Analyse -

De oorlog in Turkije en het presidentieel systeem

Over hoe de oorlog in het Zuid-Oosten van Turkije onlosmakelijk verbonden is met Erdogans ambitie om een presidentieel systeem te creëren.

woensdag 10 februari 2016 11:59

In de periode na de verkiezingen in Turkije van 7 juni jongstleden werd vaak een verband gesuggereerd tussen de voor de regerende Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) teleurstellende uitslag en de beslissing van de Koerdische PKK om de wapens weer ter hand te nemen. De vrijwel direct door president Erdogan gewekte indruk dat het tot herverkiezingen zou komen accentueerde het gelegde verband.

Dat de pro-Koerdische Democratische Volkspartij (HDP) – die op 7 juni winst had geboekt – werd benadeeld door de aanslagen van de PKK, kreeg bij de verkiezingen van 1 november een bevestiging. Daarbij verloor de HDP en maakte de AKP haar eerdere verlies meer dan goed.

Het duurde echter niet lang voordat de jeugdbeweging van de PKK (YDG-H) stadsdelen tot autonome gebieden verklaarde en die gewapenderhand verdedigde. Het eerder gelegde verband tussen de herverkiezingen en het PKK-geweld leek daarmee gelogenstraft. De verkiezingen waren immers voorbij.

Dat laatste is echter niet meer dan schijn. Ondanks dat Turkije in twee jaar tijd vier verkiezingen meemaakte en de AKP stevig in het zadel zit, zijn er tekenen dat aan de periode waarin de Turken naar de stembus gingen nog geen einde is gekomen. De sleutelwoorden zijn een nieuwe grondwet en een presidentieel systeem.

Presidentieel systeem

President Erdogan zal zeker ingenomen zijn geweest met de uitslag op 1 november. De winst voor de AKP was immers groter dan verwacht. In één opzicht veranderde echter niets, want het bleef de AKP aan de supermeerderheid in het parlement ontbreken die nodig is om zelfstandig een nieuwe grondwet in te kunnen voeren waarmee een presidentieel systeem mogelijk wordt. Bovendien komt de AKP veertien zetels tekort om in dit verband tot een referendum op te kunnen roepen.

Erdogan hecht onverminderd zwaar aan een presidentieel systeem. In de praktijk doet hij weliswaar in veel opzichten of Turkije al een dergelijk bestuurssysteem kent, maar het zou hem aanmerkelijk meer mogelijkheden bieden als een en ander netjes in een grondwet omschreven staat.

De president is niet terughoudend met het uitdragen van ideeën over een nieuwe grondwet. Dat moet er voor hem een worden op ‘nationale basis.’ De constituties zoals Turkije die tot nu toe heeft gekend bestonden voor hem uit ‘geïmporteerde bestanddelen en geïmporteerde logica.’ Daarvoor in de plaats moet een grondwet volgens ‘Turkse stijl’ komen.

Het kan niet ontkend worden dat in grondwetten van Turkije vooralsnog veel uit het westen ‘geïmporteerde’ concepten herkenbaar waren. Concepten die het eerdere Ottomaanse Rijk grotendeels vreemd waren, zoals democratie, rechtstaat, mensenrechten, gelijkheid en scheiding der machten.

Wat betreft dat laatste geeft de president al iets van een indruk. Hij omschrijft de scheiding der machten als de ‘strijd tussen machten’. Daarvoor in de plaats moet een ‘harmonie tussen machten’ komen. Met dergelijk zoetgevooisde woorden weet hij het aardig te brengen en binnen de AKP-achterban zal men ongetwijfeld onder de indruk zijn. Wie door het rookgordijn heenkijkt ziet echter plannen tot een grondwet volgens autocratische principes.

Nieuwe verkiezingen

 

In de huidge situatie is de AKP door een tekort aan zetels in het parlement bij het formuleren van een nieuwe grondwet, of bij het oproepen tot een referendum daarover, op andere partijen aangewezen. Voor Erdogan is dat een hindernis.

