lentetuin-impressie met boekenkast

De geboorte van de kritiek uit de geest van de paradijstuin [ouverture tot een contemplatieve zomer]

dinsdag 5 juli 2016 13:52

Op een warme lenteavond met veel bloesems en een schitterende hemel zitten we op het terras aan de zwemvijver. Ik zeg tegen mijn vrouw: ‘het is hier toch echt paradijselijk’. Helemaal opgaand in die gedachte, begin ik vervolgens alle gebreken van de tuin op te sommen. En zonder dat ik het besef, sla ik aan het zagen en klagen: de kerselaar doet het niet goed en de achtermuur van lelijke moderne snelbouw-baksteen moet wit geschilderd en er is door de tuinfirma toch wel echt een kaalslag aangericht in mijn wildernis. Mijn vrouw zegt op haar trefzekere, laconieke, geestige manier: ‘Paradijselijkheid en kritiek gaan niet samen’. Ik moet lachen, en zeg: ‘Touché’.

Het is waar: kritiek is onuitstaanbaar. Maar toch begin ik een filosofische apologie van de geest van de kritiek, ik kan niet anders als geboren criticaster. Hoe kan de tuin het paradijs best uitdrukken en symboliseren, ja zelfs belichamen? Door zijn eigen perfectie te benaderen. Dus de enige manier om mijn tuin als paradijs te affirmeren, is er de gebreken van te zien, en alle kentrekken op te lijsten die hem scheiden van zijn volmaakte, beate, paradijselijke toestand. Het kan gewoon niet anders: als ode aan de dingen moet je hun afstand meten tegenover hun eigen idee. Kritiek betekent letterlijk oordeel, dus je kan zonder kritiek de tuin niet beoordelen, laat staan hem paradijselijk vinden.

Er zit een platonische grondtrek in de kritiek. Het doorzien en ontmaskeren van de valse afschijnselen in de fameuze allegorische ‘grot van Plato’ blijft de basisstructuur van de kritiek, ook van de maatschappijkritiek. Wij zien slechts de afschijnselen, we moeten ons bevrijden uit de grot en niet de schaduwen zien (die op de rotswand geprojecteerd worden doo een vuur, ja die grot van Plato is een echte laterna magica), maar naar buiten treden en de echte wereld aanschouwen. Bijvoorbeeld een van de meest maatschappijkritische boeken van de twintigste eeuw, De spektakelmaatschappij van Guy Debord, is er helemaal op gebouwd: het echte, het onmiddellijke leven verdwijnt achter de immense accumulatie van spektakels. Dat is prachtig, maar ja. Het is schijn en zijn, en die lopen toch meer dooreen dan Plato en Debord laten uitschijnen. En wat is het onmiddellijke leven? Een idee, een idée fixe. En wat is er zo vervreemdend aan het spektakel? Cultuur is nooit iets anders geweest dan een immense opeenstapeling van spektakel, van de vertoningen van de sjamanen over de hangende tuinen van Babylon, de Acropolis, het Colosseum of de thermen van Caracalla tot de opera van Parijs en de cinema.

Vandaar alle pogingen om aan de kritieke kant van de kritiek, zijn achillespees te sleutelen. Bijvoorbeeld door immanente kritiek à la Adorno: iets bekritiseren van binnenuit, niet vanuit een externe idee maar vanuit zijn eigen premissen en kenmerken, bijvoorbeeld neoliberalisme niet meten aan de idee van rechtvaardigheid maar op zijn eigen contradicties betrappen. Ook de deconstructie van Derrida, de shizoanalyse van Deleuze & Guatari, de genealogie en archeologie van Foucault, zijn pogingen om aan de kritiek als platonische ontmaskering van de afspiegelingen in de grot te ontsnappen. Kritiek niet van buitenaf, maar van binnenuit. De fenomenen openleggen, niet platslaan met een maatstaf. Een maatlat is altijd ook een stok om een hond te slaan. Natuurlijk moet ik mijn tuin niet meten aan het idee van de hof van Eden.

