10.000 luchtballonnen?

10.000 luchtballonnen?

woensdag 13 januari 2016 14:11




 Hierbij een weerwoord. Graag wil ik kunstcriticus Stefan Beyst bedanken voor Bye Bye Art, een kritische repliek op mijn boek. De repliek metselt scherp omlijnde frames, maar dan wel naast de boompjes die ik wil opzetten. Stefaan Beyst roept klassieke spookbeelden op van ‘de staat’ en wil mij in die hoek parkeren. Een kwaadwillige lezing, maar toch vooral een mooie aanleiding om een en ander te verduidelijken.

Ik vrees die spookbeelden namelijk ook – ik dacht dat de lezer dat uit mijn boek kon opmaken – maar ik wil daarentegen waarschuwen voor de vermarkting, gevaren die zich vandaag volop voltrekken.

Uit de repliek van Beyst blijkt nog maar eens hoe weinig bewust we ons daarvan zijn. Het klopt evenmin dat ik alleen kunst wil die een linkse politieke statement uitdraagt: basisstelling van Buy Buy Art is net de oproep voor een bescherming van de diversiteit van de kunst, want die staat door de vermarkting onder druk.

 Beyst is van mening dat we de oplossing kunnen vinden in méér marktwerking. In hoofdstuk 5 bespreek ik zo’n marktfundamentalisme (cf. ‘de dwepers’) en ik wijs er daar ook op dat dit net de interessantste discussies zijn. Stefaan Beyst is een verstandig man, zijn keuze voor meer marktwering is niet onlogisch mits de aanname van bepaalde vooronderstellingen.

Na enkele rechtzettingen en toelichtingen, wil ik in deze bijdrage daarom ingaan op het problematische karakter van die vooronderstellingen, met name (1) de dichotomie van staat versus markt en (2) de reductie van alles wat economie is tot ‘marktwerking’, en (3) een 19de eeuwse opvatting over ‘herverdeling’. Dat zijn zaken die ik explicieter in het boek had kunnen bespreken, maar het staat al behoorlijk bol.

 Maar vooraf toch dit: na de Tweede Wereldoorlog startte de VS een prestigieus steunprogramma voor de kunsten (the NEA) precies vanuit de bezorgdheid dat de Amerikaanse burger het anders alleen zal moeten doen met McDonalds en Walt Disney. Het ging om reguliere staatssteun, samen met de ontwikkeling van fiscale instrumenten voor donateurs (zo is filantropie niet alleen snel terugverdiend, je verdient er ook flink mee bij).

Ik denk dat we deze economische realiteit als vertrekpunt moeten nemen, niet een of ander romantische beeld van de middeleeuwse mecenas die overloopt van de goede bedoelingen. In de VS is die NEA al afgebouwd. In Europa zijn we vandaag volop bezig dezelfde fout te maken. Ik wil daarvoor waarschuwen.

Overigens, ook Adam Smith – de Vader van het liberalisme zeg maar, en de bedenker van de metafoor ‘de onzichtbare hand’ – benadrukte dat het de plicht is van de overheid om in cultuur en educatie te voorzien, willen we vermijden dat de burger verstoken blijft van elke vorm van emancipatie (in order to prevent the almost entire corruption and degeneracy of the great body of people.).[1] Hoewel ik in volgt literaire dramatiek enigszins achterwege wil laten, is de uitdaging dus: hoe vermijden de overheersing van een kassa kassa K3-cultus van ‘10.000 luchtballonen’?

Uit de repliek van Beyst maak ik op dat ook hij die bezorgdheid deelt. Hoe hij die uitdaging wil aangaan, lezen we niet. Een aanzet zoals die in mijn boek, wordt neergesabeld uit angst voor het ‘spook van het communisme’, in de versie van het clichématige doembeeld van nationalisten en liberalen. Geraken we voorbij de comfortzone van die ideologische stellingenoorlog zodat we ons kunnen riskeren aan een grondig debat?

Rechtzettingen

Eén – Volgens Beyst heeft filantropie of schenken niets te maken met vermarkting. Ik illustreer nochtans met voorbeelden dat het dan meestal om de uitwisseling van symbolisch kapitaal gaat – Beyst noemt het ‘prestige’ – en dat het dikwijls een dekmantel is voor verdienmodellen. Het gaat ook om de eigendomsverhoudingen: rijken die hun kunst naar voren schuiven, of kunst die hen op een sokkel zetten. Ik verwijs ook naar ‘goede’ verzamelaars die ons waarschuwen: het ‘bedrijfsmecenaat’ maakt de kunst(markt) kapot. Die evolutie is natuurlijk ook onderdeel van het fenomeen vermarkting. Ook kunstminnende filantropen vrezen dus de vermarkting.

 Twee – Ik spreek inderdaad soms over ‘vermarkting’ en dan weer over ‘kapitalisme’, en dat is niet om het laatste niet bij naam te moeten noemen. Het eerste gaat om een reeks fenomenen die zich binnen het kapitalisme voltrekken, het tweede gaat over een door mensen gemaakt systeem waarbij kapitaal wordt opgebouwd door ongelijke productieverhoudingen (uitbuiting…) met een reeks nefaste, zelfdestructieve gevolgen (zie hoofdstuk 7, dat daar integraal over gaat).