Om een beslissing te kunnen forceren staat de AKP een aantal opties ter beschikking. Zo zal men trachten om de steun van veertien volksvertegenwoordigers van andere partijen te krijgen ten einde tot een referendum op te kunnen roepen. Er zijn vooralsnog echter geen signalen dat dit gaat lukken. En als het wel lukt moet afgewacht worden hoe het electoraat zal oordelen over een nieuwe grondwet, en dan met name over het presidentieel systeem dat daar deel van uitmaakt.

De andere optie bestaat uit nieuwe verkiezingen, met als argument dat de huidige samenstelling van het parlement de invoering van een nieuwe grondwet uitsluit.

Premier Davutoglu sloot nieuwe verkiezingen vorige maand pertinent uit. Het ter sprake brengen daarvan stond voor hem gelijk aan ‘verraad.’ Beetje logisch wel, want hoewel hij de invoering van een presidentieel systeem zegt te steunen, zou zijn eigen positie bij de invoering ervan hoogst onzeker worden. Het doet er echter niet veel toe wat Davutoglu zegt of denkt, want iedereen weet dat hij niet het laatste woord heeft binnen de AKP.

CHP

Davutoglus woorden ten spijt houden waarnemers er serieus rekening mee dat er nieuwe verkiezingen gaan komen. Erdogan zou gek zijn wanneer hij het daar niet op aan liet komen, want de oppositie staat er zwak voor; zwakker dan ooit zelfs.

De Republikeinse Volkspartij (CHP) slaagt er maar niet in om overtuigende oplossingen te bieden voor de problemen waar Turkije mee kampt. Daarnaast worstelt de partij met interne problemen. Het klimaat tijdens het congres van de partij vorige maand sprak daar boekdelen over.

Even veelzeggend is de recente rel over een mevrouw van de partij die iemand ervan beschuldigde een portret van Mustafa Kemal Atatürk (de stichter van de Turkse Republiek en de oprichter van de CHP) van de muur te hebben gehaald. Dat leert veel over het onvermogen van de CHP om zich aan te passen aan de in Turkije op gang gekomen veranderingen. Het blijft daardoor een partij die in het verleden blijft steken. Dat doet de AKP strikt genomen ook met haar sentimenten over het Ottomaanse Rijk, maar daar wordt de blik naar het verleden in ieder geval efficiënt uitgebuit.

De CHP heeft een vrij solide aanhang, die de partij niet snel niet de rug zal toekeren. Op 25 procent kan de CHP rekenen bij verkiezingen, maar veel meer dan dat zal het op deze manier nooit worden.

MHP

Voor ultranationalistische Partij van de Nationale Beweging (MHP) zijn de problemen nog groter. Daar spelen eveneens veel interne problemen. Er bestaat grote druk op de positie van partijleider Devlet Bahceli, die echter niet aan opstappen wil denken.

De MHP lijdt verlies naarmate de AKP meer de nationalistische kaart AKP speelt, wat met de oorlog in het Zuidoosten zeker het geval is. Daar komt het gezichtsverlies bij dat de MHP leed toen Tugrul Türkes, de zoon oprichter Alparslan Türkes, vicepremier werd voor de AKP.

Onder deze omstandigheden dreigt de MHP onder het aan de kiesdrempel verbonden percentage van tien procent te komen.

HDP

Hetzelfde geldt voor de HDP. Op 1 november haalde die partij de kiesdrempel met de hakken over de sloot, maar bij nieuwe verkiezingen wordt dat hoogst twijfelachtig. Veel steun van Turken hoeft de HDP niet meer te verwachten. Die schrikken van het pleidooi van HDP-leider Selahattin Demirtas voor autonomie, ook als dat de vorm krijgt van gedecentraliseerd bestuur.

In Europa is dat laatste heel normaal, waarbij ervan wordt uitgegaan dat lokale democratie tot meer efficiënt bestuur leidt. Als een bedreiging van territoriale integriteit wordt het daar geenszins gezien. In Turkije ligt dat anders. De vele nationalisten daar zien iedere vorm van autonomie voor de Koerdische regio als een eerste stap richting onafhankelijkheid en daarmee als een bedreiging van Turkije in zijn huidige vorm.