Wat leert ons deze kort geschetste apologie en kritiek van de kritiek en de pogingen om eraan te verhelpen? Misschien dat kritiek het niet kan laten om te eten van de boom van de kennis, ook niet in een paradijstuin. Zondeval? Ja, kritiek is zondeval. Wie het paradijs wil affirmeren, moet het benoemen, wie het wil benoemen moet het kennen en wie het wil kennen moet er de kenmerken van kunnen geven, zowel de sterke kanten als de gebreken. Dus in het besef van de paradijselijkheid van de tuin, begint de zondeval van de kritiek. Geboorte van de kritiek uit de geest van de paradijstuin.

Het is omdat de tuin gebreken heeft dat hij niet het paradijs is, die luciditeit is Eva’s beet, dat is de appel van de kennis, dat is het inzicht. Verboden, ja, gedaan met de onschuld.  Ergo: de wil tot weten is de oerschuld van de mens. Maar het is ook het begin van de mens. Geen mens, of toch geen mensheid, zonder kennis. In de kritiek begint de kennis maar het is een crisis van de vanzelfsprekende dierlijke, onmiddellijkheid, het paradijselijke, onschuldige, onbewuste. Kritiek is de crisis van de mythe van het paradijs.

Maar toch is Eva’s beet in de appel van de boom van de kennis een ode aan het paradijs, want, de boom van de kennis, was wellicht de mooiste boom van den Hof van Eden… Voor de mens is de boom van de kennis de mooiste vrucht van de hele paradijstuin. Ja toch? De boom des levens, fantastisch, maar daaraan laven zich alle levende wezens. Alleen de mens kan eten van de vruchten van de boom der kennis. Hij heet helaas ook de boom des doods, helaas. Met en in en door het bewuste, het reflexieve, het oordeel komt het besef van vergankelijkheid.

De kritiek is de verboden vrucht van de boom van de kennis. De mens is de uitzaaier van dat zaad. Zaai het zaad van de boom van de kennis ook op onvruchtbare grond. Ook op onvruchtbare grond kan de paradijselijke kennis haar zondeval naspelen. En zo de wereld onderwerpen aan het oordeel van het herstelde paradijs, de wereld ‘verlossen’, verlossen van zijn onschuld, onbewust, zijn onwetendheid. Natuurlijk is dat diabolisch. Een Portugese collega zegt dat kunstenaars en critici twee soorten mensen zijn: kunstenaars zijn engelen, critici zijn des duivels. Zij heeft een punt.

Dat brengt me bij het essay, elk essay is het waarheidsgetrouwe verslag van een constant metabesef: ik voel dit, ik voel dat ik dit voel, dat ik dit denk, dit doormaak. Bijvoorbeeld: ik zit in de tuin, leidt ogenblikkelijk tot de essayistische of zo je wil filosofische vraag: wat is een tuin? En de concrete bepaaldheid van de tuin waarin ik zit, bepaalt de abstracte essentie van ‘tuinheid’ die ik zal trachten in woorden te vatten. Zo in constante wisselwerking het particuliere aftasten vanuit het algemene en het algemene onder de loep nemen vanuit het particuliere is de inzet van het echte essay. Het caleidoscopische beeld van de tuin, als miniatuur van de natuur en imitatie van het paradijs, verschijnt doorheen zijn fragmentering als universeel allegorische plek, als ‘plaats’ van het geluk. Toch minstens van het huis-tuin-en-keuken geluk.

Dat begrijpen de mensen maar niet: je kan de dingen niet kapot analyseren. De analyse, de kritiek is een ode aan de schepping. Alleen in de kritiek op de tuin verschijnt zijn  zijn ware schoonheid. Elke imperfectie is een taak om verder te werken aan de volmaakte tuin. En daar gaat het toch om: om de idee van een volmaakte tuin. De tuin van Eden. Het paradijs. Elke tuin is een paradijstuin, of moet onderweg zijn naar dat paradijselijke van de idee van ‘tuinheid’. Per definitie. Dus!? Kapot analyseren die handel! Als ode aan de schepping.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!