 Drie – Blijf ik ‘Siberisch stil’ over staatsgeleide economieën in het Oostblok? In hoofdstuk 9 bespreek ik waarom zowel sociaaldemocratie als staatsocialisme faalden. De oorzaak is o.a. te vinden in de loskoppeling met de basis (top-down). Ik leg ook uit dat we in de 21ste eeuw een progressieve sociaaleconomische huishouding (noem het socialisme…) moeten heruitvinden, bottom-up, en dat het klein verzet daar een cruciale katalysator voor is. Dat ik deze argwaan over mij heen krijg, nadat ik letterlijk schrijf dat wat er in de Sovjet gebeurde, neerkomt op een ‘monsterlijk moreel failliet’, doet mij vermoeden dat Beyst graag had gehad dat ik dat punt een tiental keer herhaal. Maar zou dat mijn mening over dit onderwerp dan veranderen?

 Vier – Beyst weet dat ik in het verleden heel wat kunstrecensies schreef waarin in artistieke strategieën analyseer en waardeer. Ik schreef deze zomer nog een tekst in de catalogus van Nicolas Provost die bij Lannoo verscheen voor een tentoonstelling die loopt in Turnhout, als ik mij niet vergis enigszins de regio waar Beyst woont. Momenteel werk ik ook aan een enkele kunstrecensies. In het boek verwijs ik bijvoorbeeld naar beeldende kunstenaars Michel François, Miet Warlop, Honoré d’O, Gabriël Orozco of Giusseppe Penone en grootmeesters van het witte doek zoals Hitchcock, Antonioni of Béla Tarr, maar desondanks komt Beyst toch tot de conclusie dat ik alleen geïnteresseerd zou zijn in kunst die politiek is.

Het klopt weliswaar dat ik geen artistieke besprekingen in het boek heb ingevoegd die dergelijk wantrouwen hadden kunnen wegnemen. Het leek mij niet nodig, omdat ik vooral wou wijzen op de ideologische implicaties die doorgaans worden vergeten. Dàt lijkt mij bijzonder interessant en dat is dus het punt dat ik wou maken. In die optiek bespreek ik de maatschappelijke rol van de kunstenaars, waaruit Beyst ten onrechte afleidt dat ik alleen in die rol geïnteresseerd zou zijn.

Nochtans schrijf ik: “kunstenaars moeten als maker hun artistieke vrijheid kunnen beleven zonder zich daar schuldig over te moeten voelen. Want laten we dat alvast in bescherming nemen: het creatieproces zelf heeft geen rechtvaardiging nodig. Het is zoals het vrije spreken in een therapeutische sessie.” Ik geef ook felle kritiek op de ‘galopperende avant-garde’ van begin vorige eeuw. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat kunstcritici mij daarop zouden aanpakken.

Zowel David Graeber, de pleinfilosoof van Occupy Wall Street, als Slavoj Žižek, het Lacaniaanse geweten van links zeg maar, eindigen hun recentste boek met een ideologische analyse van de laatste Batman-film. Ik bedoel maar, kunst en cultuur kunnen ons zoveel leren over onszelf, het is aan de kunstliefhebber om daar ook oog voor te hebben.

Vijf – ik zou fundamenteel ongelijk hebben als ik beweer ‘dat veel van wat de markt voortbrengt, in kwalitatief en emanciperend opzicht problematisch is’. Dat vind ik een heel moedige stelling van Beyst die ik graag wat gemotiveerd zou zien. Hij geeft in zijn eigen tekst alvast zelf heel wat voorbeelden van problematische marktconforme cultuurproductie.

Is iemand al meteen ‘een gevaarlijke communist’ als je voorbehoud maakt bij een commerciële hoogmis als 10.000 luchtballonnen? Dan zitten we in het kamp van Arne Quinze, die meteen waarschuwt voor het gevaar van ‘het communisme’ zodra burgers zijn opzichtelijke Rock Strangers in Oostende contesteren.
 

Toelichtingen

 

Kunst en cultuur

Het klopt dat ik kunst en cultuur niet netjes van elkaar aflijn. Dat is niet vanuit nalatigheid: die loskoppeling en afbakening wil ik vermijden. Kunst wordt al teveel als een archipel gezien, los van de maatschappij en cultuur in brede zin. Minder die afbakening maken komt kunst alleen maar ten goede.

De ‘staat’

Het klopt dat ik zelden spreek in termen van ‘de staat’ als het over de publieke organisatie van onze samenleving gaat. Het staatsbegrip heeft doorheen de vorige twee eeuwen een sterke nationalistische connotatie, en die conceptie in natiestaten doet in tijden van globalisering onrecht aan de sociaaleconomische samenwerkingen waarvan de assen dikwijls dwars over de landsgrenzen lopen. Voor de oude Marx is onze openbare huishouding een collectieve aangelegenheid, zonder dat daar een staat voor nodig is. Een staat is in het Westen ook steeds een klassenstaat en dus een instrument van het establishment.

Vandaar dat ik eerder over de openbare organisatie van onze samenleving praat. Hoe we die kunnen heruitvinden, dat is vandaag één van de grote uitdagingen. Tenzij we terug willen naar een premoderne samenleving, zullen we onze sociaaleconomische houding toch structureel moeten aanpakken. Zoals gezegd, deel ik de vrees van Beyst voor de autoritaire staat.