Veel Turken die op 7 juni nog HDP stemden zullen dat daarom voortaan wel laten. Erdogan gaat wat dat betreft nog een stap verder. Voor hem staat het gelijk aan ‘propaganda voor terrorisme’, wanneer Demirtas de optie van autonomie ter discussie wil stellen.

Zo gaat dat nu eenmaal in Turkije. Langs een politieke weg aansluiten bij doelstellingen van een terroristische organisatie is daar uit den boze. Ook als die doelstelling uit een in West-Europa acceptabel thema bestaat.

Gezien hun pleidooi voor autonomie wil Erdogan Demirtas en andere HDP-leiders laten vervolgen op beschuldigingen als het bedreigen van de territoriale integriteit van Turkije. Mogelijk gaat het ook van vervolging komen, want er loopt al een justitieel onderzoek naar de HDP-leiders.

Raad van Europa

Bij de vorige paragraaf passen een aantal kanttekeningen. Zo ondertekende Turkije al in 1992 een handvest van de Raad van Europa over lokaal bestuur. Daar werd aanvankelijk weinig gevolg aan gegeven, maar nadat de AKP in 2002 aan de macht was gekomen veranderde dat.

Om aan de wensen van de EU omtrent toetreding te voldoen maakte de AKP tussen 2003 en 2007 werk van decentralisatie. Daar kwam pas een einde aan toen het EU-toetredingsproces in 2006 vastliep. Nadien ontstond een andere AKP, waar democratisering nauwelijks nog een rol speelde. Toch kwam autonomie in de vorm decentralisatie vijf jaar later, naar aanleiding van het Koerdische vredesproces, wederom aan de orde. Dat wil zeggen, als onderdeel van een overeenkomst met de PKK en de oprichter daarvan, de tot levenslang veroordeelde Abdullah Öcalan.

Zelfs nadat het vredesproces vorig jaar was stukgelopen leek de AKP decentralisatie echter nog te willen overwegen. Toen in november jl. even de indruk ontstond dat de HDP voor een nieuwe grondwet te winnen viel, verschenen in ieder geval berichten dat de regering bereid was om bedenkingen ten aanzien van het eerder genoemde handvest van de Raad van Europa te laten vallen.

De vaker gemanifesteerde bereidwilligheid van de AKP om decentralisatie van bestuur, c.q. autonomie door te voeren maken de beschuldigingen ten aanzien van de HDP-leiders inconsequent. Het heeft er dan ook veel van weg dat Erdogan hen om een andere reden vervolgd wil zien. Dat wil zeggen, Demirtas’ bedenkingen over een presidentieel systeem. Maar daarover meer aan het einde van dit artikel.

Fluitje van een cent

Wanneer de HDP en de MHP er niet in slagen om bij nieuwe verkiezingen de kiesdrempel te halen – en daar heeft het dus alle schijn van – zal de AKP een supermeerderheid behalen, waarmee de invoering van een nieuwe grondwet en het door Erdogan begeerde presidentieel systeem een fluitje van een cent wordt.

Maar of het nu tot nieuwe verkiezingen komt, of tot een referendum over een nieuwe grondwet, Erdogan zal de stemmers dienen te overtuigen van een presidentieel systeem. Uit peilingen vorig jaar bleek namelijk dat slechts een minderheid onder de stemmers daar veel belang aan toekent.

Waarnemers verwachten dat de belofte over stabiliteit dan de boventoon zal voeren bij Erdogan. Dezelfde belofte dus die de AKP voorafgaand aan 1 november deed, al werd die vervolgens niet gestand gedaan. Maar dat biedt Erdogan nu juist de mogelijkheid om te stellen dat stabiliteit alleen mogelijk is onder een presidentieel systeem.

