Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan

Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan

vrijdag 27 februari 2015 17:51

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs trekt
75 miljoen euro uit om een paar ambachten voor uitsterven te
behoeden
: schoenmakers, hoefsmeden, schoenlappers, glazeniers…
Grappig. Al deze ambachten zijn gericht op het behoud van producten,
terwijl onze economie er juist op gericht is steeds nieuwe aankopen
te doen. Een bekende stadsmythe luidt dat producten, met als
typevoorbeeld de gloeilamp, er zelfs op zijn gemaakt om sneller te
verslijten dan technisch nodig is.

Een schoenmaker verlengt door de reparatie van een zool of hak de
levensduur van het kostbare leer dat onze voeten omhult – en
waarvoor we, inmiddels alle dagen van de week, ook in zogeheten
koopgoten, vervanging kunnen
dokken. Hoe ouderwets is dat? Er bestaat in dat kader zelfs een
spreekwoord, dat oud-Hollands mag heten: ‘Men
moet geen oude
schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft.’

Het
ambacht van glazenier doet dan weer verwijlen in jarenvijftigfilms,
van Bert Haanstra
. Toen de eerste uitstervingssymptomen zich
aandienden?

De
klacht dat mensen hun vak niet meer kennen, zou wel eens bijna zo oud
kunnen zijn als de wereld zelf. In de televisieserie
’t Schaep met de vijf poten zong
Leen
Jongewaard er
al uitgebreid over
:

Waar
vind je tegenwoordig nog een goede timmerman
Die wat zijn ogen zien met zijn handen maken kan
De hele samenleving wordt er zenuwachtig van
Waar
vind je tegenwoordig nog een goede timmerman

Zou voor deze kunde de schier Latijnse term
‘proletariaat’, klasse van bezitlozen, door bezitters zijn bedacht?
Om het feit weg te moffelen dat echt handwerk onmisbaar is en daarom
peperduur behoort te zijn? Richard Sennett
herinnert er in De cultuur van het
kapitalisme
aan dat juist in lagere
regionen de vrijheid toeneemt. Wie naadloos begrijpt en doet wat er
van hem verlangd wordt, verliest zijn autonomie, zegt hij. Een bevel
van een generaal moet steeds vrijer worden geïnterpreteerd naarmate
het daalt in de gelederen. Da’s nog eens een leuke betekenis van de
werkvertaling!

De
grap is natuurlijk ook dat uitgerekend een ogenschijnlijk
geformaliseerde omgeving als de bureaucratie vrijheden kan scheppen
voor ambtenaren, wier exegeses van de wet zo machtig kunnen zijn dat
de term ‘kafkaesk’
gratis hun deel werd. In hun relatief lage positie beschikken ze ook
over institutionele kennis, waarbij de ervaring heeft geleerd hoe
gesmeerd, of juist niet, een organisatie kan lopen. Vakmanschap dus,
Sennett noemt het de ethiek van de uitgestelde beloning.

Ik weet niet of handwerk te vergelijken valt met
denkwerk. Het Manifest
voor een Accelerationistische Politiek
onderscheidt
namelijk een cognitariaat. Daarin zou individuele creativiteit
zitten, die wel slinkt doordat de technologisering en de procedures
van de markteconomie hun beslag krijgen, ‘naarmate de algoritmische
automatisering zich een weg baant door de sferen van de affectieve en
intellectuele arbeid’.

Affectief en intellectueel dunkt me het handwerk
bij een slager. Ooit waagde ik te vragen hoe deze er toch altijd weer
in slaagt bijna exact de opgegeven zwaarte van een worst
af te knijpen. Dat blijkt een kwestie van een vooraf berekend aantal
keer rond de hand te wikkelen, met wat speling wegens de specifieke
dikte van de dienstdoende worst.

Zelfs
hardplastic visitekaartjes die in ruiten gestoken zijn van
autoportieren, blijken proeven van bekwaamheid. Ik werd althans voor
onnozel en naïef verklaard dat ik niet wist ‘dat dieven zo testen of
de ramen goed dicht zitten’. Gelukkig hebben wij geen auto.
Anderzijds heb ik zo’n kaartje gelezen. Er staat een telefoonnummer
op, wat mij voor een dief strategisch niet slim lijkt. Een garage
biedt in elk geval aan de desbetreffende auto te kopen, ‘cash,
sans contrôle technique ou accidentéé
’.

Ik
weet het niet. Zou er zoiets bestaan als een arcadische
beroepsfantasie? Als ik me probeer voor te stellen dat mijn kinderen
ooit iets ernstigs gaan doen, hoop ik dat het ‘iets met de handen’
wordt. Dat zal uit economische geruststelling zijn (een loodgieter
komt altijd van pas), maar ook omdat het me van bepaalde
beroepsinvullingen dun door de broek loopt.

Antropoloog
David Graeber had het grootste gelijk van de wereld
dat bepaalde
tijdsbestedingen te gênant voor woorden zijn, omdat de wereld er
geen enkel nut van ondervindt: CEO, lobbyist, telemarketeer, enz.
Maar goed, wat je kinderen doen (en welke partner ze ooit mee naar
huis brengen) is natuurlijk altijd dik in orde.

Ik
hoop wel dat minister Bussemaker haar cadeau niet inpakt in termen
van bijscholing, wegens lifelong learning. Zoiets geeft meteen
problemen bij ervaren en bekwame krachten doordat ze de waarde van
dikke woorden sneller in twijfel trekken en omdat hun zinvolle
kanttekeningen minder renderen dan die van jongeren die als ze geen
zin hebben om te plooien domweg elders hun heil zoeken.

Dit relativeert fameuze competenties als
‘ontwikkelingspotentieel’, ‘gretigheid om te leren’,
‘multifunctionaliteit’, ‘kritisch denkvermogen’, ‘stress- en
veranderingsbestendigheid’… Arme
spreekwoordelijke teamplayer. Geef
hem een hamer, beitel en een leest. En een apero van het huis.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!