Dat Beyst een kunstenaar als Jonas Staal de artistieke vrijheid ontzegt om daar hands-on mee te experimenteren, is jammer. Deze kunstenaar zijn projecten over de Stateless state, bijvoorbeeld in Rojava, zijn bijzonder leerrijk. Niet in het minst voor een iemand als Beyst die zich duidelijk zorgen maakt over dit thema. Waarom de kunstenaar zijn kunstenaarschap ontzeggen als die iets maatschappelijk relevant wil en kan doen? Mag een kunstenaar alleen ironisch zijn? Is het geen kunst meer zodra een kunstenaar zich brandt aan de realiteit? Is het trouwens aan de kunstcriticus om van de zijlijn te bepalen wat wel en geen kunst is?

Het ‘monopolie van de staat’?

Volgens Beyst is vermarkting een goeie zaak want het komt neer op: ‘de overheid die zijn monopolie opgeeft’. Heeft de overheid vandaag dan een monopolie? Dat doet de werkelijkheid geweld aan: de huidige situatie is er een van ‘en-en’. Naast de gesubsidieerde organisaties is er de kunstmarkt, de muziekindustrie, de amusementsindustrie, er zijn private initiatieven.

In zijn misleidende retoriek laat minister Gatz het uitschijnen dat zijn vermarktingspolitiek alleen maar een ‘en-en’ situatie beoogt, geen totale uitverkoop. ‘Kunst is te belangrijk om een exclusieve bevoegdheid van de overheid alleen te zijn. Kunst is van en voor ons allemaal.’, zo klinkt het in de visienota (en ook uit de mond van Jo Libeer (voka) in de commerciële media). Maar dat is dus beschamend volksbedrog: Gatz wil de huidige toestand van ‘en-en’ net ontmantelen en de private belangen méér armslag geven.

Hij wil de openbare cultuursector die doorheen de jaren met veel zorg en gemeenschapsgeld is opgebouwd als een wingewest open verklaren. Ik voer dus geen pleidooi voor ‘het monopolie van de staat’ maar wil de ontmanteling bestrijden van wat de laatste decennia is opgebouwd.

Veelzijdige vermarkting

Het klopt dat de vermarkting een veelzijdig fenomeen is, ook in het geval van kunst en cultuur. Het gaat om de amusementsindustrie, de kunstmarkt, de oprukkende creatieve industrie die steeds meer verwacht van de kunstwereld. Het gaat om een toenemende commerciële ingesteldheid van kunsthuizen en kunstenaars, het kopiëren van een bedrijfslogica inclusief de klassieke marketingmodellen.

Daarnaast gaat het om de privatisering (‘de uitverkoop’). Beyst ziet in dit alles een problematische semantische verknoping, maar het is nu eenmaal een veelzijdig fenomeen. Privatiseren zou ik bijvoorbeeld niet ‘vermarkting’ mogen noemen want privaat initiatief kan evengoed niét vanuit marktmotieven vertrekken. Dat klopt, maar ik heb het dus over die privatisering die wél neerkomt op vermarkting, met name als de niet-artistieke zakelijkheid die het overneemt.

 Uit zijn semantische analyse blijkt dus dat Beyst het probleem onderschat. Ik zou de vermarkting van publieke instellingen ook geen ‘vermarkting’ mogen noemen, want de ‘overheid is nooit winstgericht, het gaat hooguit om meer middelen voor bijvoorbeeld de collecties’. Op die manier mag je bijvoorbeeld een universiteit die naar de beurs trekt, geen marktconform bestuur verwijten. Cultuurhuizen die zich als bedrijven gaan gedragen – koppelverkoop, product placement, intensieve reclamecampagne inzake de merknaam – mag geen vermarkting heten want daarmee willen die huizen alleen maar aan ‘rendementscriteria’ voldoen? Het zou slechts om ‘manager’s speak’ gaan, alsof het maar een kwestie van de gehanteerde taal is? Dat klinkt sterk naar ontkenning.

En geen winstoogmerk? Hoeveel spin-offs en obscure ondernemingsstructuren worden er niet rond grote instellingen opgericht waar het wel degelijk draait om winst? Hoeveel van zo’n satellieten – om het woord parasieten dan maar te vermijden – hangen er niet rond instellingen als Tate in Londen en Moma New York? Waartoe dienen dan die organisaties die bijvoorbeeld Jo Libeer en zijn vrienden zo vlijtig oprichten bijvoorbeeld rond Festival van Vlaanderen of vzw Brussels Philharmonic? Al die fiscale instrumenten – taxshelters en wetgeving rond crowdfunding – zijn verdienmodellen op kap van de maatschappelijke dienstverlening. De staat als melkkoe. 

Interpretatieverschillen

 

Markt en staat

In het discours van kunstcriticus Beyst vinden we een radicaal liberale interpretatie terug van onze maatschappelijke huishouding. Die interpretatie berust op drie foute vooronderstellingen. Ten eerste, de simplistische tweedeling tussen markt en staat. Alsof er alleen die dichotomie is, niets ertussen. Waar is de civiele samenleving dan naartoe? Niet ik, maar Beyst rekt het begrip markt uit voorbij elke denkbare grens.