Wie stabiliteit wil beloven kan uiteraard niet zonder instabiliteit. En daar blijft de PKK onverminderd haar aandeel aan leveren. Precies zoals in de maanden na 7 juni. Onder die omstandigheden is het logisch dat Erdogan zegt niet te peinzen over onderhandelen met de PKK. Een politieke oplossing is nu simpelweg niet in zijn voordeel. Komt die oplossing er op korte termijn dan raakt hij immers een uiterst geschikt argument voor een presidentieel systeem kwijt. Bovendien zouden onderhandelingen met de PKK tot stemmenverlies aan de MHP leiden.

Economische tol

Zonder onderhandelingen zal de oorlog in het Zuidoosten nog wel even duren. Met de recente tekenen dat de operaties uitgebreid zullen worden naar andere steden lijkt het daar alleszins op. Toch zal Erdogan het niet langer willen laten duren dan strikt genomen noodzakelijk is om zijn ambities werkelijkheid te laten worden. Hij weet immers donders goed hoe hoog de prijs is.

Gaat het verder op een burgeroorlog op de schaal van de jaren negentig lijken dan zal de prijs vergeleken met toen veel hoger zijn. Het verschil is dat er nu in stedelijk gebieden wordt gevochten. Iemand berekende dat de economische tol daarvan acht keer hoger ligt dan van confrontaties in landelijke gebieden.

Bovendien heeft de instabiliteit waar de oorlog Turkije in dompelt een afschrikwekkende werking op buitenlandse investeerders. En als dat allemaal niet zou spelen zijn er nog Erdogans vrienden in de bouwwereld. Die staan te trappelen om de zwaar beschadigde steden te herstellen, waartoe ze ook nu weer bereid zullen zijn om ‘donaties’ af te dragen aan ‘liefdadigheidsorganisaties’ die door familieleden van de president worden bestierd.

Dialoog

Hoewel Erdogan zegt tegen geen prijs te willen onderhandelen met de PKK of de HDP, staat hij wel open voor een dialoog met andere Koerden. Zijn woordvoerder Ibrahim Kalin deed daar vorige week uitspraken over. Hij verklaarde dat de Koerdische gesprekspartners onder andere zullen bestaan uit dorpshoofden, waarvan de milities sinds de jaren negentig door Ankara worden bewapend en gefinancierd als steun voor de Turkse strijdkrachten in de strijd tegen de PKK.

Wie ook mogen meepraten zijn de conservatieve leiders van stammen die in de Koerdische gebieden het feodale systeem in stand houden waarbinnen dorpelingen als halve slaven worden uitgebuit.

En daarnaast zijn er uiteraard de religieuze leiders van de Koerden, die op de loonlijst staan van het door de AKP gecontroleerde directoraat voor religieuze zaken (Diyanet). De band die Erdogan met Koerden bevindt zich immers voor een groot deel in het geloof.

Daarnaast wordt in verband met Erdogans nieuwe Koerdische dialoog over contacten met politieke groeperingen gesproken. Over wie dat precies gaan worden was zijn woordvoerder Ibrahim Kalin echter vaag.

Te denken valt in ieder geval aan politieke organisaties die hun aversie ten aanzien van de PKK bewezen hebben. Zoals het fundamentalistische Huda Par, de politieke vleugel van de terroristische Hizbullah. Of aan de door een zoon van een invloedrijke stamleider opgerichte Koerdisch Democratische Partij van Turkije. Deze groepering wordt gesteund door Massoud Barzani, de Koerdische bondgenoot van Ankara in Noord-Irak.

De al evenzeer tegen de PKK gekante Koerdische Socialistische Partij, waarvan de leider na een lange ballingschap een paar jaar geleden naar Turkije terugkeerde, is eveneens een potentiële gesprekspartner.

In het kader van de door Erdogan beoogde Koerdische dialoog zou echter ook een nieuwe partij opgericht kunnen worden. Een soort Koerdische AKP, met als specifieke taak de HDP de wind uit de zeilen te nemen.

