State of the Arts voert cultuuroppositie van onderuit

State of the Arts voert cultuuroppositie van onderuit

Het kunstenaarscollectief State of the Arts, een belangrijke cultuurpolitieke stem, had maandagavond 6 november een publiek overleg met Cultuurminister Gatz. "Dit is het parlement", riposteerde de minister op een bepaald moment. Daarin had hij alvast gelijk.

woensdag 26 november 2014 16:08

In de artistieke werkplaats W-o-l-k-e in Brussel vormden een 70-tal kunstenaars
een kring, er werd heerlijk gekookt en binnen een strikte planning
volgenden zes kritische interventies elkaar op. Einat Tuchman en Gosie Vervloessem
maakten bij de verwelkoming meteen de strijdbare verhouding duidelijk: “Onze
harten zijn vandaag bij de fietseling van Hart
Boven Hard tijdens de staking in Antwerpen.”

Dit overleg was allerminst
een rondje lobbyen voor eigenbelang in een achterkamertje, wel een officiële gelegenheid
voor kunstenaars om als burger hun stem aan deze regering te laten horen. State of the Arts voert al ruim een jaar
strijd. Dat de minister hen nu serieus neemt, is iets dat ze afgedwongen hebben
door hun initiatieven. Hier sprak bovendien het hart van de cultuursector. Want
zonder kunstenaar geen kunst en dus geen kunstenwereld. Daarmee zat dit
overleg op de hartslag van de maandagstaking, die opnieuw duidelijk maakte dat
de werkende mens de motor achter de economie is.

De vergelijking
loopt nog verder: zoals Hart Boven Hard
haar Alternatieve Septemberverklaring aan MP Bourgeois I overmaakte, zo deelde State of the Arts die avond eigenlijk haar
Alternatieve nota Cultuur (2014-2019) mee: geen besparingen, geen vermarkting,
maar een openbare cultuursector waarin kunstenaars en cultuurliefhebbers
centraal staan. De Cultuurminister wil zijn beleid tegen april concretiseren.
Nu heeft hij er naast het nieuwe Kunstendecreet en zijn beleidsnota een belangrijk
document bij: de visie van de oppositie van onderuit. Hierbij een verslag van
het overleg. Een geluidsopname van de avond vindt u hier.

We are calling’

Besparingen
zouden noodzakelijk zijn? Kobe Matthys opende zijn interventie met de opmerking
dat dit een dooddoener is, evenzo de logica dat er geen alternatief zou zijn. Toch
wil State of the Arts het debat, omdat
er in de beleidsplanning alarmerende zaken staan. Ze trekken aan de alarmbel – We are calling–  zoals
ze dat ook al aan het parlement deden deze zomer. De diversiteit van de kunsten
is in gevaar en daar is iedereen het slachtoffer van. Gatz repliceerde ontwijkend,
voelde zich niet aangesproken. Als op het einde van rit blijkt dat zijn beleid
niet deugt, zo stelde hij, moesten we maar niet op hem stemmen. Petra Van Brabandt
repliceerde laconiek dat we nu ook niet op hem konden stemmen, hij kwam immers
niet op met de verkiezingen. Hij zit bij toeval op deze post.

De interventie
die er op volgde, kon Gatz nog moeilijk ontwijken: Diederik Peeters zette zich
naast de minister en las hem vriendelijk, maar kordaat een brief voor. Een
relaas over de dubbele klap die de kunstenaar kreeg. Naast de besparingen op
het beschikbare kunstenaarsbudget zullen ook de besparingen op de instellingen
aan de kunstenaar doorgerekend worden.

Een zakelijk leider als Stefaan De Ruyck
(Vooruit) benadrukte dat in zijn opinie De
kunstenaar zelf ligt op het kapblok
(DS, 24/09): besparen op structurele
werking is bijzonder moeilijk, de kunstenaar is daarentegen een variabele kost.
Omdat de situatie van de kunstenaar vandaag zo precair is, deed Peeters meteen een
paar rake constructieve voorstellen. Iets dat vandaag bovenaan op het politieke
agenda moet staan: de sociale zekerheid van de kunstenaar. Want zoals het er nu
naar uitziet, staat het kunstenaarsstatuut vanaf januari op de helling. 

