Opinie -

De niet helemaal progressieve vermogensbelasting van denktank Minerva

De nieuwe progressieve denktank Minerva wil een vermogensbelasting invoeren. Alleen is het geen goed idee om de opbrengst daarvan te gebruiken om de werkgeversbijdragen te verlagen, schrijft Guido Deckers.

maandag 19 december 2016 11:42

De nieuw opgerichte denktank Minerva, die zich links wil opstellen, komt naar buiten met een voorstel van een vermogensbelasting. De opbrengst zou dienen om de werkgeversbijdragen te verminderen met 5,4 miljard euro en er zou ook een einde worden gemaakt aan de huidige belastingen op kapitaal: de roerende voorheffing. In 2015 leverde deze belasting de overheid 4 miljard euro op. Om dit te realiseren moet er dus gezocht worden naar 9,4 miljard euro. Volgens Minerva kunnen deze miljarden gevonden worden door een vermogensbelasting in te voeren op het vermogen van alle belastingplichtigen, met een progressief tarief tussen 0,02 en 1,75 procent, naargelang de omvang van het vermogen.

Door de werkgeversbijdragen te verlagen en de huidige belastingen op kapitaal af te schaffen en te vervangen door een vermogensbelasting die door alle belastingplichtigen wordt betaald, is men in de overtuiging dat dit meer tewerkstelling zal opleveren en dat de financiering van de sociale zekerheid gewaarborgd blijft. Want we staan immers voor grote uitdagingen. Door de vergrijzing zouden de pensioenen onbetaalbaar worden. En in de toekomst wordt de werkgelegenheid nog meer onder druk gezet door de oprukkende automatisering.

Het voorstel van een progressieve vermogensbelasting is een goed voorstel. Maar ik kan me er totaal niet in vinden dat de opbrengst van deze vermogensbelasting wordt gebruikt om de werkgeversbijdragen te verlagen. Ik kan me ook niet vinden in het geloof dat dit voorstel de werkgelegenheid zal bevorderen, laat staan te handhaven. Ik kan me er ook niet in vinden dat de betaalbaarheid van de pensioenen in de toekomst een probleem vormt. Wat de robotisering betreft, geloof ik niet dat een verschuiving van sociale bijdragen op arbeid naar vermogen de werkgelegenheid zou beschermen. Om vooraf mijn kritiek te argumenteren, wil ik eerst iets duidelijk maken: ‘werkgeversbijdragen’ zijn een deel van het loon.

Blijf van mijn loon af!

Werkgevers- en werknemersbijdragen maken deel uit van de totale loonkost voor de werkgever. Onder het begrip totale loonkost moet worden verstaan: nettoloon + bedrijfsvoorheffing + werknemersbijdrage + werkgeversbijdrage. De eerste drie vormen samen het brutoloon. De ‘werkgeversbijdrage’ is een percentage boven op het brutoloon. Door een onderscheid te maken tussen het begrip werkgeversbijdrage en werknemersbijdrage, geeft men de indruk dat de werkgever hier een extra inspanning levert! Dit is niet waar, want de werkgever rekent de totale loonkost bij de globale onkosten. Wat de werkgever doet, is de optelsom van de werknemers- en werkgeversbijdrage doorstorten aan de sociale zekerheid.

Ook de fiscus krijgt een deel. Zo stort de werkgever maandelijks een voorafbetaling op de uiteindelijk te betalen belastingen die een werknemer op het einde van het jaar op zijn/haar brutoloon moet betalen. Dit wordt de bedrijfsvoorheffing genoemd. Wat dan overblijft is het netto loon.

Het deel van het globale loon dat de werkgever doorstort naar de sociale zekerheid is een uitgesteld loon van de werknemer, dat terecht komt in een sociale zekerheidskas. Bij ziekte, werkloosheid of bij pensionering wordt het vervangingsinkomen vanuit die sociale zekerheidskas betaald. Dus: de werkgeversbijdragen verminderen, betekent een daling van het loon dat de werknemer verdient door zijn arbeid.

Het idee om het loon op te splitsen en een deel daarvan ‘werkgeversbijdrage’ te noemen, is ontstaan tijdens de besprekingen van het Sociaal Pact in 1944. De werkgevers stonden hierop, omdat dit hen medezeggenschap gaf in het paritair beheer van de sociale zekerheid. Tevens gaf het hen ook de mogelijkheid om meer macht uit te oefenen over een deel van het loon. Dat voelen we tot vandaag door telkens dat deel te verminderen!