Waarom is elke intermenselijke ruil of samenwerking meteen ‘markt’? Zo’n voorstelling van zaken is een klassiek eufemisme waarmee liberalen de marktwerking van een onschuldig en gedienstig imago willen voorzien. Bovendien zijn er vele vormen van ‘markt’. De economische organisatie inzake levensmiddelen voor de industrialisatie – denk aan de markt op het Middeleeuwse dorpsplein – is wel van een heel andere orde dan de huidige kapitalistische constructie met multinationals die samen met hun politiek personeel oorlog voeren met het oog op monopolies en beleggersfondsen die als aasgieren de reële economie de grond in gokken.

Liberalen grijpen natuurlijk graag terug naar die naïeve voorstelling van de pre-industriële markt om hun wereldbeeld te legitimeren in een tijd die er helemaal anders uitziet. Ze keren daarmee terug naar de 18de eeuw van Adam Smith.

Maar ook deze filosoof houdt er wel een heel geïdealiseerde en gedateerde versie van de markt op na, die alleen mogelijk is binnen een uitgesproken sociaal en moreel kader. Hij stelt zich de markt voor als een marktplein waarop verschillende producenten naar best vermogen dingen om de gunst van de klant. Kopers en verkopers zouden vrije toegang tot de markt hebben en ook vrijwillig tot onderhandelen overgaan.

Dat betekent dat iedereen binnen deze markt vrij zou zijn van noodzaak, waardoor we enigszins gevrijwaard blijven van uitbuiting. Dat betekent ook dat we allemaal effectief over de nodige middelen beschikken en dus in staat zijn vrij te onderhandelen. ‘Wie hard en eerlijk werkt, wordt rijk’, is dan de aanname.

Uit The Theory of Moral Sentiments (1759), het boek dat Smith voorafgaand aan The Wealth of Nations (1776) schreef, blijkt tevens dat Smith er vanuit gaat dat elke mens zich laat leiden door gevoelens van medelijden, sympathie en wederkerig begrip. Het functioneren van de markt, zoals Smith die ziet, vereist dus een sociale en rechtvaardige ingesteldheid van ‘morele wezens’. Ethiek wordt dus voorondersteld, en zo kan je de marktwerking natuurlijk in alle onschuld idealiseren.

Niettegenstaande is de naïeve metafoor van de wekelijkse, o zo sympathieke dorpsmarkt helaas lichtjaren verwijderd van onze neoliberale wereld waarin multinationals en hun lobbyapparaat regeren. Neem de zaak Victor in Big Pharmaland: Alexion Pharma Belgium kwam in de zomer van 2013 in een mediastorm terecht toen bleek dat het farmaceutisch bedrijf het doodzieke jongetje Viktor misbruikte om terugbetaling voor haar geneesmiddel Soliris af te dwingen. Dat geneesmiddel is met voorsprong het duurste ter wereld en terugbetaling via de ziekteverzekering kost de maatschappij handenvol geld. En wie kreeg de zwarte piet? Juist, de overheid, omdat ze het zover had laten komen.

Deze chantage is slechts één van de vele excessen die tonen dat multinationals (dewelke ontsnappen aan staatscontrole, staten tegen elkaar uitspelen als dienaars, etc.) zich boven wet en moraal wanen, zich door de moordende concurrentie zelfs als psychopaten gedragen. Maar, let wel, voor Smith zou een strenge wetgevende overheid vandaag niet snel genoeg van kracht kunnen zijn. In dit geval: ‘de staat’, niet als spook maar als garantie op rechtvaardigheid.

Ook de wurggreep op de reële economie door de woeker aan financiële luchtkastelen zou niet op zijn genade kunnen rekenen. Smith koesterde reeds een natuurlijk wantrouwen tegenover wat hij ‘de derde klasse’ noemde: zij die in tegenstelling tot de handelaar en de producent door en voor de winst leven. U denkt er de professionele kunstmarkt maar zelf even bij.

Hij waarschuwde ons er zelfs eeuwen geleden al voor dat de leden van deze klasse, de financiële elite dus, samen een machtsblok kunnen vormen dat hen in staat stelt staten te manipuleren in hun voordeel. Smith zou bijgevolg vrijwel zeker fel gekant zijn tegen de internationale vrijhandelsakkoorden (zoals CETA en TTIP) die vandaag in stelling worden gebracht om de wetgeving van ‘natiestaten’ (om het woord dan nu wel veel te gebruiken…), die moet dienen om onze burgerlijke vrijheden te beschermen, buiten spel te zetten in het belang van winstbejag.

Kortom, vergeleken met de Vader van het liberalisme is het hedendaagse neoliberale establishment bijzonder radicaal. Het gaat hier dan ook niet langer om een geloofskwestie maar om cynisme: het marktfundamentalisme kantelt in een machtsabsolutisme. Het draait slechts nog om het verdedigen van de verworven privileges, andere mensen mogen doodvallen in vluchtelingenkampen, het klimaat mag ontploffen, kerncentrales mogen scheuren.

Als Beyst zich in de lijn van het klassieke liberalisme wil inschrijven, hoe gaat hij dit radicalisme dan vermijden? Is het dan niet aangewezen dat hij ook mee de strijd vervoegt tegen de afbraakpolitiek van wat we samen in de vorige decennia collectief hebben opgebouwd?