Öcalan

Tijdens zijn recente bezoek aan Zuid-Amerika deed Erdogan interessante uitspraken over Abdullah Öcalan. In navolging tot Davutoglu een dag eerder sloot hij uit dat de regering met deze PKK-oprichter zal onderhandelen. Dat lag voor de hand, want bij eventuele nieuwe verkiezingen zou de nationalistische stemmer aan het twijfelen gebracht kunnen worden als er door de regering met Öcalan gepraat wordt, wat de MHP kan helpen bij het halen van de kiesdrempel.

Erdogan opende echter wel de weg naar ontmoetingen van de nationale inlichtingendienst MIT met Öcalan. Dat lijkt een gekunstelde omweg, want het maakt natuurlijk erg weinig uit of de regering direct met iemand praat, of dat men zich daarbij door een overheidsinstantie laat vertegenwoordigen. In dit geval ligt dat echter anders, want MIT is eerder aan Erdogan verbonden dan aan de regering. MIT kan beschouwd worden als Erdogans persoonlijke ‘diepe regering’.

Tijdens het vorig jaar ‘bevroren’ vredesproces sprak MIT ook al regelmatig met Öcalan. Uit gelekte gesprekken tussen hem en Koerdische volksvertegenwoordigers bleek dat hij destijds in ruil voor concessies, waaronder regionaal bestuur (maar ook huisarrest voor hem persoonlijk), bereid was een presidentieel systeem te steunen.

Volgens de columnist Zülfikar Dogan gooide Öcalan het bij het door hem voorgestelde en indirect door de AKP gesteunde ‘Democratische Congres’ van mei 2014 en december 2015 over Erdogans religieuze boeg. Hij stuurde een religieus getinte vredesboodschap naar de eerste bijeenkomst, en in de slotverklaring over beide bijeenkomsten werd verwezen naar het ‘Handvest van Medina’, een document waarmee de profeet Mohammed zich inspande om een einde te maken aan de strijd tussen twee rivaliserende groepen binnen dezelfde stam.

Öcalans steun aan een presidentieel systeem moest in het parlement door de HDP in de praktijk gebracht worden. De betrekkingen tussen de HDP en de AKP en Erdogan waren toen nog betrekkelijk goed, waardoor daarbij geen probleem werd voorzien. Daarom kwam het als een donderslag bij heldere hemel toen HDP-leider Demirtas een paar maanden later verklaarde dat Erdogan als het aan hem lag nooit een supermachtig presidentschap zou krijgen. Een oplossing van het Koerdische probleem, zo voegde Demirtas eraan toe, was alleen mogelijk binnen een democratisch kader. Daar had het presidentieel systeem dat Erodgan voor ogen stond niets voor hem mee te maken.

Voor Erdogan was het een klap in gezicht en het laat zich raden dat Öcalan zich eveneens door Demirtas verraden voelde. De HDP-leider zette zo immers een streep door de deal die Öcalan zelf tot stand had helpen brengen.

Vervolgens leed de AKP verlies bij de verkiezingen van 7 juni en hervatte de PKK haar aanslagen, waarvan Demirtas de schuld kreeg. Vergeet daarbij echter niet de berichten waaruit naar voren kwam dat de Koerdische jongeren in Cizre, Silopi en Sur in de eerste plaats bevelen van Öcalan accepteren.

Dat maakt Öcalan omgekeerd tot de enige die hen op kan roepen de wapens neer te leggen. In ruil voor concessies zal hij daar waarschijnlijk toe bereid zijn. Veel minder waarschijnlijk is dat Erdogan de isolatie van Öcalan op zal heffen, om hem tot een wapenstilstand op te laten roepen, voordat hij de buit van een presidentieel systeem binnen heeft. Daartoe dient Demirtas eerst definitief buiten spel gezet te worden en de oorlog in het Zuidoosten leent zich daar uitstekend toe. Het een kan nu eenmaal niet los gezien worden van het ander. Of zoals de columnist Kadri Gürsel het uitdrukte:

‘…, de oorlog wordt niet gevochten om de Koerdische kwestie op te lossen, maar om een presidentieel systeem te bewerkstelligen.’

Volg Peter Edel op Twitter

Peter Edel is schrijver van De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije (2012, Uitgeverij EPO, Antwerpen)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!