Daling werkgeversbijdragen

Het getuigt van een bezet denken dat wanneer de loonkost daalt, dit zal resulteren in meer werkgelegenheid. Werkgevers werven niet meer mensen aan omdat die goedkoper zijn geworden, maar enkel en alleen wanneer zij er zeker van zijn dat meer mensen leidt tot meer productie die op de markt kan verkocht worden. Als de werkgever daarvan zeker is, dan zal die eventueel meer mensen aanwerven. De prijs van die nieuwe aanwerving is daarbij niet altijd doorslaggevend. Ook zonder dat die nieuwe tewerkstelling goedkoper wordt, zal de werkgever extra mensen aanwerven.

En waarom de werkgeversbijdragen nog maar eens verminderen met 5,4 miljard euro als de werkgevers vandaag al jaarlijks meer dan 12 miljard euro loonkostsubsidies krijgen om de tewerkstelling te bevorderen? Als je naar het resultaat gaat kijken, kan je alleen maar vaststellen dat dit niet werkt. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is het aantal voltijdse banen van het eerste kwartaal van 2015 vergeleken met het eerste kwartaal van 2016 amper gestegen met minder dan 1 procent! Dat betekent dat er in totaal maar iets meer dan 26.000 banen bijgekomen zijn. Op een totale werkloosheid van bijna 400.000 mensen is dat een druppel op een hete plaat. Nog onrustwekkender is, dat bijna 40 procent van het totaal aantal gecreëerde banen tijdelijke en onzekere banen zijn.

De loonkostsubsidies die de werkgevers krijgen, hebben nog voor wat anders gezorgd. Deze gulle cadeaus én de inleveringen die de werknemers sinds 1996 telkens hebben moeten slikken, hebben ervoor gezorgd dat onze loonkloof met de buurlanden volledig is weggewerkt. Dat wil zeggen dat we evenveel – of even weinig – verdienen als onze collega’s in de buurlanden Duitsland, Nederland en Frankrijk. Dus nogmaals een argument om niet te fixeren op de loonkost. Je kan natuurlijk ook dit argument wegwuiven door de werkgevers met haar regering te volgen, die nu beweren dat we nog steeds met een historische loonkloof zitten. Hoe deze historische loonkloof wordt bepaald, is een raadsel. Maar de strategie is wel duidelijk: de spelregels veranderen om de loonkloof – die dit jaar zou verdwijnen – in stand te houden en zo het argument te creëren om de lonen verder neerwaarts te blijven drukken.

Dat de bedrijven zuurstof genoeg hebben en dat er geen vermogensbelasting nodig is om de bedrijven te ondersteunen, kan ook aangetoond worden met de gulle belastingverminderingen die de werkgevers krijgen. Alleen al de duizend meest winstgevende bedrijven realiseerden in 2015 een winst van 49,9 miljard euro. Op deze winst betaalden ze slechts 4,8 miljard euro belastingen: een aanslagvoet van amper 9,7 procent. Het normale tarief is 33,99 procent. Dat wil dus zeggen dat alleen al deze duizend bedrijven samen konden genieten van een belastingvermindering van 12,1 miljard euro. Dat is bijna evenveel dan wat de totale belastingen opbrengen uit de bedrijfswinsten. Degene die gelooft dat bedrijven door het krijgen van belastingverminderingen en loonkostsubsidies meer zouden gaan investeren, komt bedrogen uit. Zo werd bij de duizend meest winstgevende bedrijven, na de winst een beetje te belasten, 25 miljard euro of 55 procent uitgekeerd aan de aandeelhouders.

En om iedereen te overtuigen dat de Belgische bedrijven geen gebrek hebben aan zuurstof, geef ik het cijfer van 240 miljard euro. Dat is het bedrag aan cash dat volgens een studie van Deloitte in 2014 de Belgische bedrijven in hun boeken hadden staan.

Pensioenen onbetaalbaar?