Gatz schoot
vervolgens even van de pedalen met het antwoord dat hij bijvoorbeeld ook bij Jeugd
moet besparen. Kunstenaars moeten dus niet denken dat zij alleen het
slachtoffer zijn. Hij voegde er aan toe dat we hopelijk niet de hele avond over
geld zouden praten. Een bizarre reactie, want besparen op de jeugd is evengoed
een probleem en als je niet met de bevoegde minister over besteding van
middelen kan praten, met wie dan wel? 

Maar Gatz herpakte
zich: wat die ‘fitness’ betreft, om terug te komen op iets dat hij in een interview met Walter Trio verklaarde (Klara, 27/09),
daarmee bedoelde hij niet dat de sterkste of de rijkste wint. Het kon ook de
origineelste zijn. Hij nam de KVS als voorbeeld. Opmerkelijk, want dit
cultuurhuis ondergaat nu een zware besparing en wordt in het regeerakkoord bij naam
geviseerd: het zou meer Vlaamse vlag en wimpel moeten worden.

De interventie
van Linda Suy, vervolgens, haakte hier met een knappe metafoor handig op in:
eerder dan fitness is er permacultuur nodig. De kunsten zijn een ecosysteem,
geen monocultuur waar je zomaar wat kan ploegen, zaaien, sproeien en oogsten.
Soms duurt het jaren vooraleer er een rijk, veerkrachtig weefsel groeit. Door
kranen dicht te draaien, zet je meer droog dan je lief is. Het marktdenken van
het Angelsaksisch model daarentegen, staat gelijk aan een aversie voor
artistiek risico, het botst met democratische controle en betekent sowieso een
verlies aan sociale en maatschappelijke focus. 

Kate MacIntosh
voegde er later fijntjes aan toe dat ze in het verleden het Angelsaksisch model
persoonlijk al in andere landen heeft mogen ondergaan: “Misery starts when business is becoming the
curator
.” Het beste bewijs dat dit
model niet werkt, zou volgens haar de meeting zelf zijn: de vele internationale
aanwezigen zijn ‘culturele asielzoekers’ die samen met andere kunstenaars in
Brussel nog wel kunnen realiseren wat elders al lang onmogelijk werd. Het
resultaat is een diverse mix uit alle hoeken van de wereld. En diversiteit, zo
stelde de minister terecht, daar moet toch aan gewerkt worden?

Het nieuwe Kunstendecreet is slechts een basis voor
overleg

Suy wees er
tevens op dat het ondemocratisch is om het nieuwe Kunstendecreet als een
voldongen feit te zien. Het zit vol valkuilen, je kan er alle kanten mee op. Overleg
is nodig met alle betrokkenen. Dat is een cruciaal punt dat An De Bisschop
(Demos) ook al benadrukte in een stevig opiniestuk De berg komt wel naar Mozes!, dat ze als reactie op een schuine column
van Tom Naegels schreef, maar dat De Standaard blijkbaar weigerde. Te kritisch
wellicht, voor de Ombudsman dan. Over de nood aan zelfkritiek gesproken… 

Be aware: onder de camouflage van mooie progressieve ideeën over diversiteit bevat het
nieuwe Kunstendecreet heel wat Trojaanse paarden, waarmee de uitverkoop van de
sector meteen zijn beslag vindt. Een cross-over met creatieve industrie? Ook
dat wordt tegenwoordig verkocht onder het mom van een schottenloos en divers
cultuurbeleid. Suy benadrukte hoe dit decreet de grote instellingen nog meer
zal bevoordelen. De Bisschop wijst daarenboven op het nefaste neoliberale
karakter van het beoogde beoordelingssysteem. Zonder deze waakzaamheid zet het
decreet de deur open voor de stille overname door de markt. 

Het voorlopig
goede nieuws is dat Gatz aangeeft dat we daar inderdaad nog over moeten praten.
Afgaande op zijn beleidsnota echter, en met N-VA als partner, valt het zeker te
vrezen dat vooral de hefbomen voor een rechtse en marktconforme cultuurpolitiek,
die dus in dit decreet al klaar zitten, benut worden en andere niet. 