Beyst hanteert daarentegen argumenten pro markt waarvan ik in het boek al besprak waarom die niet opgaan, die hoef ik hier dus niet te herhalen (Hoofdstuk 5). Ik bespreek ook een aantal structurele problemen in Hoofdstuk 6 (neoliberale bureaucratie, afvlakkingseffect van de markt, monopolievorming, de bemiddelde klasse als bemiddelende klasse van wat als kunst aan bod kan komen, de nefaste meritocratie voor cultuurwerkers die in sociaaleconomisch opzicht letterlijk ziekmakend is…). Het zou mij interesseren wat zijn mening hierover is.

Economie is niet alleen markt

Mijn pleidooi om kunst en cultuur op de vermarkting te heroveren, betekent geenszins dat we ze dan maar moeten onderbrengen bij een autoritaire staat. Laat duizend bloemen bloeien, in de eerste plaats in de brede civiele samenleving. Een tweede foute vooronderstelling in dit verband is de zoiets als economie eigenlijk per definitie neerkomt op ‘de vrije markt’. Is de overheid slechts een apparaat dat daar wat boven zweeft (en erop teert)? N-VA en Open VLD willen ons dat graag doen geloven.

Maar er zijn natuurlijk verschillende vormen van economie en ‘de overheid’ in al zijn concrete vormen is zelf evenzeer economie. Vandaag is de overheid zelfs de grootste werkgever, de belangrijkste producent van innovatie, onderzoek en ontwikkeling, de grootste dienstverlener in de zorg, onderwijs, ruimtelijke ordening, recht, cultuur… In tegenstelling tot wat Beyst beweert, is niet de markt maar de overheid de grote innovator. Ook wat ‘de staat’ heet – we wezen er al op – is in wezen een veelheid van mogelijke organisatievormen van onze sociaaleconomische huishouding. Op dat punt moeten we vandaag creatief aan de slag gaan, met het oog op vermaatschappelijking.

Volgens Beyst is er maar een echte betekenis van vermarkting, namelijk als het gaat om kopen en verkopen van ‘koopwaar’. Elk onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde – toch een onderscheid waar ik in mijn boek regelmatig op terugkom – is compleet afwezig. En laat dat nu net het probleem zijn van de vermarkting: ruilwaarde neemt het over van gebruikswaarde.

Daar heb je natuurlijk weinig oog voor als je zoals Beyst denkt dat de ‘opkomst van wals, flamenco, tango en fado, het Franse chanson, Jazz, rock en pop’ als diversiteit een verdienste is van de markt. Als je bovendien uit een handboek Westerse kunstgeschiedenis meent te kunnen afleiden dat er in de feodale tijd alleen religieuze kunst was – geen volkskunst, géén diversiteit aan artistieke uitingen –en dat het brede scala van kunstontwikkelingen een gevolg zijn van de opkomst van de markt, dan zou je voor minder de markt te vriend willen houden. Kan je dan bijvoorbeeld de vermeende monocultuur van religieuze kunst op conto van ‘de staat’ afschrijven in een periode dat een modern staatsbegrip nog niet aan de orde was?

Een tweede probleem: als je elke ruil als ‘markt’ opvat, reduceer je de overheid al meteen tot één speler op die markt, en ontzeg je haar dus haar economische identiteit. Als ik via inschrijvingsgeld bijdraag aan een opleiding, is het dan wel correct dat zonder meer als een ‘aankoop’ op te vatten? Is een toegangsticket voor een publiek museum dan meteen hetzelfde als een drankje uit een automaat draaien in datzelfde museum? Is een uitwisseling tussen overheidsinstellingen ook ‘markt’? Meer nuance is aangewezen.

Smith verdedigde een moderne economische organisatie – arbeidsverdeling, meer toegang voor particuliere spelers – in een tijd waarin het ancien regime op terugweg was. De oude adellijke privilegestructuur maakte een ‘vrije’ economie inderdaad onmogelijk. Latere liberale denkers, zoals Hayek en Friedman, recycleren die argwaan tegen ‘het regime’ en ‘het staatsapparaat’ om een herverdelende sociale overheid klein te krijgen of te houden en de vrije markt het monopolie te geven als organisator van het maatschappelijke leven.

Maar afgezien van het feit dat zoiets als een vrije markt een illusie is – want volop gestuurd en doordrongen van uitsluitingsmechanismen – schept die vrije markt meer onvrijheid dan vrijheid. Vrijheid als privilege. Het is de ondertitel van het boek De paradox van Hayek (2014) waarin socioloog Jan Blommaert en de filosoof Karim Zahidi in detail uitleggen dat de economische vrijheid die het neoliberalisme vooropstelt bovenal ongelijkheid vereist. Het paradoxale aan het vrijheidsbegrip van de hogepriesters van het neoliberalisme, zoals Hayek en Friedman, is dat het in een vliegende vaart op de onvrijheid van de meeste mensen aanstuurt.

Laten we die analyse zelf even toelichten, want het is in dat vaarwater dat Beyst terecht komt. Toen in 1919 adellijke titels in Oostenrijk verboden werden, zag de filosoof Friedrich von Hayek op twintigjarige leeftijd zijn achternaam plots bij wet veranderd in kortweg ‘Hayek’. Prettig zal hij dat niet gevonden hebben. Zijn klassieker The Road to Serfdom verscheen in 1944.

