De economische schade van geweld en militaire uitgaven

Zopas publiceerde het Institute for Economics and Peace (IEP) het jaarlijkse "Global Peace Index"-rapport dat de graad van vrede per land probeert te meten met inbreng van experten op vlak van vrede en economie. België scoort veertiende op de ranglijst van deze Global Peace Index. Vorig jaar stond België nog op de zevende plaats. Bovenaan prijken IJsland, Denemarken en Oostenrijk. Onderaan bengelen, weinig verwonderlijk, Afghanistan, Irak en Syrië.

donderdag 18 juni 2015 11:39

Hoewel de Global Peace Index (GPI) een verdienstelijke poging is om aan de
hand van 23 indicatoren de mate van vrede te meten in elk land, kampt ze
met nogal wat methodologische problemen. Dat is bijvoorbeeld het geval
voor het gewicht van elke indicator ten opzichte van het totaal. Zo
vertegenwoordigen wapenexport en militaire uitgaven respectievelijk 3,9%
en 2,6% van de totale index, terwijl de kans op het uitbreken van
gewelddadige betogingen op 4% in de index is opgenomen. Nucleaire en
andere zware wapens (3,9%) wegen minder zwaar door dan het percentage
politie- en veiligheidsdiensten (4%) van een land.

Voorts ontbreken er
factoren die je kan onderbrengen onder de noemer structureel
economisch geweld, zoals de internationale gevolgen van het Europees
landbouwbeleid op de voedselveiligheid, de praktijken van multinationals
in het buitenland, de grondstoffenroof, kinderarbeid,…. Bij de
milieufactoren zou de bijdrage in de klimaatwijzigingen (die op zich
grote veiligheidsgevolgen hebben) een plaats mogen krijgen. Terwijl het
percentage vluchtelingen is opgenomen, is dat niet het geval voor de
behandeling en opvang van vluchtelingen, enz.

Of nog, wat met de
historische gevolgen van ons handelen? Als Irak de voorlaatste plaats
bezet en Groot-Brittannië de negenendertigste plaats, dan roept dit de
nodige vragen op. Groot-Brittannië heeft met zijn koloniaal verleden en
zijn militaire agressie tegen het land in 2003 (zonder VN-mandaat en aan
de zijde van de VS) het land naar de chaos geleid waarin het zich
vandaag bevindt. Irak is niet het slachtoffer van een natuurramp, maar
is instabiel gemaakt, terwijl de verantwoordelijken er in deze index
relatief goedkoop mee wegkomen.

Prijskaartje

Het is waarschijnlijk een onmogelijke opgave om de perfecte
vredesindicator op te stellen. Toch schuilt er een educatieve
waarde in de GPI. Zoals de vaststelling dat er een enorm prijskaartje
hangt aan geweld. Het rapport schat die op 14,3 biljoen dollar of 13,4%
van het wereldwijde BNP. Sinds 2008 is de wereldwijde economische impact
van geweld met 15 procent gestegen: er zijn meer burgeroorlogen en meer
oorlogsvluchtelingen. In België bedraagt de economische impact van
geweld volgens het rapport 20 miljard euro. Of die cijfers een voldoende
exacte berekening zijn, is minder belangrijk dan de vaststelling dat
militarisering en geweld de economie veel schade berokkent.

De bezieler van de GPI, de Nieuw-Zeelander Steve Killelea, is
overigens een succesvol ondernemer. Dat verklaart wellicht de grote
aandacht voor de economische impact van het geweld in het rapport. In
een interview met De Standaard (18/06) zegt hij dat geweldsuitgaven zeer
onproductief zijn: “Als je een straaljager of een oorlogsschip koopt,
hoop je dat dat nooit gebruikt wordt. Dat is geen productieve uitgave.
Het geld voor dat vliegtuig of dat schip zou je ook productiever kunnen
inzetten, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, het onderwijs of
infrastructuur. Of je kan het als kapitaal beschikbaar stellen aan
investeerders die er economische activiteiten mee financieren.” De
regeringsplannen om onze militaire uitgaven drastisch te verhogen zullen
ons land ongetwijfeld een aantal plaatsen lager doen scoren op de GPI.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!