De auteur van de Minerva-studie heeft zeker een punt om aandacht te schenken aan het feit dat het aandeel van de bevolking op beroepsleeftijd versmalt ten opzichte van vóóral de ouderen. Dat daardoor de kost verhoogt om de pensioenen te betalen is ook juist. Alleen mag hij niet overdrijven door te schrijven dat ‘de vergrijzing van de bevolking een “grote druk” zal zetten op het uitgavenpatroon van de overheid’. De kosten van de vergrijzing vallen echt nog wel mee als je weet dat de toename van de kosten tegen 2040 slechts 513 miljoen euro per jaar bedragen. In het totaal zouden de pensioenen tegen 2040 oplopen tot 12,7 procent van het BBP. In euro’s en het BBP van vandaag is dat: 51,6 miljard euro. Is dat overdreven? Natuurlijk niet!

Om de omvang van dit cijfer te plaatsen: alleen al de rijkste families de Spoelberch, de Mévius en Vandamme, die AB Inbev in handen hebben, beschikken over een vermogen van 51,9 miljard euro. Dus meer dan de totale toekomstige pensioenkost! Een vermogensbelasting gebruiken op het vermogen van de allerrijksten om de pensioenkost mee te betalen, zou dan ook een beter voorstel zijn dan het te gebruiken om de werkgeversbijdrage te verlagen.

Robotisering

Het is moeilijk de toekomst te voorspellen, maar zeker is dat de impact van de robotisering een grote neerwaartse druk zal uitoefenen op de werkgelegenheid. Wanneer uitgegaan wordt van een lage schatting, zouden er in België meer dan 316.000 jobs op de helling staan. Dat is dus niet weinig. Toch laat ik me ook hier niet meeslepen met de idee dat de oplossing om de tewerkstelling te beschermen ligt in een verschuiving van sociale bijdragen op arbeid naar vermogen. Wanneer arbeid wordt geautomatiseerd en we met minder mensen meer kunnen doen, dan is de oplossing: herverdeling van de arbeid door een collectieve arbeidsduurvermindering met een gevoelige daling van het aantal uren en met behoud van loon.

Zo’n collectieve arbeidsduurvermindering die onmiddellijk wordt doorgevoerd, zal altijd voor meer tewerkstelling zorgen. Je kan uitrekenen hoeveel arbeidsplaatsen er mogelijk zouden bijkomen, maar het juiste aantal zal afhangen van de economische toestand van het land en van de ontwikkeling van de productiemiddelen. Exact is het dus niet te berekenen. Toch kunnen we ons er een idee van vormen.

In 1998 kwam de Franse regering met een opzienbarend voorstel. De officiële arbeidsduur zou verminderd worden van 39 naar 35 uur. Een evaluatierapport van de Franse senaat geeft een overzicht van de resultaten van de kortere werkweek en die zijn niet mis: 350.000 jobs in enkele jaren. Om je een idee te geven over hoeveel dat kost aan lonen om 350.000 mensen werk te geven in België, vermenigvuldigen we dit aantal met het gemiddelde loon. Het gemiddeld jaarloon bedraagt: 41.800 euro*. Dus: 350.000 jobs  x 41.800 euro/jaar = 14,6 miljard euro/jaar

Niet te betalen? Toch wel! De stijgende productiviteit en de winsten die daaruit voortvloeien, mogen niet enkel de aandeelhouders bevoordelen. Want dat is nu precies wat er vandaag gebeurt. Sinds 1981 is het aandeel van de lonen gedaald ten belope van 7,6 procent van het BBP, wat voor 2015 overeenkomt met 31,1 miljard euro. De werknemers hebben dus alle recht om de verloren en toekomstige productiviteitswinsten om te zetten in arbeidsduurvermindering met het behoud van loon. Het zijn immers de werknemers die de welvaart creëren, niet de onproductieve aandeelhouders!

Besluit

Een vermogensbelasting op het totale bezit is een goed voorstel, maar de opbrengst mag niet gaan naar de werkgevers en naar de aandeelhouders die steeds maar een groter deel opeisen van de productiewinsten. Een vermogensbelasting moet dienen om de overheid meer financiële ruimte te geven en om de grote vermogensongelijkheid weg te werken. Vandaag bezit de rijkste 1% van de bevolking over een vermogen dat net iets groter is dan wat de 60% minst rijken samen bezitten. Daarom moet ook de vermogensbelasting enkel en alleen gericht worden op de rijkste families en niet op alle belastingplichtigen. Als we dit koppelen aan rechtvaardige hervorming van de ‘ganse’ fiscaliteit, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, dan ben ik in de overtuiging dat een andere en solidaire wereld mogelijk is.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!