Het is dus niet zo verwonderlijk dat wanneer hij tijdens de Tweede Wereldoorlog de afweging maakte tussen het liberale vrijheidsprincipe (vrijheid van dwang) en het socialistische (vrijheid van noodzaak, om zo vrijheid mogelijk te maken voor iedereen) voor het eerste kiest, ook al impliceert deze ieder-voor-zich dus onvermijdelijk ongelijkheid. Hayek gaat er immers vanuit dat een maatschappij die zich richt op een collectief doel sowieso afglijdt naar een totalitair regime, naar ‘slavernij’. Openbare dienstverlening? Het zou meteen een hellend vlak richting dictatuur zijn. Tabula rasa van elke publieke orde onder democratische controle dan maar?

De markt biedt aldus Hayek de zaligmakende oplossing omdat ook hij die opvat als een louter formeel uitwisselingsmechanisme dat individuen in staat stelt te leven volgens hun eigen waarden en doelen. Hij heeft het daarbij vooral over de vrijheid om bezit te vergaren, wat meteen ook de voorwaarde tot uitbuiting is en winst garandeert. Het is de vrijheid om niet te moeten delen of te mogen afnemen van wat anderen toekomt. De overheid mag daarom slechts een hulpverlener van de markt zijn, want alleen economische vrijheid zou zogezegd individuele en politieke vrijheid garanderen.

De tirannie van het marktdenken en de oligarchie van ‘het grootbedrijf’, zoals ze het establishment in Nederland soms noemen, Hayek piept er niet over. Neoliberalisme laat mensen natuurlijk helemaal niet vrij in het bepalen van hun waarden en doelen, want winst maken is het allesbepalende doel. De weldaad zal daarna wel vanzelf neerdwarrelen.

De markt is natuurlijk helemaal geen puur formeel mechanisme, wel een dwingend moreel systeem dat op individualisme en competitie aanstuurt en uiteindelijk slechts één criterium van maatschappelijk geluk hanteert: financieel succes. Dat is de bekende doel-middel omkering. In een poging te ontkomen aan het schrikbeeld van de staatsterreur die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog zo vreesde, kiest Hayek dus voor de oorlog van allen tegen allen, die van de markt, waarin rationeel zijn zoveel betekent als de ander wantrouwen en manipulatiestrategieën ontwikkelen. Egoïsme onderdrukken zou gewoon dom zijn, want wederkerigheid is binnen de winstgerichte markt slechts interessant voor zover het kan worden misbruikt. Maar is dat dan geen barbarij?

Samengevat, de Hayekiaan die het eerste gebod van zijn geloof wil volgen ­– vrijheid van dwang – zal de leer derhalve afvallig moeten zijn en daarentegen socialer moeten leren denken. Ofte: hoe he socialisme onvermijdelijk is om de idealen van het liberalisme mogelijk te maken. Hoe gaat Beyst met die inconsistentie om?

19de eeuwse opvatting over herverdeling

De laatste foutieve vooronderstelling brengt ons naar het hart van de ideologische strijd die vandaag loopt. Het wereldbeeld van Open VLD en N-VA: de markt is een rechtvaardige en bewonderingswaardige bedrijvigheid die iedereen vooruit brengt, als je maar hard genoeg wil. Het is slechts een kwestie van ‘verantwoordelijkheid’ nemen, alsof de krachtsverhoudingen van het kapitalisme niet bestaan. De stoute socialisten willen natuurlijk alleen maar geld afpakken van ‘de productieven’ en dat aan de ‘onproductieven’ geven. De staat: dat komt voor hen neer op schulden maken op de kap van ‘de werkende mensen’. ‘We kunnen ze niet blijven uitgeven, dat weet elke huisvader wel.’

De grote leugen in dit 19de eeuwse denken over herverdeling is dat de markt natuurlijk zelf een gigantische herverdeling organiseert van arm naar rijk, van de werkende klasse naar de klasse die leeft van eigendom en beleggingen. Daar hoor je N-VA en Open VLD vanzelfsprekend nooit over. Zoiets als uitbuiting lijkt voor rechts niet te bestaan, het is iets van het verleden, in tegenstelling tot de sociale fraude.

Nee, het is volgens hen andersom: ‘de productieven’ offeren zich op en zij doen ook nog eens aan naastenliefde, zoals emir Huts ook met zijn kunstcollecties ‘ook wat wil terugdoen voor de maatschappij’ … niet de werknemer maar de bedrijfsleiders en aandeelhouders betalen volgens hen de heffingen op werk en productie, alsof alleen CEO’s een onderneming doen draaien. Het zijn de waanbeelden waarmee de anti-communiste Ayn Rand in de VS carrière maakte: ‘Greed is Good’!

De sociale herverdeling door een ‘verzorgingsstaat’ functioneert als een correctie op die uitbuitende markt, en die kwam er in tijden van Koude Oorlog, door de dreiging van ‘het rode gevaar’. Verzorgingsstaat: dat is dus een democratische herverdeling van een hoogst ongelijke private verdeling. Neoliberalen zetten daarentegen hard in op wat we een ‘contrareformatie’ kunnen noemen: de sociaal verdelende overheid die een hele traditie van brede dienstverlening heeft uitgebouwd moet nu gebruikt worden om opnieuw een herverdeling mogelijk te maken van een derde orde: een herverdeling van de gemeenschap naar de kapitaalkrachtigen, via belastingvrijstellingen, fiscale hefbomen, transfers van steun voor zorg en cultuur naar steun voor bedrijven, etc. Van Overtveldt is pas boos als de EU zegt dat multinationals ten onrechte belastingen hebben ontdoken in België, dan gaat N-VA zich met de Vlaamse borst vooruit flink verzetten… kracht van verandering.

