Opinie - Dalilla Hermans

Ik ben het beu om te doen alsof het allemaal wel meevalt

'Na de pis, de hondendrol, de vliegende pinten, en al de rest, is dit de tijd in mijn leven waarin ik mij het racisme het hardst aantrek. Het deksel is van de beerput en de shit vliegt in het rond. En ik word stilaan wat ik nooit ben geweest en nooit wilde zijn: boos, achterdochtig, bitter soms.'

woensdag 17 december 2014 09:33

Mijn naam is
Dalilla Hermans. Dalilla, lekker exotisch, Hermans, oervlaams. Mijn
naam past perfect bij mij.

Geadopteerd, en
opgegroeid in een klein Kempisch dorpje door fantastische, blanke,
ouders.

Ik heb altijd
veel vrienden gehad. Ik was een populair kind, echt waar. En de
vriendinnen die ik had in de kleuterklas, zijn dat vandaag nog.
Onbezorgde jeugd, grote tuin, KSJ, tekenschool, muziekles,
logeerpartijtjes en vaak op vakantie. Ik mocht een rolletje spelen in
een kinderfilm, en ik zat ook op toneel en in de fanfare en op
dansles.

De middelbare
school ging me vlot af, bijna te vlot. Ik hoefde nooit te studeren,
ik versleet vriendjes aan de lopende band, en in het weekend gingen
we naar het jeugdhuis of naar de fuiven in de buurt. Ik werd leidster
en later hoofdleidster in de jeugdbeweging. Ik heb zelfs niet moeten
rebelleren tegen mijn ouders. Bij ons thuis was het de zoete inval,
iedereen kwam er graag.

Daarna ging ik op
kot, eerst in Gent en dan in Antwerpen. Dat hoger diploma is er
uiteindelijk niet van gekomen, maar ik heb me 4 jaar kostelijk
geamuseerd. Ik vond werk, leerde op eigen benen staan. Ik ben vaak op
reis geweest, heb een paar relaties gehad, heb een aantal historische
katers verwerkt, een aantal kapselflaters en een kleine
quarterlifecrisis (de lightversie, met vooral veel gebabbel,
sigaretten en nachtwinkelwijn op tweedehandszetels in studiootjes bij
vrienden thuis).

Nu ben ik
getrouwd met de liefde van mijn leven, en ik heb een zoontje, ben
zwanger van een dochtertje en we kochten net een huis. Oh ja, en ik
heb een geweldige job, die ik met passie doe en waarvoor ik genoeg
betaald word om tevreden te zijn.

Waarom deze lange
goednieuwsshow? Omdat ik een aantal dingen te vertellen heb. Maar
voor ik ze vertel wil ik dat het klaar en duidelijk is voor iedereen
dat ik geen klager ben, geen slachtoffer, geen zager. Ik ben een
gelukkig mens, een zondagskind.

Maar…

In de lagere
school waren er kinderen die niet op mijn verjaardagsfeestjes mochten
komen.

Er waren ouders
die hun kinderen expliciet verboden met mij en mijn zus te spelen.

Toen ik 14 was,
glipte ik uit mijn slaapkamerraam om stiekem naar een fuif in de
parochiezaal te gaan. Toen ik terug naar huis wilde vertrekken werd
ik omsingeld door een groepje skinheads. Ik werd heen en weer geduwd,
en enkele van hen hielden me vast terwijl een paar anderen op mij
plasten. Ik ging doorweekt naar huis, en liet een stuk van mijn ziel
en onschuld achter op de parking van die parochiezaal.

Een paar jaar
later, toen ik wel mocht uitgaan, kreeg ik geregeld volledige pinten
over me heen gekapt en zelfs glazen naar me gesmeten. Om van het
gescheld nog maar te zwijgen. Mijn stoere vriendinnen namen me in
bescherming, maar het gebeurde haast elke week wel eens.

Toen we
verhuisden vonden mijn ouders een hondendrol in de brievenbus. Ga
terug naar je eigen land.

Er waren
leerkrachten die suggereerden dat ik beter een beroepsopleiding zou
doen. Ik ben afgestudeerd in ASO zonder enige problemen.

Ik ben naar
schatting zo’n 20 keer tegengehouden door politie tussen mijn 16 en
20. Ik heb nog nooit iets gestolen, heb zelfs nooit een joint
gerookt.

Ik ben ooit uit
een bus gezet door een buschauffeur omdat ik een broodje aan het eten
was. ‘Wij’ moeten niet denken dat ‘we’ hier zomaar alles
mogen.

Toen ik 18 was
volgde ik rijlessen. De instructeur die ik had schreeuwde zo vaak
tegen me dat ‘mijn volk toch echt niet kan rijden’, dat ik het
ging geloven. Geen rijbewijs dus.