Suy gaf voorts
aan dat de kunstensector als ecosysteem evenzeer impliceert dat er sommige
initiatieven artistiek uitgebloeid geraken. Het decreet riskeert daarentegen
instellingen in stand te houden die beter zouden ‘uitstromen’. Dat ontlokte aan
Gatz de bedenking dat het moeilijk is die keuzes te maken. Als minister krijg
je dan kritiek over je heen. 

Myriam Van
Imschoot was het daar terecht mee oneens. Wie de adviezen van de
beoordelingscommissies bekijkt, merkt dat de sector wel degelijk aan
zelfkritiek doet en jaar naar jaar moeilijke aanbevelingen maakt over wat moet
blijven en wat niet. Helaas overrulen ministers dat steeds vanuit
partijpolitieke dienstverlening, met als gevolg een sector die uitwassen en
staartgroei kent. De minister moet dus helemaal geen nefaste kaasschaaf
hanteren, maar gewoon de adviezen van de sector zelf ter harte nemen. Dat democratisch
werk is de vorige jaren al gedaan, hij kan dat zo overnemen. 

Nog voorlopig goed
nieuws: op de vraag van Bart Vandenput wat er met de provinciale cultuurwerking
zal gebeuren, antwoordde Gatz dat die middelen na het afschaffen van de
provincies niet verdwijnen, maar overgedragen zullen worden: “you can quote me on that.” Christophe
Meierhans deed een reeks strategische voorstellen voor een beter cultuurbeleid
zonder daarbij het belang van de publieke ondersteuning van de kunsten te
ondermijnen of kunst te verwarren met entertainment of creatieve industrie.
Gatz vond het voorwaar interessante ideeën die hij zeker wil overwegen. 

Katrien Reist,
ten slotte, wees op de meerwaarde van de collectieve werking eigen aan artist-run-organisaties. Ook de kunst
heeft een economie, maar ze is daarom nog geen economie. Dat is een essentieel
inzicht dat vandaag fel onder druk staat. De alternatieve modellen van
samenwerking, kennisontwikkeling en creatie die kunstenaars onderling
ontwikkelen, bieden waardevolle rolmodellen of prefiguraties voor een andere
huishouding van onze toekomstige samenleving. Dat gaat niet over verkoopbare
output, wel over innovatief sociaaleconomisch veldwerk. 

En wat zou Gatz
er van vinden om in de driehoek die de sector is, met instituten aan de top en
kunstenaars aan de basis, de rollen eens om te keren? Geef de basis eens de
middelen en laat instituten hun best doen om de kunstenaar ervan te overtuigen
om met hen samen te werken? Kortom, binnen het beschikbare budget kan Gatz in
principe wonderen doen. Het is een kwestie van willen.

Het democratische conflict

Even een stap
terug. In tijden van drastische besparing, die zonder overleg dictatoriaal
werden opgelegd, en een beleidsnota die ontegensprekelijk wil inzetten op de vermarkting,
zou je verwachten dat kunstenaars en hun organisaties passen voor overleg. Ook
de kater van het ‘cultuurforum’ van voormalig minister Schauvliege speelt mee: zij
verzamelde de sector in een kring voor een ‘allemaal-samen-strategie’, om
daarna het overleg danig te rekken zodat uitputting intrad, om dan uiteindelijk
eenzijdig de ministeriële beleidsnota door te drukken. Niet opnieuw. Het
vertrouwen is weg.

Voor kunstenaars
was het overleg met Gatz opschorten strategisch echter geen optie, om de
eenvoudige reden dat ze nog niet aan de onderhandelingstafel uitgenodigd waren.
Dat ligt nu anders: minister Gatz kent hun eisen en mag zich aan reacties en acties
verwachten als blijkt dat ook hij wil ‘discussiëren’ voor de schone schijn.

Het
pleit voor de minister dat hij zijn avond vrijmaakte en beloofde om open te
staan voor een vervolgoverleg. Als zijn legitimiteit als kunstliefhebber en
democraat hem dierbaar is, dan kan hij State
of the Arts simpelweg niet negeren. Hun protest loont: ze wisten kunstenaars
te mobiliseren om samen stapsgewijs hun conflict met deze regering op scherp te
stellen en vinden bij elkaar de stimulans om pacifisme en defaitisme te
overwinnen.