Naar het voorbeeld van Hayek schreef de econoom Milton Friedman twee decennia later zijn klassieker Capitalism and Freedom (1962). Volgens dit pleidooi voor economische vrijheid zou de markt altijd werken en alleen de markt zou werken. (Opnieuw: de primaire herverdeling van de markt van arm naar rijk bestaat niet in dit wereldbeeld.) De concentratie van politieke macht, dat is volgens Friedman het grote gevaar. Alleen als de markt vrij is, vermijden we dat een regering in een Frankenstein verandert.

Zelfs de democratie moet maar even een stapje opzij als de belangen van de markt op het spel staan. Herkenbaar, als we terugblikken op 2015 waar de hold-up op Griekenland toch het belangrijkste politieke evenement was? Maar door economische vrijheid als de garantie voor politieke vrijheid voor te stellen, lijkt het plots alsof economische machtsconcentraties onproblematisch, zelfs uitgesloten zijn.

Wie dat gelooft, leeft wel in een platte wereld, eentje waarbij de zon rond de aarde draait. Meer nog: het maakt net de weg vrij voor een oncontroleerbare, onbeperkte opbouw aan economische macht op conto van het openbare leven.

Friedman creëerde dus vooral een handige ideologische dekmantel voor kapitaalaccumulatie door multinationals en funds. We weten ondertussen tot wat dat leidt. Is het niet ontstellend dat er na de bankencrisis niemand in de gevangenis vloog? Maar o wee de steuntrekker die wat bijklust in het zwart zodat zijn gezin kan rondkomen. Los van deze dubbele moraal, wezen we al op het gevaar van monopolies, vervreemding, uitbuiting, verspilling, vervuiling, instabiliteit en roofbouw op de natuur.

Voeg daar inzake innovatie de nijpende rem bij op vrij verkeer van informatie en kennis, vanwege patentrecht, fabrieksgeheimen en andere commerciële belangen. Of het feit dat alleen marktgericht onderzoek op financiering kan rekenen. Het legt zo treffend de pathologie van onze tijd bloot: er gaat zoveel meer studiewerk naar de smaak van tandpasta dan naar een levensbedreigende tropische ziekte, want daar is geen lucratieve markt voor. Toen de regering van Zuid-Afrika besliste om zelf aidsremmers aan te maken om ze goedkoop te kunnen aanbieden, trok Big Pharma naar de rechtbank. De eerste aanval van het ebolavirus dateert van 1976. Pas na veertig jaar, nu het virus een bedreiging voor het Westen vormt en er dus een massamarkt voor is, wordt er geïnvesteerd om een vaccin te ontwikkelen.

Mijn vraag: hoe kan Beyst ervoor zorgen dat zijn pleidooi voor méér markt ons niet bij Friedman doet eindigen? Het is natuurlijk wel handig, die neoliberale logica. Ze schept duidelijkheid in postmoderne tijden: eigenlijk was er geen probleem of Friedman gaf de overheid er de schuld van. En steeds zag hij de markt als oplossing. Werkloosheid? Schaf het minimumloon af. Natuurramp? Laat private organisaties de hulp organiseren. Slechte scholen? Privatiseer het onderwijs. Dure zorg? Privatiseer en schaf inspectie af. Drugsmisbruik? Legaliseren maar. Beyst hanteert helaas hetzelfde schema: crisis van de kunst? Schuld van de staat en de overheidssubsidies. Een ideologische analyse van de tijdsgeest is de grote olifant in zijn salon. Beyst zit aan tafel bij TINA: het kapitalisme is een deugd (alle verdiensten van wetenschap en technologie worden al meteen als verdiensten van het kapitalisme opgevat) en ‘het is maar de vraag of er wel remedies zijn voor de kwalen van dat kapitalisme’.

Als een poppetje dat werd opgedraaid met dezelfde veer, publiceerde Van Overtveldt voor hij minister was de ene column na de andere volgens hetzelfde schema: Vadertje staat is de boeman. (En de vakbonden natuurlijk, dat is de dada van die andere hoofdredacteur, Bart Sturtewagen. Wanneer stapt die over naar N-VA?)

Maar Van Overtveldt zijn idool Friedman maakt zoals Hayek eigenhandig de weg vrij voor wat ze alvast op papier het meeste vrezen: economische terugval en de ontwikkeling van machtsconcentraties, die weliswaar via hun economische macht de politiek als een paardenmolen naar hun hand zetten. Machtsconcentraties die geen bal inzitten met de artistieke waarde van kunst en cultuur, met de kwetsbaarheid van cultuuremancipatie en kunsttradities die we samen doorheen de jaren met zoveel zorg hebben opgebouwd. Nee, zolang het maar om hun kunst gaat, kunst die hen op een sokkel zet. Zolang ze er maar op verdienen en hun waarden kunnen promoten. Desondanks denkt Beyst dat het in het geval van privaat mecenaat om de brede bevolking gaat, niet om een elite die eenzijdig haar belangen opdringt.

