toekomst” (De Morgen, 12 december 2016).

Investeren in de toekomst

En dat is precies wat vandaag moet gebeuren: investeren in de mens en in de toekomst. Overheden lenen vandaag aan extreem lage tarieven. Dit is het uitgelezen moment om te investeren in duurzame economie, in hernieuwbare energie, in het openbaar vervoer van de 21ste eeuw, in democratisch onderwijs en een performante gezondheidszorg. Dit zijn stuk voor stuk waardevolle activa die de huidige én toekomstige generaties ten goede komen.

Daarnaast moeten de lonen omhoog. De collectieve sterkte van vakbonden zijn hiervoor de beste garantie. Een fatsoenlijk loon waar je waardig van kunt leven, dat is de beste manier om de economie weer op gang te trekken. Wie vandaag bijvoorbeeld zijn nettoloon van 1.500 euro met tien procent ziet stijgen, zal volgende maand allicht een groot stuk van die 150 euro spenderen. Een topmanager – of een bijklussende parlementsvoorzitter, we zeggen maar wat – die tien procent extra krijgt op zijn loon van 16.000 euro netto, zal in verhouding waarschijnlijk een kleiner deel daarvan in de economie pompen.

Omgekeerde herverdeling

De broeksriempolitiek heeft gefaald. Dat is de conclusie na bijna een decennium ongewijzigd beleid. Maar afgezien daarvan is deze politiek ook bijzonder onrechtvaardig. Lage inkomensgroepen voelen het snoeiwerk in de publieke dienstverlening veel harder dan hogere inkomensgroepen. Jan Modaal neemt de bus of de trein, de rijken beschikken over hun privévervoer. De doorsnee burger maakt gebruik van gezondheidszorg of zoekt sociale bescherming wanneer hij een tegenslag ondervindt, de rijke kan ook wel in een privéziekenhuis terecht. Een gezin met een bescheiden inkomen wil de kinderen graag naar de universiteit sturen. Dat kan omdat onderwijs in ons land gesubsidieerd wordt. De rijkste 1 procent kan zoon of dochter ook wel aan een dure privé-instelling laten studeren.

Burgers betalen twee keer: eerst om de banken te redden en daarna door harde besparingen

“De effecten van soberheid zijn ongelijk in verschillende segmenten van de samenleving,” aldus Mark Blyth. “Wie betaalt en wie betaalt niet? Zij die verantwoordelijk zijn voor deze puinhoop (de financieel-economische crisis, nvdr), betalen niet. Zij die al betaalden voor de redding van de banken (de belastingbetaler, nvdr), zullen opnieuw betalen door de soberheidspolitiek.” Het is omgekeerde herverdeling: van arm naar rijk.

Dit is geen controversiële economische theorie. Economen zijn het er grotendeels over eens dat een economie niet uit het slop raakt door allen op hetzelfde moment te besparen. Twee vragen blijven onbeantwoord. Weten de politici dit allemaal niet en volharden ze toch in hun neoliberale boosheid? Of weten ze het wel en zien ze het als een positief maatschappelijk verhaal? Als het antwoord op de eerste vraag positief is, zijn ze schrijnend incompetent en dringend aan vervanging toe. Is het antwoord op de tweede vraag positief, dan zijn ze hun moreel kompas voorgoed kwijt en zijn ze ook – en nog dringender – aan vervanging toe.

Deze bijdrage verscheen eerder in De Nieuwe Werker, het ledenblad van het ABVV.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!