De lijst is lang,
de lijst wordt langer.

Toen er een
asielzoekerscentrum werd geopend in het dorpje waar ik opgroeide,
verscheen er (naast de goorste golf haatberichten op internet) een
nieuwjaarsbericht van een plaatselijk café in het lokale krantje dat
de asielzoekers een kutjaar toewenste.

Nog steeds krijg
ik blikken, of opmerkingen, of steekjes onder water, of willen mensen
niet naast me zitten.

Mijn kinderen
gaan dezelfde vragen aan mij stellen die ik vroeger aan mijn ouders
stelde. En mijn hart zal in duizend stukken breken de eerste keer ik
ze zal moeten uitleggen wat racisme is, en waarom die persoon dit of
dat zegt of doet. En ook zij zullen opgroeien met de mantra’s die
er bij mij van kleins af werden ingestampt: je moet erboven staan,
dat hoort er nu eenmaal bij, je zal altijd een beetje meer je best
moeten doen, die mensen weten niet beter…

Het is niet beter
aan het worden. Het is niet uit onze samenleving aan het groeien. Het
is een steeds groter probleem. Het is meer en meer voelbaar en
zichtbaar en alomtegenwoordig. En nu overstijgt het de straat, kan ik
de opborrelende woede niet meer sussen door te denken ‘het zijn
domme mensen, ze weten zelf niet beter’. Nu zit het gif in de raad
van bestuur van het centrum waar ik heen moet stappen als ik weer
iets mee zou maken. En het zat op de redactie van mijn favoriete
krant. En ik word er dagelijks mee rond mijn oren gekletst op sociale
media.

En het zit in de
regering.

Een
staatssecretaris die woorden als ‘kutmarrokaantjes’ in de mond
neemt… Een minister van Gelijke Kansen die beweert dat racisme
relatief is… En een regering van blanke mannen die dat allemaal oké
vinden.

Na de pis, de
hondendrol, de vliegende pinten, en al de rest, is dit de tijd in
mijn leven waarin ik mij het racisme het hardst aantrek. Het deksel
is van de beerput en de shit vliegt in het rond. En ik word stilaan
wat ik nooit ben geweest en nooit wilde zijn: boos, achterdochtig,
bitter soms. Ik voel dat ik geen geduld meer heb voor hen die het
niet willen snappen. Dat ik het beu ben om te doen alsof het niet zo
erg is, dat het wel meevalt allemaal. Dat ik me dooderger als ik weer
eens een mening over Zwarte Piet moet aanhoren van een goedbedoelende
blanke kennis. Dat ik opeens wél begrijp waarom mijn zus en zovele
getalenteerde, gediplomeerde mensen die ik ken naar Londen en verder
vertrekken, waar je niet constant aan je huidskleur wordt herinnerd
en je kansen op een job niet rechtstreeks gelinkt zijn aan je naam.

Daarom schrijf ik
dit: niet om aandacht te trekken of medelijden of wat dan ook, maar
als tegengif voor mijn eigen frustratie.

Het is tijd voor
actie, er moet nu iets gaan gebeuren. Want als ik al zeg dat mijn
emmer bijna vol is, dan sta ik niet in voor wat er kookt en kolkt
vanbinnen bij de vele allochtonen in dit land die niet zoveel geluk
hebben gehad als ik. Die geen fijne jeugd bij fijne ouders en met
fijne vrienden hebben gehad. En geen oervlaamse achternaam en
achtergrond.

Als wij als
maatschappij de dialoog over racisme niet opentrekken en de mensen
die getroffen worden door racisme niet mee uitnodigen aan de
gesprekstafel, dan zal dat serieuze gevolgen hebben. Als we blijven
doen alsof racisme in Vlaanderen best wel meevalt en we toch niet
moeten overdrijven, dan zal dat serieuze gevolgen hebben. Als we de
groeiende, terechte, verontwaardiging van zovelen blijven afdoen als
‘excuses zoeken’, dan zal dat serieuze gevolgen hebben. Als we op
tv, en voor de klas en in de krant steeds dezelfde blanke gezichten
zien, ongeacht het onderwerp en het publiek, dan zal dat serieuze
gevolgen hebben. Onze maatschappij is superdivers, en dat zal ze
blijven.

Het wordt tijd
dat beleidsmakers, de media en de goegemeente van welwillende burgers
dat inziet, aanvaardt en omarmt.

Het wordt tijd
dat erover kan en mag gepraat worden. NU.

Op 18 december komen mensen samen op het Poelaertplein in Brussel omdat ze er genoeg van hebben. Tussen 12u en 14u houden ze daar een sit-in en zeggen heel luid: ‘Wij zijn de meerwaarde’. Hopelijk bent u daar bij.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!