Niet onbelangrijk: deze blinde vlek voor de gevaren van de markt bij Friedman komt omdat ook hij vertrekt vanuit een geïdealiseerde versie van de markt. Hij was zich daar overigens wel bewust van, ten minste, hij sprak erover om het imago te wekken dat hij toch geen dogmaticus was. Die geïdealiseerde versie kwamen we ook bij Smith al tegen: het zou om ruilhandel gaan waar iedereen vrijwillig aan kan deelnemen, vrij van noodzaak.[2]

Welnu, opmerkelijk is wel dat de romantiek van zijn wereldbeeld gestoeld is op een communistisch fantasma van vrije en gelijke mensen onder elkaar. Daarmee geven de profeten van de marktlogica eigenlijk onbewust zelf aan dat socialisme noodzakelijk is: ze veronderstellen het om hun verhaal rond te krijgen! In de echte wereld verloopt het weliswaar anders en zo komt het dat marktfundamentalisten zelf hun gedroomde progressieve toekomst van een rechtvaardige en voortvarende maatschappij op slot draaien.

Dwangmatig optimisme is dan de enige houvast. Want het belangrijkste voordeel aan de artificiële extase van positivo’s is dat twijfel of kritiek geen kans krijgen. De ander is een zwartkijker, hanteert misleidende stemmingmakerij, weigert te erkennen dat er toch ook zoveel goed gaat vandaag. Het komt neer op de droefgeestigheid van de cliniclown, genre Gwendolyn Rutten.

‘Maar het klopt toch dat we vandaag minder elkaars kop inslaan?’, hoor je dan. Dat goedkope optimisme – denk aan de pathos uit de reclame – vinden we tot mijn verbazing ook terug bij een doorwinterde scepticus als Beyst. Even serieus nu: met de enorme toename van technologie en wetenschap zou het er nog aan mankeren dat we inzake gezondheid en direct fysisch geweld niet een paar zaken beter doen dan in de middeleeuwen. Maar is het niet pijnlijk om te merken dat we door winstbejag en egoïsme – greed is good – vandaag met een economisch systeem zitten waarmee we zoveel mensen onrecht aandoen, zoveel wat opgebouwd is, vernietigen? Dat we het voortbestaan van onze planeet en onszelf gewoon mee laten opnemen in het risicomanagement van enkele grote vermogens? ‘We gaan toch niet protesteren zeker, zolang wij in ruil maar wat comfort krijgen op korte termijn?’, dat lijkt een beetje de baseline van zoveel Vlaamse burgerlijke apathie te zijn.

Wie de moeite neemt om die discussie te openen, zoals ik dat probeer in mijn boek, komt onvermijdelijk mensen tegen op zijn pad die dit willen ‘ontmaskeren’ als een ideologische charge, zoals Beyst. Hij wil de kunst angstvallig binnen de comfortzone houden waar we ze los van de maatschappij in haar schoonheid kunnen genieten, waar we kunnen contempleren over haar verheffende sacrale karakter, zo subliem alweer, waar we ons dan in een ontkerstende wereld aan kunnen vastklampen als aan een zinkende boei. Schoonheid en troost, weet je wel. Gelukkig hebben we de kunst nog…

Ook dat is op zich geen probleem natuurlijk, ik heb die troost ook nodig, zolang kunst ook iets anders mag zijn. En zolang we dat via cultuurpolitieke betogen mogen verdedigen, zolang we de uitverkoop mogen bestrijden, en zolang kunstkritiek ook de maatschappij waar kunst toch deel vanuit maakt, mee in overweging mag nemen. Daar is het mij dus om te doen.

Ik hoop in een verdienstelijke criticus en groot kunstliefhebber als Stefaan Beyst ooit een medestander te vinden, want we delen au fond wel dezelfde bezorgdheden.

 

Robrecht Vanderbeeken

 [1] Adam Smith (1723-1790) benadrukte in zijn klassieker The Wealth of Nations (1776) hoe belangrijk het is dat de overheid een aantal diensten onder haar bevoegdheid neemt. Zoals justitie, het leger en cultuureducatie. Smith wist als grondlegger van de theorie van arbeidsverdeling immers zeer goed hoe vervreemdend bijvoorbeeld werk aan de lopende band kan zijn: In the progress of division of labour, the employment […] of the great body of people, comes to be confined to a few very simple operations […] The man who’s whole life is spent in performing a few simple operations, of which the effects too are, perhaps, always the same, or very nearly the same, has no occasion to exert his understanding, or to exercise his invention in finding out expedients for removing difficulties which never occur. He […] becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human being to become. His […] dexterity at his own trade seems, in this manner, to be acquired at the expense of his intellectual, social, and martial virtues. But […] this is the state into which the labouring poor, that is the great body of the people, must necessarily fall, unless government takes some pains to prevent it. […] necessary in order to prevent the almost entire corruption and degeneracy of the great body of people. – Boek V, The Wealth of Nations,- p. 429.

[2] Een ‘free enterprise exchange economy’ ziet er aldus Friedman in zijn simpelste vorm als volgt uit: “such a society consists of a number of households – a collection of Robinson Crusoes as it were. Each household uses the resources it controls to produce goods and services that it exchanges for goods and services by other households, on terms mutually acceptable to the two parties to the bargain. It is thereby enabled to satisfy its wants indirectly by producing goods and services for others, rather than directly producing goods and services for its own immediate use. […] Since the household always has the alternative of producing directly for itself, it need not enter into any exchange unless it benefits from it. Co-operation is thereby achieved without coercion.”Capitalism and Freedom, p. 13.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!