Dat is niet
alleen sterk, maar ook belangrijk, want zij representeren de bronsector. Inzake
cultuurpolitiek zijn zij de eigenlijke oppositie van onderuit. Laten we ons dus
zeker niet misleiden door de fameuze commissie Cultuur in het parlement. Van de
15 leden bevat die slechts 3 oppositiestemmen. Daar kunnen we dus vooral veel
theater voor de tribune verwachten. Beleidstechnisch kan Gatz er met een knip
zo elk beleid gestemd krijgen zolang hij N-VA op hun wenken bedient. Er zal
alleen sprake zijn van echte democratie, zonder mediagenieke cosmetica, als de
minister rekenschap geeft aan de eisen van kunstenaars.

To be or not to be: ministeriële legitimiteit?

Legitimiteit is de
minister dierbaar. Dat blijkt uit het feit dat Gatz de vergelijking met de
Nederlandse kaalslag die avond afwees. Hij is naar eigen zeggen Zijlstra niet,
want de sanering is minder zwaar en het klopt niet dat hij er op aanstuurt dat
kunstenaars en hun instituten maar oplossingen binnen de markt moeten
zoeken. Want in tegenstelling tot Zijlstra, zegt Gatz dat hij wél naar publiek
geld wil zoeken.

Die tegenargumenten
hangen helaas als een ballon te zweven aan een draadje, zo licht zijn ze. Want
de Vlaamse besparing is misschien minder zwaar, het Vlaamse budget lag in
vergelijking met het Nederlandse budget al veel lager, onderging al menige kaasschaaf
en onze kunstensector is al jaren niet geïndexeerd. De Vlaamse besparing is er
bovendien een van meerdere fronten. Vervolgens, met zijn voorkeur voor het
Angelsaksische model kiest Gatz wel degelijk voor vermarkting – zijn
beleidsnota is op dat punt historisch en du
jamais vu
. Hij mag dan wel de intentie hebben publiek geld te zoeken, mooi,
daar zijn vooralsnog geen vooruitzichten op.

Het enige verschil
zit dus in de attitude: Zijlstra sprong op de kar van de apathie jegens de
kunstwereld, die bij een breed publiek ook vlot gecultiveerd werd door de grote
media aldaar. Gatz wil daarentegen zijn gezicht niet verliezen en naar eigen
zeggen wél iets betekenen voor de sector.

Toch is hij functionaris in een regering die
zich duidelijk tegen de kunstwereld keert. Toch heeft hij nog geen enkele
toegeving op de besparingen gedaan. Integendeel: met de cultuurnota kiest hij
duidelijk voor de verdere uitverkoop. Gatz zal dus wat beter aan de façade moeten
werken. Om maar iets te zeggen, waarom reageert de minister eens niet op hoe De
Standaard
recidiveert in hun rancuneuze beeldenstorm tegen de cultuursector?

Een week na de stomp in de maag van Tom Naegels deed die krant het
gestamp nog eens over: als opwarmer voor het interview met Gatz’ medewerker
Sigrid Bousset stelt journalist Filip Rogiers dat in de tijd van Eric Antonis
en Antwerpen 93 alles nog wel prima was: “Het
leek toen alsof kunst de wereld nog kon redden, vandaag is de vraag eerder: kan
de kunst zichzelf wel redden? Zou ze niet beter eerst bewijzen wat ze waard is,
voor ze over korting op subsidies begint te klagen? Dat alles van waarde
weerloos is: zelfs kunstenaars beginnen er van te geeuwen.” ( DS Weekend, 22/11).

Je kan niet
beweren dat je met dergelijke cynische tussendoortjes nog een mediadebat wil
voeren. Het is de georganiseerde vernedering met het oog op heksenjacht. Alleszins
een gemiste kans voor een Cultuurminister die zijn cultuurliefde wil duidelijk
maken, wars van een Big Beer business
discours.

Kortom, de kunstwereld is samen met Hart Boven Hard vertrokken voor een lange cultuurstrijd en zal nog
veel harder op haar strepen moeten staan. Het is een hart- en zielenstrijd
waarmee ze ook zichzelf kan heruitvinden.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!